Het nut van speelgoedpistolen filmlezen

Kinderen kennen het verschil tussen echt geweld en gespeeld geweld. Maar grote mensen raken in de war van Hollywood-geweld. Hoewel, ‘Fargo’ van de gebroeders Coen rekent daarmee af.
ALS KIND HEB ik veel met pistolen gespeeld - van boomstronken in de vorm van een pistool tot revolvers met kruitkogels. Een pop kon me geen ruk schelen, maar de aankoop van een nieuw klapperpistool, het precieze inleggen van de rol klappertjes en het knallen van de haan tegen datzelfde rode muggebultenlint, de eventuele vonk, rook en vooral klappergeur, dat alles droeg bij aan mijn kinderleven op straat.

In de huidige discussie over geweld in beeld heerst een heleboel verwarring. Sommigen vermoeden dat kinderen tot geweld worden aangezet door hetgeen ze op televisie, film of bij computerspelletjes te zien krijgen, en ik moet toegeven dat dit vaak ook niet gering is, maar wat de invloed er precies van is, weet ik niet.
Vroeger bootsten kinderen hun helden na, voor zover dat in hun macht lag, dus met houten of plastic pistolen en tafelkleed-capes, waarmee het toch overduidelijk is dat ze de held nooit kunnen zijn, maar er alleen maar naar kunnen streven. En hierin zal tegenwoordig toch niet zoveel veranderd zijn.
Sinds Freud kan men op de hoogte zijn van de agressiedrift die ook in het kind huist en die in onze cultuur in toom gehouden dient te worden. Een van de manieren om agressie te kanaliseren is het spelen - of anderszins nagebootst ondergaan - van geweld of spanning. Het kind dat met een pistooltje speelt, doet eigenlijk iets heel ingewikkelds, al weet hij dat niet: hij traint èn reguleert zijn agressie, hij ontlaadt èn beheerst, en tegelijk weet hij dat hij speelt.
Het ‘alsof’ speelt dus een bijzonder grote rol in het leven van mensen in alle culturen en van alle gezindten. De natuur is, onvermijdelijk. En de cultuur stelt ons in staat tot oefenen of nabootsen of voorbereiden, en ook om met 'een ander oog’ of met 'het oog van de ander’ te kijken. Dit heeft denkelijk een sociale functie.
Met film is het niet veel anders. We kijken naar film om onszelf af te leiden, om via een omweg toch weer bij onszelf uit te komen, maar op een andere manier.
MET HET GEWELD in film is het problematisch gesteld. Ik weet niet of ik door het veelvuldig spelen met pistolen of het veelvuldige bioscoopbezoek gewend ben geraakt aan het meeste geweld op het doek (of afgestompt ben). 'Gewend raken’ is eigenlijk een verkeerde formulering: ik kan een soort sluis neerlaten bij het aanschouwen van extreem geweld in een film of op televisie wanneer het fictie betreft. Ik laat net zoveel spanning door die sluis als ik wil, en die methode werkt vrijwel altijd, behalve als het om zeer onverwachte, bloederige acties gaat.
In tegenstelling tot mensen die in hun jeugd misschien niet verslaafd waren aan alles wat maar op een beeldscherm verscheen, kan ik, onder het mom 'dat het maar gespeeld is’, vrijwel onbewogen naar veel vormen van geweld kijken, wat overigens geen teken hoeft te zijn van onverschilligheid of afstomping. Toen ik op de BRT naar een gefilmd dagboek van journaliste Els De Temmerman keek, kon ik dit verifiëren. Zij was er kort na de slachting in Ruanda met een cameraman op uitgetrokken om de puinhopen te filmen. Op een gegeven moment richt de camera, die op een berg staat, zijn lens in de verte en zoomt in, maar meer dan een piepkleine figuur op zijn knieën en een staande figuur die met een machete zwaait, is er niet te onderscheiden - hun hoofden zijn niet groter dan twee kersepitten. Het beeld wordt scherper en we krijgen een woordenwisseling te zien. De geknielde lijkt te smeken, maar dan, plotseling, houwt de staande in één slag het hoofd van de geknielde af. Het onthoofde lichaam blijft nog enkele seconden zitten en valt dan om, terwijl het hoofd als een lege kalebas verderop gerold is.
Honderden keren heb ik in westerns en horrorfilms hoofden zien rollen, closer dan me lief was, maar dit alles viel wel onder het hoofdstuk alsof. Het echte geweld voor de camera in Ruanda maakte misselijk en ziek. Ik was niet afgestompt, dat was duidelijk. Integendeel, ik geloof dat ik, doordat ik mij kan bedienen van de geweldsluis, juist beter kan zien wat de bedoeling van een film is dan iemand die zich onmiddellijk door bloedspatten laat intimideren.
