Het nuttige met het ideele verenigd

De ‘nederlaagcommissie’ van GroenLinks draait overuren. Hoe de aanhang terug te krijgen? In de eerste plaats door zich luid in het politieke debat te mengen. ‘Pas als GroenLinks belangrijk is als ze klein is, is er kans dat ze wat groter wordt.’

EINDELIJK KOMT het er: een onafhankelijk onderzoek naar de ‘affaire- Varma’, de affaire rond het GroenLinks-kamerlid dat tien jaar geleden 6500 gulden van het Grenada Komitee zoek maakte en betrokken was bij een dubieuze inzamelingsactie voor 'zuster Gerda’. Het was nota bene het eigen GroenLinks Magazine dat in de affaire dook. De aangedragen feiten waren dusdanig dat de partijleiding niet om een onderzoek heen kon.
Even onthullend is echter, in hetzelfde GroenLinks Magazine, een weergave van een vergadering van het partijbestuur. Onthullend omdat het antwoord geeft op de vraag waarom zo weinig mensen tegenwoordig nog hun politieke hart aan een politieke partij verpanden. Onderwerp is het onlangs verschenen evaluatierapport over de verkiezingsuitslag. In plaats van te discussieren over de inhoud, bakkeleit men over de status van het rapport en wat ermee te doen. Een fragment:
'Ik doe een tegenvoorstel: de conclusies van het rapport worden aangeboden aan het congres ter kennisname als basis voor de discussie over de aanbevelingen. Daar laten we het congres over stemmen.’
'Waarover?’
'Nou, wat ik zei, dat ze de conclusies ter kennisname aangeboden hebben gekregen.’
'Op het moment dat ze daarover stemmen hebben ze die conclusies allang op hun schoot liggen.’
'Wat zit je nu moeilijk te doen? Het voorstel is glashelder. Voorzitter, ik wil stemming.’
Er wordt gestemd, het voorstel wordt aangenomen.
'Sorry hoor, maar wat hebben we nu precies aangenomen?’
'Dat de conclusies van het rapport worden aangeboden aan het congres ter instemming als basis voor de discussie over de aanbevelingen.’
'Leuk geprobeerd meissie, maar daar trappen wij niet in. Ter kennisname, niet ter instemming.’
'Maar dat is gewoon geen Nederlands!’
Enzovoort.
HET ZOU TE GEMAKKELIJK zijn een dergelijke sfeer louter aan GroenLinks te koppelen - de dialoog is helaas kenmerkend voor politieke partijen in het algemeen. Wie wel eens een partijcongres van willekeurig welke partij heeft bezocht, begrijpt eigenlijk niet dat politieke partijen uberhaupt nog leden hebben. En het toeval wil dat juist GroenLinks binnenkort een poging doet de verstikkende partijdiscipline van zich af te gooien en zich om te vormen tot katalysator van sociale en ecologische politiek. Hoe een partij weer interessant te maken voor niet-partijbonzen?
Maar het congres daarover vindt pas plaats in januari volgend jaar. Ondertussen verlaten de mensen die zich bij het ontstaan in 1989 tot GroenLinks lieten verleiden, nu de een na de ander die partij. En dreigen slechts degenen over te blijven die het partijbureau aan de Amsterdamse Hoogte Kadijk toch al vulden: middelbare mannen met te harde stemmen, vrouwen die dank zij positieve discriminatie ook een beetje mee mogen doen en jongens en meisjes die vooral hogerop willen.
Of, zoals een ingewijde het uitdrukt: 'Mensen die niet iets toevoegen aan de partij, maar die hopen dat de partij iets toevoegt aan hen.’
Het degeneratieproces stoppen, dat lijkt voorlopig de belangrijkste taak van fractievoorzitter Paul Rosenmoller. Niet voor niets toog Rosenmoller de afgelopen maanden langs honderd talentvolle, eigenzinnige en soms bekende GroenLinks-sympathisanten in een poging hen bij de partij te houden en weer een netwerk op te bouwen. Onder het motto dat progressieve denkers zich beter kunnen inzetten voor een partij die hun ideeen omarmt maar vooralsnog weinig macht heeft dan voor een machtige partij die schijt heeft aan hun ideeen.
In januari zal blijken in hoeverre Rosenmollers missie is geslaagd. Dan spreekt het congres niet alleen over de voorstellen voor partijvernieuwing, maar kiest het ook een nieuw partijbestuur, inclusief voorzitter, en de kandidatenlijst voor de Eerste Kamer. De vraag is of GroenLinks na het vrouw-migrant- duo-debacle eindelijk zal zijn bekomen van de neiging om mensen te kiezen om wat ze zijn in plaats van om wie ze zijn. Zo stond afgelopen mei, toen Paul Rosenmoller eenmaal was gekozen tot fractievoorzitter, eigenlijk op voorhand vast dat de partijvoorzitter een vrouw zou worden. Geschikt of niet, verlegen stamelend vanachter haar haardos of niet.
ALS GROENLINKS de afgelopen tijd iets geleerd lijkt te hebben, dan is het wel hoe moeilijk interne partijdemocratie is. Wat dat betreft kan het CDA lering trekken uit de ervaringen van GroenLinks. Neem een lijsttrekkersreferendum. Is de uitslag nipt, dan toont het de verdeeldheid in de partij. Is de uitslag overduidelijk, dan kun je net zo goed geen referendum houden.
