Het ondergrondse hotel

Het gaat stukken beter met de Amsterdamse metro. Drugsoverlast, criminaliteit en zwartrijden zijn afgenomen, zegt het GVB. Maar het imago is nog steeds dat van een ondergronds hotel voor junks en zwervers. Ondanks controles en hekjes.

VORIGE WEEK NOG is er eentje opgepakt. Ze tuinde er met open ogen in: sprak een agent in zwervers-outfit aan. Dat doen ze wel vaker, beneden in uniform patrouilleren zodat iedereen naar boven gaat. En daar lokken de zwerver-smerissen je in de val. Ze was zo van de wereld dat ze het niet in de gaten had. De metro is haar werkterrein; ze verdient er met ‘aanbrengen’ van klanten bij dealers. Ach, die controleurs zijn niet allemaal even beroerd. Soms sturen ze je weg, nou dan ga je toch. Maximaal acht uur kunnen ze je tegenwoordig verbieden op de stations te komen. Verder kunnen die perronwachters je weinig maken. Die mogen je niet zomaar fouilleren, zoals de politie.
Station Wibautstraat is berucht. Je pikt de junks er zo uit. Met onrustige blik lopen ze op en neer, nerveus op zoek naar hun dealer. Achter pilaren worden de 'geheime’ transacties uitgevoerd. Sinds de Zeedijk is schoongeveegd en het op station Nieuwmarkt een stuk rustiger is geworden, heeft de scene zich voor een groot deel hiernaartoe verplaatst. De kille metroperrons bieden nog altijd meer beschutting dan een tochtig portiek. Bovendien ben je met de metro zo weg als er rotzooi is of als er controle komt. Het waterbedeffect: zodra er politie verschijnt, verschuift de hele zaak, naar de Nieuwmarkt of richting Bijlmer: Ganzenhoef en Kraaiennest.
’s Avonds na elven wordt het echt druk op de Wibautstraat. De politie patrouilleert tijdens de nachtdienst nog maar met een man of vier, hooguit zes, maar die hebben hun handen vol aan inbraken en dat soort dingen. Tegen een uur of half een worden de metrostations weliswaar afgesloten, maar helemaal uitgestorven is het er nooit. Via de tunnels kun je vanaf het Amstelstation immers naar binnen. Vroeger zetten zwervers de nooduitgangen van binnenuit op een kier zodat ze er ’s nachts van buitenaf in konden. Hoefden ze niet dat eind door de tunnel te lopen. Of ze namen hun intrek in de atoomvrije ruimtes onder het Weesperplein. Dat was een riant onderkomen: bedden, wc’s, pingpongtafels. Je kon de sleutels op het Waterlooplein krijgen. Maar tegenwoordig zijn er overal hekken en roosters en nieuwe sloten.
NEE, HET GAAT ECHT stukken beter met de metro. Juichend roept het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf dat reizigers zich veiliger voelen, dat zwartrijden steeds moeilijker wordt, dat de overlast door junks en alcoholisten is afgenomen en dat de stations die een verfje hebben gekregen er een stuk plezieriger op zijn geworden. De metro is aardig op weg, alleen het imago blijft achter.
De Amsterdamse metro mag dan een 'open’ karakter hebben - je loopt zo in en uit, niks klaphekjes of draaideuren - de stations zijn toch vooral kil en onpersoonlijk. Met name ’s avonds laat is het er unheimlich. Het Planetarium aan de Gaasperplas is niet voor niets verplaatst naar Artis; mensen durven ’s avonds de metro niet in. 'Dat is vragen om moeilijkheden’, zegt een mevrouw die elke ochtend om zeven uur instapt op station Gaasperplas. 'Ik kijk altijd of de ramen beslagen zijn, daar ga ik niet zitten, want daar liggen dan junks te slapen.’ Hoewel ze indertijd nog heeft meegedaan aan de heftige protesten tegen de metroaanleg, zou ze nu toch niet meer zonder willen: in zeventien minuten van Gaasperplas naar het Centraal Station. En het is een stuk rustiger wonen in de Bijlmer, vergeleken met Amsterdam-Oost, waar ze vandaan komt. En ach, wat is onveilig? ’s Avonds gaat ze de deur niet uit, en bepaalde haltes mijdt ze. 'Ik stap nooit uit op de Wibautstraat. Als ik daar moet zijn, reis ik een halte verder, en dan neem ik de tram om terug te gaan.’