Dat er in de film veel taboes op geweld zijn weggevallen, heeft sinds halverwege de jaren tachtig geresulteerd in een hausse aan gewelddadige Hollywoodfilms die elkaar in kracht overtroffen, met als gevolg robotachtige spierbundels in verhaaltjes die de Amerikaanse strips van de jaren vijftig nauwelijks achter zich laten - het genre put zichzelf gewoon uit.
Naast deze sprookjesfilms verscheen er een aantal art-films die poogden op minder stripachtige wijze iets over geweld te zeggen: onder andere Reservoir Dogs, Abel Ferrara’s Bad Lieutenant, David Lynch’ Blue Velvet en Wild at Heart. Films met geweldsscènes die misschien juist zo schokkend en verontrustend waren, omdat ze, zo goed geregisseerd en gespeeld als ze waren, geen abstract geweld toonden, maar datgene waartoe daders in staat zijn: mensen dus, geen spierbundelrobots.
Met films als C'est arrivé près de chez vous en Pulp Fiction kwam de verwarring begin jaren negentig pas goed los. Geweld werd gekoppeld aan humor, totale desinteresse in de aan te richten moorden, zelfs de emotie van het doden was verdwenen. Blijft over de absurditeit van geweld. Dat was ook wat de aantrekkingskracht van Pulp Fiction voor velen misschien uitmaakte - inderdaad 'pulpfictie’ met figuren die zo uit de tweestuiver-misdaadromannetjes weggelopen leken, sjablonen, maar voorzien van scherpe hedendaagse tekstballonnetjes. Een genrespel, verstrooiing, decadentie wellicht.
FARGO IS HET laatste produkt van de broertjes Coen, die altijd gezamenlijk het originele scenario van hun films schrijven, waarna Joel de film produceert en Ethan hem regisseert. Joodse jongens en meisjes maken in de regel geen geweldsfilms (Stephen Spielberg niet, Frans Weisz niet, Chantal Akerman niet en Woody Allen niet), behalve als er iets te parodiëren valt natuurlijk. Zo ook de begaafde broertjes Coen - die natuurlijk gewoon Cohen heten, maar de h eruit hebben gegooid - die met Fargo een meesterlijke parodie op het debiele geweld hebben gemaakt. Ze zien geweld als een lastig dierlijk bijprodukt van de niet al te snuggere mensheid, althans die in Fargo, Minnesota, waar in de winter alles smetteloos wit van de sneeuw is - één oogverblindende lege vlakte, als de leegte in de zielen van diegenen die deze staat bevolken. De film begint met een aantal beeldcitaten uit de klassieke horrorfilm, van Hitchcock tot Kubrick, en als het om een citaat gaat is de glimlach niet ver.
Het verhaaltje van de film lijkt uit het pimpampetplottendoosje geplukt: autohandelaar (William Macy) in geldproblemen denkt in één klap alles op te lossen door zijn vrouw (Kristin Rudrud) te laten ontvoeren en zijn rijke schoonpapa het losgeld te laten betalen, maar zijn enige fout is dat hij de verkeerde, want amateurontvoerders (Steve Buscemi - ex-Reservoir Dogs - en Peter Stormare) uitkiest. Met dat amateurisme, waar de film zelf geen seconde aan lijdt, is bijna elk personage in Fargo behept: als ze het niet in hun vak zijn, dan zijn ze het in hun leven. Sukkels zijn het allemaal, die er ook maar wat van proberen te maken en onder de middelmaat proberen uit te komen, wie wil dat nou niet? Een ietsje meer geld, of een schilderijtje van eigen hand op een postzegel of een kind krijgen, dat zijn toch de dingen waar het werkelijk om gaat?
Het geweld in deze film is bijna steeds 'per ongeluk’ en daardoor gevaarlijk en lullig tegelijk, het heeft niks heroïsch, het is eigenlijk alleen maar heel erg dom, het beste antwoord en het grootste wapen van de ironische makers Coen.
De zeer geestige dialogen, het goede spel van de acteurs en de trefzekere regie doen soms denken aan de jaren-zeventigfilms van Bertrand Blier of Ettore Scola, diezelfde lichtvoetige absurditeit: bijvoorbeeld bij een been van de andere ontvoerder, dat door de ene ontvoerder in een houtversplinteringsmachine wordt vermalen, en de zwangere no-nonsense agente (Frances McDormand) die hem onder schot houdt en hem toeroept dat hij er bij is, maar die door het versplinteringslawaai niet wordt gehoord. Dat is het menselijk tekort ten voeten uit. Dat is om te lachen zo treurig.