Waarbij partijen er in dit moderne tijdsgewricht bovendien rekening mee dienen te houden dat de voorkeur van de totale achterban nog wel eens kan verschillen van die van de randstedelijk georienteerde opiniemakers. De laatsten zijn snel, zelfverzekerd en gevoeli ger voor de politieke mode dan voor uitkeringstrekkers; de achterban elders is eerder sociaal bewogen, traag en aardig. Waar de PvdA nadrukkelijk heeft gekozen voor het randstedelijke profiel, het CDA weer teruggaat naar de provincie en D66 het geluk heeft de elite in zowel de provincie als de stad aan te spreken, worstelt GroenLinks.
GroenLinks moet zich, zo stelt de commissie die de verkiezingsnederlaag onderzocht, in verkiezingstijd veel sterker onderscheiden van PvdA en D66. Meer zelfvertrouwen tonen en minder bij de anderen op schoot kruipen, is de boodschap. Wie zich niet onderscheidt, maakt het kiezers wel erg gemakkelijk naar de grotere partijen over te stappen.
Dit druist in tegen de mening van (ex-)partijbonzen als Ina Brouwer en Bram van Ojik. Met name ex-lijsttrekster Ina Brouwer, die afgelopen mei haar consequenties trok uit de verkiezingsnederlaag en vertrok, laat geen gelegenheid onbenut om te betogen dat er voor GroenLinks slechts twee wegen zijn: samenwerking met PvdA en D66 of ten onder gaan als protestpartij. Het is de verdienste van de commissie dat ze niet in die valse tegenstelling trapt. Het evaluatierapport staat eind november ter discussie op een extra congres.
Ook moet, zo vindt de evaluatiecommissie, GroenLinks zich sterker sociaal-economisch profileren. Werkgelegenheid en sociale zekerheid zijn nu eenmaal de belangrijkste items in het politieke debat. Ex-partijbestuurder en net-niet-lid van het Europees parlement Joost Lagendijk: 'Het zal nog moeilijk worden om niet coute que coute het bestaande te verdedigen en tegelijkertijd de voorstellen van paars hard aan te pakken.’
Wat dat betreft doet de 'nederlaagcommissie’ overigens een aardige suggestie: het gaat niet om de keuze tussen markt en staat, het gaat erom 'de invloed van zowel staatsbureaucratie als vrije markt in grote delen van het dagelijks leven van mensen in te dammen en te neutraliseren. Daarom moet een sociale politiek worden gevoerd die veel meer dan nu aan de burgers ruimte laat om inhoud te geven aan het eigen leven.’
De vraag is of GroenLinks het verband tussen groen en rood verder vorm zal weten te geven. Weliswaar staan milieu en werkgelegenheid in de meeste gevallen niet tegenover elkaar, maar milieu en werk gaan beide wel ten koste van inkomen. En wil je tegelijkertijd zorgen dat de laagste inkomens er niet op achteruitgaan, dan moet er fors worden genivelleerd. Geen geliefde boodschap.
Het succes van GroenLinks zal mede afhangen van de mate waarin ze het milieuprobleem weet te polariseren. Want, zoals de Groningse hoogleraar Ankersmit onlangs in NRC schreef: pas als een probleem zich in een belangrijke maatschappelijke tegenstelling uit, wordt de samenleving gedwongen tot het oplossen ervan. Gezien de massale lippendienst die aan het milieu wordt bewezen, ziet Ankersmit voor GroenLinks meer kansen als ze zich op sociale kwesties richt omdat daarbij wel een duidelijk onderscheid tussen voor- en tegenstanders bestaat.
Kansen genoeg, zo lijkt het inderdaad: men heeft meer oppositie-ervaring dan het CDA, Rosenmoller krijgt alom vertrouwen, D66 zal bij volgende verkiezingen minder makkelijk 'milieustemmers’ kunnen trekken, 'paars’ biedt alle kans zich op sociaal- economisch gebied te onderscheiden en er ligt een gefundeerde evaluatie.
MAAR OF ER DAARDOOR de volgende keer meer zetels zullen worden gehaald, blijft de vraag. Want hoezeer iedereen op dit moment ook roept dat de verschillen tussen de grote vier zijn verdwenen, ook bij volgende verkiezingen zal het er weer om gaan wie van de groten de grootste wordt. Daarom zou GroenLinks zich veel meer moeten richten op beinvloeding van het politieke debat. Onderzoek wijst uit dat het animo van mensen om een bepaalde partij te stemmen niet alleen wordt bepaald door de regeringsgeschiktheid en de interne eenheid van een partij, maar evenzeer door de mate waarin een partij de politieke agenda weet te bepalen. Een partij die dat laatste weet uit te buiten, bevrijdt haar kiezers van het dilemma tussen 'nuttig’ stemmen en ideeel stemmen. Anders gezegd: pas als GroenLinks ook belangrijk is als ze klein is, is er kans dat ze wat groter wordt.
Volgens Paul Lucardie, wetenschappelijk medewerker van het documentatiecentrum voor politieke partijen, gaan vergelijkingen tussen GroenLinks en buitenlandse groene partijen al gauw mank. 'Dat de Grunen het in Duitsland beter doen en minder snel kiezers verliezen aan de SPD, heeft niet alleen te maken met het feit dat we hier D66 hebben, maar ook met de politieke cultuur. In Duitsland is er een veel grotere kloof tussen de linkse subcultuur en het establishment waar de SPD toe behoort.’ GroenLinks moet zich ook in de toekomst geen al te grote illusies maken, meent hij. 'Er kunnen heel veel mensen begaan zijn met het milieu, maar het electoraat voor een partij links van de sociaal-democraten is nu eenmaal beperkt. Mensen gaan niet opeens links stemmen als ze voor het milieu zijn.’