Het onbekende oosten

Waarom is Herman Kochs Sommerhaus mit Swimmingpool een verkoopsucces in Duitsland, terwijl omgekeerd Nederlanders met geen stok aan de Duitse literatuur zijn te krijgen?Waarom is Herman Kochs Sommerhaus mit Swimmingpool een verkoopsucces in Duitsland, terwijl omgekeerd Nederlanders met geen stok aan de Duitse literatuur zijn te krijgen?

In geen ander land wordt zo veel Nederlandse literatuur gelezen als in Duitsland. Vanaf 1993 zijn Nederlandse schrijvers er populair. Dat jaar had de Frankfurter Buchmesse de Nederlandse literatuur als Schwerpunkt. Voor de boeken van Cees Nooteboom en Maarten ’t Hart is veel belangstelling. Ook Arnon Grunberg, Herman Koch en Marente de Moor liggen in hoge stapels in Duitse boekhandels. Hun boeken worden, vaak positief, in de Süddeutsche Zeitung en de Frankfurter Allgemeine besproken. Kochs Sommerhaus mit Swimmingpool, door de literaire kritiek geprezen als een ‘thriller met literaire meerwaarde’, is er als boek (hardcover en paperback), e-boek en luisterboek. ‘Uit Nederland komt niet alleen topvoetbal, maar ook toprealisme’, schrijft de Frankfurter Allgemeine. Nederlandse uitgevers zijn daar blij mee; de Duitse markt is groot. Om met Elvis te spreken: 82.000.000 readers can’t be wrong.

Nederlandse schrijvers die in Duitsland op Lese-Tournee zijn, zijn vaak verrast door de bijzondere belangstelling, waardering en nieuwsgierigheid van het Duitse publiek. Arnon Grunberg, Cees Nooteboom, Jan Siebelink, Thomas Rosenboom, Gerbrand Bakker, Alex van Galen, Jan van Mersbergen, Ramsey Nasr, Hagar Peters, Tommy Wieringa: ze waren eerder dit jaar allemaal te gast op een literair festival in Darmstadt, met een niederländische Lyriknacht en een niederländische Kriminacht. Voor de Else Otten Übersetzerpreis, een tweejaarlijkse vertaalprijs voor de beste Nederlandse vertaling in het Duits, kon de jury een keuze maken uit 119 nieuwe vertalingen, vertaald door vijftig verschillende vertalers.

Omgekeerd is die belangstelling heel wat minder vanzelfsprekend. Wie een boekhandel van Selexyz binnenloopt, ziet misschien een enkel Duits boek op de tafels vertaalde literatuur. De vooruitblik in NRC Handelsblad op het komende literaire seizoen telt in de rubriek vertaalde fictie 55 titels, waaronder één jongere Duitse schrijver: Julia Franck. De krant schrijft dat de Duitse literatuur wordt ‘gedomineerd door stokoude schrijvers die een beetje vervelen’. Een Duitse recensent zal Grunberg niet zo snel meten aan Couperus. Maar als Trouw een aantal recente romans van onze oosterburen bespreekt, komt de krant tot de conclusie dat ‘Berlin Alexanderplatz van Alfred Döblin wel nooit (zal) worden overtroffen’. Dat is een boek uit 1928.

Natuurlijk, de Nederlandse literatuur heeft kwaliteit. Maar dat kun je de Duitse literatuur ook niet ontzeggen. Er is dus meer aan de hand.

Duitse media en Meinungsmacher kijken met een vrij open blik naar Nederland. Omgekeerd waren er lang gekoesterde voor­oordelen. In hetzelfde jaar waarin Nederlandse schrijvers in Duitsland doorbraken, verscheen een geruchtmakende studie van Clingendael. Nederlandse jongeren vonden Duitsers heerszuchtig en overheersend. Ook Andreas Burnier, bekend als een vrijdenkende intellectueel wars van vooroordelen, noemde het Duits midden jaren negentig ‘een taal waarin men snauwt en schreeuwt’. Nederland keek met een bijzonder kritisch oog naar Duitsland: bij de Berufs­verbote in de jaren zeventig, bij de ‘conservatieve’ Helmut Kohl in de jaren tachtig en bij aanslagen tegen asiel­zoekers in de jaren negentig. En vooroordelen zijn hardnekkig. ‘Je vrolijkheid wordt er niet met vrolijkheid beantwoord’, zei de schrijver Oscar van den Boogaard in 2010 over Berlijn, en hij vertelde hoe hij ‘nazi!’ riep tegen een Duitser die hem van zijn fiets reed. Nelleke Noordervliet concludeerde twee jaar terug in een lezing aan het Duitsland Instituut dat oude vooroordelen over Duitsland plaats hebben gemaakt voor – ja, voor wat eigenlijk? ‘Oude, stereotiepe clichébeelden ebden weg, maar daar kwam weinig voor in de plaats.’

