Het Duitse herstel heeft ook een schaduwkant

Het omstreden Wirtschaftswunder 2.0

Eind deze maand wordt het ‘pact voor de euro’ beklonken. Het achterliggende idee: om de eenheidsmunt te redden, moeten we allemaal een beetje Duitser worden. Maar het succes is een façade.

WOLFSBURG - Hier vind je ze nog: mannen met snorren. Geen artistieke streepjes, niet de overdreven dikke Stalin-borstels, maar doorsnee behaarde bovenlippen. Sommigen hebben een boor in de hand. Zij aan zij met hun talrijke vrouwelijke collega’s - in het blauw, de heren dragen overwegend witte overalls - installeren zij autogordels of bekabeling. Anderen hoeven slechts toe te kijken hoe de techniek het werk doet, handen op de rug, buik vooruit. Voor hun ogen slingert het ene na het andere autogeraamte zich aan de kilometerslange lopende band door werkplaats 54. Beetje bij beetje ontstaat een Volkswagen Golf.
Alleen al in deze productiehal werken vijfduizend mensen. In totaal telt de grootste autofabriek ter wereld bijna tien keer zo veel medewerkers. Per dag produceren zij drieduizend auto’s. Daarbij zijn het eigenlijk de machines die het leeuwendeel van het werk verrichten. Hun gepiep, geratel en gesis overstemt de radio’s van het personeel. Het ritme van het industriële kapitalisme. Hier installeert een oranje robotarm het kant-en-klare dashboard. Daar wordt de carrosserie op het onderstel geperst. ‘Dit is ons huwelijk’, merkt een medewerker niet zonder trots op over de samenvoeging van de twee stukken auto. 'In tien seconden is het gedaan.’
Het Volkswagen-hoofdkwartier in Wolfsburg heeft altijd uitgeblonken in superlatieven. Het begon al met de oprichting in 1938. De stad is in razend tempo uit de grond gestampt door de nationaal-socialisten. Eerst kwam de fabriek. De vier 125 meter hoge schoorstenen van de kolencentrale die nog altijd de lucht boven Wolfsburg domineren, stammen uit die tijd. Daarna volgden de onderkomens voor het personeel. Huizen voor de Duitse werknemers, kampen voor de tienduizenden internationale dwangarbeiders die later volgden. Aanvankelijk was het de bedoeling dat hier de 'KdF-Wagen’ geproduceerd zou worden, genoemd naar de nazistische vrijetijdsorganisatie Kraft durch Freude. Maar in plaats van auto’s voor Duitse consumenten werd al snel overgeschakeld op wapentuig, voor Hitlers veroveringstochten.
Na de oorlog moest dat alles snel vergeten worden. De 'Stadt des KdF-Wagens’ werd omgedoopt tot Wolfsburg. Binnen enkele jaren liep de productie weer op volle toeren. Het Volkswagen-concern werd een symbool van het Duitse Wirtschaftswunder. Dat is het vandaag de dag opnieuw. Voor het eerst sinds jaren is Duitsland niet de zieke man van Europa. Het is de economische locomotief geworden van het continent. En net als de rest van de exporteconomie boomt ook Volkswagen als vanouds.
In het afgelopen jaar zag de multinational de winst verachtvoudigen, tot 7,2 miljard euro. Ook 2011 belooft een recordjaar te worden. Met dank aan de sterk gestegen vraag in de opkomende, niet-westerse economieën. De nieuwe Chinese middenklasse wil dolgraag Duitse auto’s. Met als resultaat dat Volkswagen voor het eerst in de geschiedenis meer dan zeven miljoen voertuigen verkocht. Maar het moet nog meer, groter, sneller. Naast het hoofdkantoor in Wolfsburg wapperen witte vlaggen met de merktekens van Volkswagens veroveringen: Audi, Skoda, Bentley. Straks moet daar ook Porsche hangen, misschien wel Alfa Romeo. Het einddoel grenst aan hoogmoed: in 2018 hoopt Volkswagen de grens van tien miljoen auto’s per jaar te doorbreken. Daarmee willen de Duitsers het Japanse Toyota onttronen als grootste autoproducent ter wereld.

