Het oeverloze ruimtedebat

Het is niet de komkommertijd die ervoor zorgt dat de Volkskrant dezer weken haar opiniepagina’s ter beschikking stelt aan de deelnemers van het ‘ruimtedebat’. Integendeel, eigenlijk is het vreemd dat bijdragen aan het gesprek over de inrichting van Nederland samenvallen met de bouwvak. Want als er op dit moment iets is dat de hele natie aangaat, dan is het de ruimte.

Wat opvalt aan de auteurs is dat ze van zo diverse pluimage zijn. De krant laat een hele rij specialisten aan het woord die zich de afgelopen tijd op diverse vakterreinen hebben geroerd: planologen, sociaal-geografen, historici, ontwerpers, ecologen, stedebouwers en politici. Wat dat betreft is dit debat, dat voor de kenners het karakter van een goede samenvatting heeft, een adequate weergave van de huidige stand der meningen. Maar het hadden ook gewoon betrokken staatsburgers kunnen zijn, zonder vermelding van deze of gene functie. Nu Nederland, zoals dat steevast heet, op de schop gaat, ontkomt niemand aan de gevolgen. Boeren, burgers, buitenlui, ze zijn inmiddels allemaal urbanieten die dagelijks geconfronteerd worden met graafmachines en hijskranen. Of ze confronteren anderen ermee. Niet voor niets zijn het de aannemers die een der meest lucratieve neringen drijven: bouwen.
Het begrip ruimte omvat alles en dat is te merken. Het ruimtedebat begint langzamerhand alle trekken van oeverloosheid aan te nemen. De ene keer gaat het over de luchtvaart, de geluidhinder of het ruimtebeslag; de andere keer is de witte schimmel aan de beurt, de oprukkende witte woonparadijsjes aan de rand van de zo pittoreske oude dorpen op het Drentse platteland. Nu eens loopt men te hoop tegen pijlsnelle-treintracés, dan weer tegen een gemeentelijk architectuurbeleid dat zich noodgedwongen beperkt tot het behoud van een markant stadssilhouet. Het onderwerp is dermate breed dat het in feite allang niet meer aan een debat der specialisten kan worden voorbehouden. Hun voorsprong in het onder woorden brengen van de materie is een schijnvoorsprong. Er is immers niets instructiever dan het leven midden in het geluid van de heimachines zelf. En dat leven kent dus iedereen.
Toch is het niet onlogisch dat de Volkskrant een kring scribenten uit de vakgemeenschap selecteert. Hoewel het onderwerp niet minder dan de toekomst van de Bataafse beschaving betreft, is het kruisen der degens op ideologische grondslag uit de gratie geraakt. Men betwist elkaar niet meer een visie op het arcadië der Nederlanden, maar op de mate van dichtheid per vierkante meter, of dat geluid van een vlucht regenwulpen. Nieuwe Ruimte is wat dat betreft een alternatief voor het geloof in een Nieuwe Tijd. En bij deze relativering horen niet generaliserende idealisten het woord te voeren, maar specialisten, met een gedegen kennis van zaken.
Maar iets in dit debat maakt het in toenemende mate tandeloos. Ten eerste legt iedereen zich erop toe eyeopeners te bieden. Hoe zien de stedelijke ontwikkelingen er werkelijk uit? Zie de Nieuwe Kaart van Nederland. Kan de snelheid schoonheid bezitten? Zie de diverse fotoreportages van machtige infrastructuur. Kijk er eens anders tegenaan, lijkt men te willen zeggen, maar waar men tegenaan kijkt, blijft hetzelfde. Zo wordt ieder conflict vermeden.
Een tweede kenmerk is de groeiende kloof tussen praters en doeners. Het wordt steeds duidelijker dat de gespreksdeelnemers in de meeste gevallen niet de beslissers zijn. En die laatsten baseren zich bij hun beslissingen zelden op het denkwerk van de sprekers. Zo zien we een vergaande zonering van aandacht, energie, talent en macht.
Maar het opvallendst is dat aan de meest ruimtelijke aller ontwikkelingen, de globalisering, zo weinig creatieve aandacht wordt geschonken. De nieuwe moderniteit wordt als voldongen feit aanvaard. Ze is een externe factor geworden. Helaas voor de gespreksdeelnemers waarschijnlijk net ook de doorslaggevende factor.