Een andere rol speelt de afgenomen kennis van de Duitse taal in Nederland. Studeerden in de jaren zeventig nog duizenden Nederlanders Duits, in de jaren negentig ging het om minder dan honderd studenten. En de overgebleven opleidingen staan, bijvoorbeeld aan de Universiteit Leiden, onder druk. Tot in de jaren negentig moesten studenten rechten, geschiedenis en psychologie Duitse boeken lezen. Steeds meer universiteiten hebben de hoop opgegeven dat jonge academici nog in staat zijn die teksten tot zich te nemen. Daarmee ontbreekt bij jongere generaties het belangrijkste instrument om toegang te krijgen tot de Duitse cultuur, politiek en maatschappij: de Duitse taal.

Duitse uitgevers brengen relatief veel buitenlandse schrijvers uit. Het land staat bij uitgevers bekend als open en belangstellend. Nederland richt zich, als het om buitenlandse boeken gaat, sterk op bestsellers uit de Engelstalige wereld: 97 procent van de buitenlandse boeken die in Nederland worden verkocht zijn in het Engels. Dat betekent niet dat Nederland geen open land is – het betekent wel dat Nederland selectiever open staat en heel wat minder contact heeft met andere culturen dan we geneigd zijn te denken. ‘Wat zijn de goede Duitse schrijvers van nu?’ vragen vrienden mij wel eens. Het ontbreekt aan goede bewegwijzering.

In de Duitse literatuur is nog altijd veel aandacht voor de Tweede Wereldoorlog, die natuurlijk ook een ware Fundgrube is voor verhalenvertellers. De wijze waarop schrijvers daarmee omgaan is wel veranderd. Of het nu gaat om het perspectief van de daders (Bernhard Schlink, Der Vorleser, 1995), de impact van het nationaal-socialisme op het dagelijks leven (Uwe Timm, Am Beispiel meines Bruders, 2003) of het oorlogsleed van de Duitse bevolking zelf (Günter Grass, Im Krebsgang, 2002). Maar ook dat andere verleden kreeg een prominente plaats in de literatuur. Jonge schrijvers uit de ddr, zoals Claudia Rusch (Meine freie deutsche Jugend, 2003) en Jana Hensel (Zonenkinder, 2002), vertelden over een jeugd in de ddr en in het nieuwe Duitsland. In plaats van Fetzer kwam Mars, een spijkerbroek was geen statussymbool meer en naakt zwemmen was plots vreemd.

Intussen groeide Berlijn na 1989 vooral voor jongere schrijvers uit tot een nieuw centrum. Of het nu ging om slam poetry of experimenteel toneel, politiek engagement of popliteratuur: op tal van podia in Berlijn lazen en lezen schrijvers voor een breed publiek hun teksten voor, van smoezelige literaire cafés tot het vooraanstaande Literaturhaus, van bars tot het oude woonhuis van Brecht. Prominente uitgeverijen, zoals Suhrkamp, verhuizen van Frankfurt am Main naar Berlijn. De stad is het nieuwe culturele centrum van Duitsland, en misschien wel van Europa. Voor elk van die drie Duitslanden – het Duitsland met het nazi-verleden, het Duitsland met het ddr-verleden en het hippe Berlijn van nu – geldt: met de Duitse literatuur heb je een sleutel in handen.

De confrontatie met het Duitse literaire en culturele debat leert ons ook veel over onze eigen state of mind. Opvallend is de aanhoudende belangstelling voor klassiekers bij onze oosterburen. Goethe, Schiller, Kleist, Lessing, Kafka, Döblin, Thomas Mann, Jünger, Hesse, Brecht: het is ook niet niks. En die klassiekers blijken hun zeggingskracht nog niet verloren te hebben. Duitsland kent Goethe-, Schiller- en Kleist-Jahre, waarin kwaliteitskranten speciale bijlagen uitbrengen, er biografieën verschijnen en regisseurs, filmmakers en schrijvers van vandaag zich uitspreken over de zeggingskracht van deze Geistesgrößen. Maakt Thomas Mann in Buddenbrooks niet duidelijk hoe de ondergang van een enkel op handel en winst gericht leven eruitziet? En is Brechts kritiek op het kapitalisme niet verrassend actueel? Ook kort na de val van de Muur bleef Duitsland de stukken van Brecht spelen. ‘Het uiteenvallen van communistische dictaturen die zich op het socialisme beriepen, betekent niet dat de grote sociale vragen beantwoord zijn’, zei Hermann Beil, dramaturg aan het Berliner Ensemble. Loek Zonneveld schreef onlangs in dit blad over de moeizame pogingen om Vondel in Nederland aan de man te brengen: een vlam ‘die steeds weer doofde’. Duitsland beschikt over klassiekers met kwaliteit, regisseurs en wetenschappers die in staat zijn hun werk met onze wereld te verbinden en een publiek dat hiervoor open staat.