HET ZIJN ZULKE ambities die de rest van Europa jaloers doen likkebaarden. Anders dan Groot-Brittannië, Spanje en Frankrijk is Duitsland razendsnel uit de crisis gekomen. Het bruto binnenlands product groeide het afgelopen jaar met maar liefst drieënhalf procent. Waar de meeste westerse economieën blijven tobben, bloeit Duitsland als zelden tevoren. Minister Brüderle van Economische Zaken sprak opgetogen van 'herstel XL’. Elders wordt al gerept van een 'Wirtschaftswunder 2.0’.
Over het geheim achter het Duitse succes verschillen de meningen. Economen wijzen uiteenlopende factoren aan. Allereerst is er de robuuste economische structuur. Anders dan de Britten en de Ieren heeft Duitsland nooit al zijn kaarten gezet op dienstverlening, laat staan de financiële sector. Van elkaars haren knippen kunnen we op den duur niet rondkomen, merkte een voormalige werkgeversbaas ooit treffend op. Dus is het land, in tegenstelling tot Nederland, nooit opgehouden een industriepolitiek te voeren. Die pakt soms slecht uit. Zo wordt de vervuilende steenkolenwinning nog altijd met miljarden gesteund. Maar vaak gaat het ook goed. Met name het zuidwesten van Duitsland huisvest inmiddels een indrukwekkende reeks nationale kampioenen. Dat zijn geen reusachtige molochs zoals in Frankrijk, maar middelgrote bedrijven die de mondiale marktleider zijn geworden in kennisintensieve nichesectoren, van de machinebouw tot groene energie.
Een tweede succesfactor is het sociale overleg. Volkswagen is een toonbeeld van dat paradepaardje van het vaak geroemde Rijnlandse model. Het goed georganiseerde personeel wordt niet alleen fatsoenlijk betaald, via de ondernemingsraad beslist het ook mee op het hoogste niveau, tot in de raad van commissarissen. Het is die overlegeconomie die een heus banenwonder mogelijk heeft gemaakt. Op het hoogtepunt van de crisis draaiden Duitse werknemers minder uren en leverden tijdelijk een deel van hun loon in. In ruil daarvoor boden de werkgevers baanzekerheid. Met als gevolg dat de gevreesde massawerkloosheid is uitgebleven. Bovendien konden bedrijven door deze Duitse variant op de deeltijd-WW hun goed geschoolde personeel behouden en na de crisis een vliegende start maken.
Een derde factor is ten slotte dat Duitsland, tegen de Europese trend in, goedkoper is geworden. Daar heeft het huidige rechtse kabinet van bondskanselier Angela Merkel overigens weinig aan bijgedragen. Het is het gevolg van een reeks hervormingen die grotendeels zijn ingezet door de rood-groene regering van Gerhard Schröder. In het kader van diens zogenoemde 'Agenda 2010’ is de Duitse arbeidsmarkt verregaand geflexibiliseerd. Ook werd het uitkeringsstelsel versoberd en bezuinigde de overheid fors op de publieke sector. Als enige euroland zag Duitsland daardoor in het afgelopen decennium zijn loonkosten niet stijgen, maar afnemen. Waar Nederland een plus van bijna twaalf procent noteerde, werd arbeid in Duitsland maar liefst zes procent goedkoper. Dat is de internationale concurrentiepositie ten goede gekomen. Daar komt bij dat de euro door de problemen in Zuid-Europa relatief goedkoop is. De waarde van de munt blijft als gevolg hiervan achter bij de concurrentiekracht van de Duitse economie. Dat is gunstig voor de export - van auto’s bijvoorbeeld.
Alle jubel doet vergeten hoe pril en breekbaar het succes is. Toch hoopt de rest van Europa het te kunnen kopiëren. Daar komt bij dat Duitsland voor een groot deel van de kosten van de eurocrisis opdraait. Wie betaalt, bepaalt, zo bleek de afgelopen maanden op een reeks Europese topoverleggen. Dus heet het inmiddels in de wandelgangen dat om uit de eurocrisis te komen Europa een beetje Duitser moet worden.