Volgens Peter (16) valt de overlast best mee. ’s Zaterdags werkt hij in de bloemenkiosk van zijn vader op het metroperron onder het Centraal Station. 'Die junks lopen wel te schreeuwen, maar ons vallen ze niet lastig. Ze weten dat hier niets te halen valt. Wij vinden alleen de gerolde portemonnees tussen de bloemen, met rijbewijzen en zo.’ Er wordt tegenwoordig wel meer gebedeld, vindt hij. 'Van die stakkers, meisjes van een jaar of zes, zeven: Bosnische vluchtelingen.’
Die bloemenkiosk is een van de opvrolijkpogingen van het GVB. De zaak zit er nu een jaar en loopt aardig. Bloemen stralen iets vriendelijks uit en de mensen ervaren de bloemenman als extra sociale controle. Ook het station Waterlooplein is opgevrolijkt: de muren zijn wit en de bankjes rood geschilderd. Het geheel maakt een lichtere indruk, wat kennelijk geruststellend werkt, want de reiziger voelt zich er nu veiliger.
Voor de Wibautstraat is ook van alles bedacht. Allereerst zijn de bosjes rondom het station gekapt. Nu moeten de drugsgebruikers iets verderop voor een shot, als ze niet gewoon in de portieken gaan zitten. Het station wordt zo'n beetje permanent bewaakt door politie, het team Ondersteunende Taken (OT) van het GVB en de kaartcontroleurs. Alle drie de teams gaan gekleed in uniformblauw, maar ingewijden zien het verschil van een kilometer afstand.
BIJ KAARTCONTROLE op het perron maken degenen zonder toegangsbewijs rechtsomkeert voordat ze aangesproken zijn. De dealers die overblijven draaien hun hand niet om voor een jaarabonnementje. Anderen laten zich gewillig naar boven verwijzen om alsnog een kaartje te kopen of om daar te wachten tot het team zijn hielen weer heeft gelicht. Voor zo lang dat duurt, want wie drie metro’s voorbij heeft laten gaan, kan door de controleurs worden weggestuurd. Sinds een tijdje worden er ook regelmatig toegangscontroles uitgevoerd. Van de acht toegangspoortjes worden er dan zes vergrendeld, en bij de twee die open blijven, stelt het zeskoppige controleteam zich op. De rode en groene verlichting boven de poortjes geven aan waar de reizigers door moeten. Zeven miljoen hebben deze glanzend roestvrijstalen hekjes gekost, maar binnenkort worden ze vervangen door weer iets nieuws: een hermetisch afsluitbaar systeem, zoals Londen en Parijs dat hebben. Dat is tenslotte het enige wat zwartrijden werkelijk kan tegengaan: een speciaal kaartje waarmee het tourniquet zich opent bij de ingang en bij de uitgang. Alleen kan dat niet in combinatie met de nationale strippenkaart.
De toegangscontrole bij de Wibautstraat levert weinig problemen op. Een enthousiaste man roept dat hij tachtig is en nu eindelijk voor het eerst wordt gecontroleerd. Maar de man komt net de metro uit; de controleurs hebben weinig belangstelling voor zijn plaatsbewijs. Een vrouw maakt stampij omdat de metroperrons zo smerig zijn en omdat haar brieven aan de directie daarin geen verandering hebben gebracht. Maar dat moeten de controleurs toch echt weerspreken: de perrons worden twee keer per dag met de hogedrukspuit bewerkt.
Tijdens een wagencontrole worden zwartrijders gevangen. Een vrouw is de klos. Ze heeft ook geen legitimatiebewijs, en sinds dat verplicht is, kom je er met een verzonnen naam en adres niet meer vanaf. Ze kan kiezen: boter bij de vis en f64,50 betalen of mee naar het kantoortje. Het wordt het laatste. Het hele team erachteraan, voor een zwartrijdster. Dat houdt de werkzaamheden wel wat op, ze moeten wachten tot de politie erbij is. Het OT-team wordt opgeroepen, maar is niet beschikbaar. En de politie heeft eigenlijk wel wat beters te doen. Verveeld kijkt de vrouw voor zich uit en steekt een sigaret op. Ze inspecteert haar nagels. Of ze even mag bellen. Nee, dat is niet de bedoeling. Een mopperende agent ('Waarom regelt het OT dit niet?’) komt na verloop van tijd opdagen. Wie deze dame dan wel mag zijn, zullen ze op het bureau uitzoeken.
