Advies aan de (in)formateur (12): Maxe de Rijk

‘Het onderwijssysteem moet radicaal anders’

De kansenongelijkheid in het onderwijs los je niet even op met een brede brugklas. Maxe de Rijk, docent en politicoloog, experimenteerde met de eerste vmbo-‘kansklas’ van Nederland en schreef er een boek over.

Maxe de Rijk – ‘Praktijkonderwijs of vmbo kan het verschil zijn tussen werkloosheid of werk’ © Cees Glastra van Loon

De eerste vraag die Maxe de Rijk (28) vaak krijgt in een nieuwe klas is: ‘Stemt u op Wilders?’ Als ze verbaasd ontkent, komt altijd de vervolgvraag: ‘Huh, maar u bent toch een Nederlander?’ Het zegt iets over hoe deze kinderen aankijken tegen de samenleving waarin ze leven en over het zelfbeeld dat ze hebben, vindt De Rijk. ‘De meeste van mijn leerlingen ontmoeten nooit witte kinderen. Ze denken dat alle witte Nederlanders tegen ze zijn. “Als Wilders premier wordt, moeten wij het land uit, toch juf?” zeggen ze dan bijvoorbeeld.’

Dat de kloof tussen kinderen met hoog- en laagopgeleide ouders de afgelopen vijftien jaar is verdubbeld, komt niet dóór het onderwijs. Dat heeft te maken met armoede, te kleine huisvesting, slechte wijken en discriminatie; met de segregatie in de samenleving in het algemeen. ‘Dat kan het onderwijs niet even oplossen.’

Tachtig procent van de leerlingen op het Mundus College in Amsterdam, de school waar De Rijk lesgeeft, leeft bijvoorbeeld op of onder de armoedegrens. ‘Families wonen met veel te veel mensen in te kleine huizen. Bijna geen van mijn kinderen heeft een eigen slaapkamer. Ouders spreken geen of gebrekkig Nederlands, zijn soms analfabeet. Er is geen geld voor sport of muziek, boeken of uitjes. En erger, het gebrek aan geld zorgt vaak voor zoveel stress dat de opvoeding van de kinderen niet op één kan staan.’

Kinderen komen zonder ontbijt naar school, of ze eten, zo zag De Rijk tijdens de video calls in coronatijd, een zak chips als avondeten. ‘Al weet ik niet of dat alleen een kwestie van armoede is. Ouders zijn bijvoorbeeld al vroeg naar hun werk of komen laat thuis – veel ouders zitten in de schoonmaak – waardoor kinderen op zichzelf zijn aangewezen.’ In coronatijd deelden de docenten eindeloos veel mueslirepen uit omdat kinderen geen lunch bij zich hadden.

Advies aan de (in)formateur

Deze weken laat De Groene onafhankelijke deskundigen aan het woord. Welke stappen moeten op hun terrein in de komende vier jaar worden gezet? Wat moet er in het regeerakkoord komen?

En hoewel dat allemaal weinig te maken heeft met onderwijs, beïnvloedt het natuurlijk op een overweldigende manier de schoolprestaties. Maar in plaats van dat we een schoolsysteem hebben dat deze invloed probeert te temperen, verdiept het systeem de problemen. ‘Het onderwijssysteem in Nederland moet dus radicaal anders’, vindt De Rijk.

Want de klassen zijn de afgelopen jaren alleen maar groter geworden en basisscholen kampen met enorme lerarentekorten. ‘Vooral hier in de Randstad. Het gevolg is leerachterstand. Ik heb kinderen die in groep 7 én 8 geen vaste leraar hadden. Mijn kinderen verzopen in klassen van ruim dertig leerlingen. De meesten liepen zo achter dat ze dag in, dag uit op de gang uit leerboekjes van een paar jaar terug “zelfstandig” moesten werken en dan kwam de juf over twee uurtjes wel kijken hoe ver ze waren gekomen. Dat schiet natuurlijk niet op. Deze kinderen hebben juist extra begeleiding nodig.’