Maar wat betekent dat? Heeft Duitsland de economische groei nu te danken aan een slimme industriepolitiek, goed sociaal overleg, het gelukje van een goedkope euro of toch de lage lonen? In de Europese discussie blijkt het Duitse model vooral een grabbelton, waarin politici naar believen graaien. Veruit de meeste aandacht gaat daarbij uit naar de laatste factor, het kostenplaatje. Niet voor niets legt het 'pact voor de euro’, dat tijdens een Eurotop eind deze maand beklonken zal worden, sterk de nadruk op neoliberale hervormingen.
Het Duitse recept? In de praktijk blijkt dat neer te komen op lagere loonkosten, hogere pensioenleeftijden en heel veel begrotingsdiscipline. Dat klinkt hard, maar uiteindelijk worden we er allemaal beter op, is het idee. Kijk maar naar Volkswagen. De Wolfsburgers zijn een mondiale speler van belang, maken enorme winsten en de werknemers worden er ook nog eens beter van. Zij kregen afgelopen jaar zelfs een bonus van vierduizend euro per persoon. Welke Griek, Portugees of Nederlander zou daar niet voor tekenen?

ER IS ÉÉN PROBLEEM: Duitsland is niet Volkswagen. Onder invloed van de hervormingen van de arbeidsmarkt is de afgelopen jaren een tweede, parallelle economie ontstaan. Die is in alles het spiegelbeeld van het Rijnlandse model. In plaats van goedbetaalde, zekere banen wordt ze gekenmerkt door lage lonen en tijdelijke contracten. Dit is de in Duitsland hevig omstreden wereld van 'minibaantjes’ en 'één euro jobs’.
Om die te ontdekken, hoef je niet ver te zoeken. Zelfs de Duitse overheid kan inmiddels niet meer functioneren zonder slecht betaalde uitzendkrachten, zo bleek onlangs nog uit antwoorden op vragen van een socialistische parlementariër. En uitgerekend in het hart van de democratie, de Bondsdag, werken naar verluidt mensen die boven op hun fulltime baan een uitkering ontvangen. Dat is geen luxe. Zij krijgen zo weinig betaald dat hun loon van staatswege aangevuld moet worden om boven de armoedegrens uit te komen.
Daarin zijn zij geen uitzondering. In de campagne voor de verkiezingen vorig jaar werd veelvuldig verwezen naar de Duitse kappers, die uurlonen van soms slechts drieënhalve euro verdienen. Andere beroepsgroepen zijn nauwelijks beter af. Ruim een miljoen Duitsers verdient tegenwoordig minder dan vijf euro per uur. De Hans-Böckler-Stiftung, het wetenschappelijk bureau van de Duitse vakbonden, berekende zelfs dat één op de zes werknemers minder dan acht euro per uur betaald krijgt. In Nederland zou dat alles verboden zijn; het ligt onder het wettelijk minimumloon. Maar uitgerekend het om zijn sociale model geprezen Duitsland kent als een van de weinige Europese staten geen minimumloon. De gevolgen zijn stuitend. Ondanks forse loonsverhogingen bij grote bedrijven als Volkswagen, Siemens en Daimler heeft de gemiddelde Duitse werknemer tegenwoordig minder te besteden dan aan het begin van de eeuw. Het reële inkomen, dus gecorrigeerd voor inflatie, daalde gemiddeld met vier procent.
De hervormingen van de Duitse arbeidsmarkt hebben niet alleen de sociale kloof vergroot. Ze introduceerden ook perverse prikkels. 'Werkloze armoede is vervangen door werkende armoede’, merkte een jurist hierover op. Om hun schamele inkomen aan te vullen tot het sociaal minimum waren in 2009 bijna anderhalf miljoen werkende Duitsers aangewezen op een aanvullende uitkering. Hun aantal stijgt snel. Niets verplicht Duitse werkgevers immers hun bewakingsmensen, keukenpersoneel of uitzendkrachten een fatsoenlijk salaris te betalen. Wat overblijft is al te vaak een fooi. De overheid vult die vervolgens aan, betaalt pensioengelden en financiert desnoods ook nog de woning en de stookkosten. Kind van de rekening is de belastingbetaler. Niet voor niets spreken onderzoekers van een bizarre subsidie op 'loondumping’ en 'hongerlonen’.