Op de valreep wordt een haveloos uitziende man in de kraag gevat op het moment dat hij wil uitstappen. Geen plaatsbewijs, geen legitimatie. Hij maakt er geen enkel punt van; achteloos tovert hij uit z'n gescheurde broek een stapel honderdjes tevoorschijn. Alleen het wisselgeld is een probleem. Met moeite sprokkelen de controleurs los geld bij elkaar uit hun broekzakken.
Geen legitimatie op zak willen ze nu nog wel eens door de vingers zien. De zwartrijders mogen er nog een beetje aan wennen, maar met ingang van juni 1995 wordt een legitimatiebewijs echt verplicht. De controleurs zouden bovendien veel te veel tijd kwijt zijn als ze voor iedere zwartrijder die zich niet kan legitimeren, een kwartier moeten zitten wachten tot het OT of de politie erbij is. Je krijgt er na twintig jaar ervaring als controleur ook wel kijk op wie de kluit belazert en wie niet. Deze mevrouw bijvoorbeeld kent het systeem van stempelen nog niet zo goed, zegt ze. Haar strippenkaart wordt bij aankomst op het Amstelstation gewoon alsnog even gestempeld. Niks proces verbaal of boetecoupon.
'Het is natuurlijk dweilen met de kraan open, maar dat maakt niet uit’, zegt Coen Hoedeman, de coordinator van de ploeg. 'Het probleem lossen we toch niet op, want het hele systeem deugt niet. Eigenlijk gaat het erom dat de mensen met plaatsbewijzen zien dat we het een beetje in de gaten houden, dat geeft hun een veiliger gevoel. De notoire zwartijder is er allang vandoor als wij in beeld komen. Maar er gaat natuurlijk ook wel wat preventieve werking van uit.’ Een van de tactieken is om, na een controle, vlak voordat de deuren van de metro weer dichtgaan, snel weer in hetzelfde treinstel in te stappen. Dan krijgen ze er gewoonlijk nog wel een of twee te pakken.
STATION GANZENHOEF in de Bijlmermeer ligt er treurig bij. De drugsoverlast in deze buurt is de laatste tijd sterk toegenomen, meldden de kranten een poosje geleden. Zelfs de politie ziet ertegenop hier te moeten surveilleren. Hoewel het station hier en daar met kleurige tekeningen is opgefleurd, hangt er een desolate parkeergaragesfeer. Bij het overdekte winkelcentrum hangen junks rond. Veel ruimtes staan leeg. De markt, vroeger ook op woensdagen, is er alleen nog op zaterdag. Binnenkort gaat de hele promenade tegen de vlakte. Misschien komt het door het slechte weer dat er maar zo weinig klandizie is? 'Nee, doordat het hier een aftandse zooi is’, zegt meneer Gonesh. Hij verkoopt gerookte catfish, Spaanse pepers en niet al te vers uitziende bananen. 'De mensen willen niet meer naar de markt, ze willen een overdekt winkelcentrum, waar ze niet nat worden. Bovendien is het hier levensgevaarlijk. Er worden regelmatig Aziatische vrouwen afgerost.’
Hij is boos op de stadsdeelraad. En niet alleen op hen. Woedende brieven heeft hij geschreven, tot en met Provinciale Staten en de minister aan toe. In zijn nieuwsbrieven, bestemd voor collega-kooplieden, vergelijkt hij het beleid met de 'Hitler-school’. Officiele stukken en begrotingen komen tevoorschijn. De concurrentie is volgens hem oneerlijk. Neem bijvoorbeeld de kippenboer, een kraam verderop. Die is beschermd, want er mogen maximaal drie kippenverkopers op de markt staan, maar ondertussen betaalt Gonesh wel voor hun afval.
Dan gaat een man zijn vrouw te lijf. De kraam van Gonesh moet het bijna ook ontgelden. Onverstoorbaar gaat Gonesh door met zijn betoog. Een vriendin van de vrouw probeert de man met een spuitbusje te verjagen, maar dat heeft weinig effect. De kippenboer moet eraan te pas komen om het vechtende stel uit elkaar te halen. 'Een incidentje, mevrouw. Zo gaat het hier de hele dag.’ Terwijl de vrouw haar pruik van de grond raapt, zet Gonesh zijn ketjapflesjes weer overeind.