En dus kwamen ze na groep 8 in het praktijkonderwijs terecht, het onderwijsniveau waar je naartoe moet als je vmbo-basis niet aankunt. ‘Maar het schooladvies van deze kinderen zegt niets over wat ze in hun mars hebben. Het zegt eerder iets over wat ze in het verleden hebben meegemaakt en het wantrouwen dat ze daardoor in hun eigen kunnen hebben.’

Basisschooladviezen zijn namelijk grotendeels ingedeeld op leerachterstanden en leervoorsprongen, zegt De Rijk. ‘In groep 8 krijg je een praktijkschooladvies als je een IQ hebt van onder de tachtig en een leerachterstand van minimaal drie jaar ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Zo zijn ook de andere schooladviezen opgebouwd. Vmbo-basisadvies is een leerachterstand van circa twee jaar, vmbo-kader één jaar, vmbo-theoretisch is het gemiddelde, en havo en vwo zijn leervoorsprongen. We zagen dat kinderen in de Randstad vooral een praktijkschooladvies kregen op basis van hun achterstanden. Maar als leerachterstand de basis is voor een praktijkschooladvies, waarom geef je die kinderen dan niet gewoon de tijd om die achterstanden in te halen zodat ze naar het vmbo kunnen?’

Want of kinderen praktijkonderwijs volgen of vmbo-kader maakt nogal uit. ‘Het praktijkonderwijs leidt op voor assistent praktisch werk: je veegt dan in een kapsalon de haren op of geeft bij een loodgieter de spullen aan. Maar dat werk is er gewoon bijna niet meer. Terwijl je met vmbo-kader een goede timmerman kunt worden of een verzorgende – werknemers die we allemaal keihard nodig hebben. Het kan dus het verschil zijn tussen werkloosheid of werk.’

‘Een leraar vraagt niet: kan deze leerling het vmbo aan, maar: kan hij het in vier jaar?’

En dus begon het Mundus College drie jaar geleden met de ‘kansklas’, een klas van negentien leerlingen die een jaar extra kregen om hun achterstanden in te lopen. Maxe de Rijk werd hun mentor en schreef er het boek Geen stress, we gaan het maken over dat in augustus zal verschijnen. De kansklas is een groot succes: van de negentien leerlingen zijn er zestien een niveau omhoog gegaan, vier leerlingen stegen zelfs twee niveaus. ‘Daarnaast doet het waanzinnige dingen met hun zelfvertrouwen en hun perspectief op de wereld om hen heen’, merkt De Rijk.

Normaal kost elk jaar dat een leerling langer over zijn school doet de school geld én een negatieve score van de inspectie, ‘terwijl je er op leerlingniveau heel veel mee kunt bereiken’. Voor ieder schooltype staat vast hoelang een leerling erover mag doen: vmbo vier jaar, havo vijf en vwo zes. ‘Een basisschoolleraar maakt niet de afweging: kan deze leerling het vmbo aan, maar: kan deze leerling het vmbo in vier jaar halen? Zo niet, dan wordt het toch maar praktijk.’ Wie dreigt te blijven zitten, moet afstromen.

‘Het Nederlandse schoolsysteem is er dus op gericht om leerlingen zo snel mogelijk van school te sturen. Dat is natuurlijk een keuze. Je zou er ook voor kunnen kiezen om leerlingen met een zo hoog mogelijk diploma van school te sturen. Of om iedere leerling recht op zes jaar onderwijs te geven: kijk maar hoe ver je komt. Als je mijn leerlingen nog een jaar geeft, zou een deel nog een niveau hoger uitstromen.’