Zulke toestanden spelen zich niet alleen aan de onderkant van de arbeidsmarkt af. Of het nu in het welzijnswerk, het onderwijs of de zorg is, overal schieten de belabberd betaalde baantjes als paddestoelen uit de grond. Neem Kirsten, een zelfstandige Berlijnse verloskundige. Voor een huisbezoek ontvangt zij ongeveer 23 euro. Dat terwijl dit inclusief reistijd al gauw meer dan een uur in beslag neemt. Van die vergoeding gaan bovendien forse bedragen af voor onder meer haar aansprakelijkheids- en ziektekostenverzekering. Wat er overblijft? 'Volgens mij een uurloon van vijf, hooguit tien euro’, verklaart ze bijna verontschuldigend. 'Maar eerlijk gezegd probeer ik er aan het einde van de maand gewoon niet over te denken hoeveel ik nu eigenlijk netto per uur heb verdiend.’
Wat de Duitse bevolking misschien nog wel de meeste angst aanjaagt, is dat de precaire schaduweconomie snel uitdijt. Zo snel, dat ze de oude economie begint te overvleugelen. Wie vandaag nog tot de middengroepen behoort, kan volgend jaar al onderklasse zijn. Die vrees wordt bevestigd in een recente rapportage van het Instituut voor Arbeidsmarkt- en Beroepsonderzoek. Bedrijven ontslaan vaste werknemers, om hen vervolgens weer aan te nemen als uitzendkracht. Die blijken voor hetzelfde werk gemiddeld een vijfde minder te verdienen.
Sommige professionele beroepsgroepen zijn zelfs in hun voortbestaan bedreigd. In de hoofdstad Berlijn is een subsidie-economie ontstaan van jonge creatievelingen die jarenlang van een uitkering leven - grafisch ontwerpers, journalisten, fotografen. Allemaal azen zij op dezelfde opdrachtgevers. Die hoeven hen nauwelijks te betalen; de freelancers leven toch op kosten van de overheid, extra inkomsten worden van de uitkering afgetrokken. Het gaat er bovendien om ervaring op te doen, door te breken. Het geld komt later wel. Maar het ongewilde resultaat is dat in sommige sectoren álle vergoedingen dalen. Ook die voor mensen die wél van hun werk moeten zien te leven.
Het Duitse succesmodel blijkt een façade, die steeds dunner wordt. In Wolfsburg geldt dat zelfs letterlijk. Rond het treinstation zijn gloednieuwe gebouwen opgetrokken. Ondanks haar amper 120.000 inwoners heeft de stad een hypermodern museum gekregen. Even verderop verkopen designeroutlets kleding van Lacoste, Ralph Lauren en Tommy Hilfiger. En aan de overkant van het Mittellandkanaal, dat de stad scheidt van de fabriek, schittert Volkswagens eigen pretpark, Autostadt. De wollige pr-folder prijst het aan als een 'interactief totaalkunstwerk vol nieuwe gebeurtenissen, ervaringen en genietingen’. Genietingen, maar voor wie? Volkswagen produceert inmiddels vooral voor het buitenland. Nu al verkoopt het twee keer zo veel auto’s in China als in Duitsland. Hoe meer Duitsers veroordeeld worden tot een slecht betaalde baan, hoe groter die kloof wordt.
Duitsland staat of valt bij de export. Het groeit op kosten van het buitenland. Naast de groeiende inkomensongelijkheid en de kosten voor de belastingbetaler zou dat kenmerk van het Duitse model Europa tot nadenken moeten stemmen. Want het buitenland is een onbetrouwbare afnemer. Alle staten willen meer exporteren. Liefst ook nog hoogwaardige producten, luxegoederen. Ondertussen kondigen overheden overal ter wereld ingrijpende bezuinigingspakketten aan. Wie moet dan al die spullen consumeren?
De nieuwe Duitse armen in elk geval niet. Zij doen hun aankopen honderd meter voorbij de Wolfsburger schijnwereld van glas en ronde vormen. In de winkelstraat van een van de meest troosteloze steden van West-Europa ligt discounter naast discounter. De Al Bundy Schuh Outlet biedt schoenen met kortingen tot zeventig procent aan. Made in China.