Het onderwijs wankelt

2025 wordt een mooi jaar voor het Nederlands hoger onderwijs. Dan wordt aan iedere universiteit toponderzoek verricht, sluit het hbo naadloos aan op de arbeidsmarkt, studeert iedereen af binnen de voorgeschreven termijn en vormen studenten en docenten een hardwerkende, gemotiveerde gemeenschap.

Dit toekomstvisioen is te vinden in de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap die Halbe Zijlstra, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, vorige week presenteerde. Het rapport geeft studenten en docenten stof tot nadenken tijdens de zomervakantie. Want om ervoor te zorgen dat de wens van Zijlstra uitkomt, zal het hele hoger onderwijs in beweging moeten komen. Zo moeten universiteiten zich meer specialiseren en zich vooral richten op onderzoek dat de ‘verdiencapaciteit’ van Nederland vergroot. Daarbij moeten ze, in kleinere groepen, meer onderwijs geven. Financiering wordt niet meer gebaseerd op het aantal uitgedeelde diploma’s maar op deze criteria.

Ook studenten zullen veranderingen merken. Kort en goed: de lat komt hoger te liggen. Dat betekent: niet studeren voor een afbraakprijs, maar meer betalen voor goed onderwijs. Niet drie verschillende studies uitproberen en er nul afmaken, maar meedoen aan selectieprocedures en studiekeuzegesprekken om een plekje te veroveren. Niet eindeloos herkansen, maar tentamens halen of wegwezen.

Deze hervormingen zijn hard nodig. Het ideaal van vrij toegankelijk onderwijs voor iedereen resulteerde in propvolle collegezalen, abominabele studierendementen en ontmoediging van talent. Diplomafinanciering zette aan tot het verlagen van de slagingseisen en het aanbieden van ‘alternatieve afstudeerroutes’. De term ‘zesjescultuur’ is in de afgelopen jaren zo vaak gebruikt dat het bijna een cliché is geworden.

Het is goed om studenten meer onder druk te zetten, maar Zijlstra’s zonnige toekomst heeft een donker randje. Door de universiteit exclusiever te maken, zal de instroom op het nu al overbelaste beroepsonderwijs toenemen. Ook zal het selectieklimaat nieuwe ongelijkheden opleveren. De middelbareschoolresultaten van meisjes zijn structureel beter dan die van jongens. Mogelijk gevolg: meisjes vinden eenvoudig de weg naar het wetenschappelijk onderwijs, jongens buigen af richting hbo. Het beroepsonderwijs dreigt een afvoerputje te worden. De Strategische Agenda rept weliswaar over kleinschaligheid en betere begeleiding, maar extra mankracht is duur en de staatssecretaris houdt de knip stevig gesloten.

Hier lijkt de bezuinigingsopdracht een dogma te worden. In 2010 rekende de OESO uit dat iedere euro geïnvesteerd in hoger in onderwijs de samenleving één euro en tien cent oplevert. Deze logica lijkt nog niet tot het kabinet doorgedrongen. De staatssecretaris kiest ervoor zijn plannen te bekostigen door hogescholen en universiteiten die onvoldoende meewerken te korten op hun budget.

Het visioen van Zijlstra, hoe mooi het ook klinkt, is een zero-sum game voor zowel instellingen als studenten. Voordeel voor de één betekent verlies voor de ander. Zolang Zijlstra die koers aanhoudt, wordt 2025 slechts voor enkelen een jubeljaar. De rest wacht teleurstelling. Het zou daarom passend zijn als het kabinet hetzelfde doet als het van studenten vraagt: meer betalen voor goed onderwijs.