Er is nog een verschil tussen het Duitse en het Nederlandse literaire debat: de sterke maatschappelijke betrokkenheid van de Duitse literatuur. Schrijvers als Heinrich Böll, Günter Grass – en Christa Wolf in de ddr – spraken zich ook na de jaren zestig uit over de wapenwedloop, milieuvervuiling, de omgang met het Duitse verleden en links- en rechts-extreem geweld. In Nederland bleef een uitgesproken engagement van schrijvers vooral beperkt tot de jaren zestig. Balkenende vroeg in een brief aan Harry Mulisch of Nederlandse schrijvers zich niet wat meer wilden laten horen in het publieke debat. Het zou ‘verfrissend, hoewel misschien niet altijd even aangenaam zijn’. ‘Ik heb me al met van alles bemoeid in mijn leven’, antwoordde Mulisch. ‘Cuba, provo. Laat iemand anders het nu maar doen.’

Nederlandse schrijvers zijn in het publieke debat minder aanwezig dan Duitse. De Duitse Kulturdebatte omvatten ook het domein van de politiek. Het engagement van jongere Duitse schrijvers mag dan minder uitgesproken of eenduidig zijn dan dat van een Günter Grass, ook zij lokken discussie uit. Zo speelt de roman Die Vermessung der Welt van Daniel Kehlmann, het ‘wonderkind van de Duitse literatuur’, aan het begin van de negentiende eeuw. Maar de roman bevat talloze vooruitwijzingen naar het latere Duitsland. Een historische roman? ‘Een roman over onze tijd die in het verleden speelt’, zei de schrijver zelf. Twee jaar geleden hield Kehlmann een toespraak bij de opening van de Salzburger Festspiele, waarin hij het Duitse regietheater in scherpe bewoordingen bekritiseerde. Waarom al die videoschermen, waarom is er weer iemand ondergesmeerd met poep of pies, waarom al dat hysterische geschreeuw? De meningen liepen uiteen: legde Kehlmann de vinger op de zere plek, of was het een ouderwets pleidooi voor conventioneel theater? Kehlmann is voor van alles uitgemaakt – reactionair, kunstvijandig, populistisch – en dat kon hij van tevoren weten. In het Duitse publieke debat klinken er vaak dissonanten, en juist die kritische tegenstemmen dragen bij aan het hoge niveau ervan.

Dit scherpe commentaar vind je ook terug bij Ingo Schulze, een van de belangrijkste Duitse schrijvers van dit moment. Zintuiglijk beschreef hij in zijn eerste boeken de veranderingen na de Wende. ‘Het begon allemaal met de geur van benzine. Die was in het Westen anders dan in de ddr.’ In zijn Simple Stories paste Schulze de verteltechniek van het korte verhaal à la Hemingway en Carver toe op de Oost-Duitse provincie. Met Neue Leben: Die Jugend Enrico Türmers, een briefroman over een berooide kunstenaar die een succesvol zakenman wordt, ving hij de grote veranderingen van zijn tijd in een ironisch hoofdpersonage. Schulze schrijft pakkend over wat ons vandaag de dag bezighoudt, ook als het gaat om het huidige Europa. ‘Wat ons ooit is verkocht als tegenstelling tussen Oost- en West-Duitsland, wordt ons nu als tegenstelling tussen landen voorgespiegeld’, schreef Schulze in januari in de Süddeutsche Zeitung.

Een andere schrijver die in Nederland meer aandacht zou verdienen is Andreas Maier. Net als bij Thomas Bernhard steken zijn hoofd­personages furieuze monologen af tegen de toestand in de wereld. Wie een goede roman over politieke protestbewegingen wil, leze Kirillov (2005). Een roman over vaag activisme van een stelletje chaoten, dat eindigt in een veldslag tegen vijftienduizend politieagenten. Ook zijn laatste roman Das Haus (2011) is volgens de Frankfurter Allgemeine ‘een meesterwerk’.

De Duitse literatuur is springlevend, slim en brutaal. De Duitse literatuur kent net als de Nederlandse bestsellers van Prommi’s (bekende Duitsers), chicklit (Kerstin Gier) en crimi’s (Ferdinand von Schirach), maar heeft ook veel bijzonders te bieden: of het nu gaat om moderne klassiekers of om het Duitsland van vandaag. Bovendien leert de confrontatie met het Duitse literaire debat ons veel over ons eigen land.

Europa kijkt steeds vaker naar Duitsland. De economie is twaalf jaar na de Wende genoeg hersteld om Duitsland tot de belangrijkste speler in Europa te maken. Intussen melden de Goethe Instituten een groeiend aantal Nederlanders dat Duits wil leren. Ook de culturele interesse lijkt langzamerhand toe te nemen. Nederlandse beeldend kunstenaars, designers en fotografen ontdekken Berlijn. Nu de lezer nog.


Jerker Spits is germanist