Dat zien ze ook in een wetenschappelijk experiment van de Universiteit van Amsterdam waaraan het Mundus meedoet. De helft van de leerlingen krijgt high dosage tutoring, drie keer per week een uur één-op-twee rekenbegeleiding van een student. De andere helft krijgt die extra begeleiding niet. Je ziet de eerste groep omhoog schieten qua prestaties en zelfvertrouwen. ‘De grafieken gaan echt zó.’ De Rijk geeft in de lucht de vorm van een hockeystick aan. Vanaf volgend jaar gaat het Mundus het alle eersteklassers aanbieden. De grootste beleidsmatige verandering om meer gelijke kansen in het onderwijs te creëren, zou volgens De Rijk dan ook moeten zijn: geef leerlingen meer tijd om hun diploma te halen.

Maar het succes van de kansklas hangt van veel meer af dan alleen een jaartje extra. Want hoe krijg je een groep die altijd heeft gehoord dat ze niets kan en voor wie leren geen status geeft, zo ver dat ze zich uit de naad gaat werken? ‘Dit zijn kinderen die vanaf groep 3 hebben gehoord dat ze slechter lezen en rekenen dan tachtig procent van alle andere kinderen. En in groep 4 weer, en in groep 5 en 6 en ga zo maar door. Vaak waren ze wel gegroeid en deden ze het beter dan voorheen, maar bleven ze maar in het rood, het gebied onder het gemiddelde, waardoor ze onterecht het gevoel hadden dat ze niets leerden. Wat denk je dat dat doet met je zelfvertrouwen en je leervermogen? Je houdt op met leren.’

Toen De Rijk met haar klas keek naar de aflevering van Klassen (de tv-documentaireserie die kansenongelijkheid op de agenda zette) waarin het ging over het schooladvies, konden haar kinderen er bijna niet naar kijken: ‘Zo traumatisch waren hun herinneringen aan die grafiekjes en het oordeel in groep 8. Dat moment voelde als de bevestiging dat ze inderdaad zo dom waren als ze altijd al dachten.’ Stop dus met het leerlingvolgsysteem dat leerlingen hun hele lagere-schooltijd vergelijkt met het gemiddelde, vindt De Rijk. ‘Kies voor een systeem dat niet laat zien hoe jij het doet ten opzichte van anderen, maar ten opzichte van jezelf: hoeveel ben jij gegroeid?’

Het was hard werken om in de kansgroep de vibe te krijgen van ‘wij kunnen dit’. De leerlingen zijn door al dat gehamer op achterstanden onzeker over hun capaciteiten. Een brede brugklas, die nu ineens als de panacee voor kansenongelijkheid geldt, zou volgens De Rijk voor deze populatie dan ook helemaal niet werken. ‘Ze zouden zich continu de minderen voelen, terwijl ze juist moeten gaan geloven in zichzelf.’

Wie het boek van Maxe de Rijk leest valt het op hoe ze de leerlingen continu complimenteert, hun laat merken dat ze ze ziet en van ze houdt. Steeds bouwt ze aan teamspirit, krachtig samengevat in de door leerling Noor bedachte slogan: één team, één taak. ‘Er moet een leercultuur ontstaan’, verklaart De Rijk, ‘daarom hameren we zo op die teamgeest. Ze moeten elkaar stimuleren om te leren zodat het stoer wordt om je best te doen.’

In Geen stress beschrijft ze hoe dat ook resulteert in zorg voor elkaar. Als de vrolijke Salima bijvoorbeeld in het ziekenhuis ligt na een auto-ongeluk in Spanje waarbij ze haar vader en zus verliest. De klas knutselt op eigen initiatief een boek voor haar en organiseert een welkom-terug-feestje als ze er weer is. Of als Kaan boos lijkt na de aanslag in Utrecht als bekend wordt dat de dader net als hij Turk is, terwijl hij eigenlijk verdrietig is en bang is dat iedereen nu slecht over Turken gaat denken. Hij schaamt zich, ‘want ik ben trots dat ik Turks ben. Maar niet op die man’. De klas knikt begripvol, noteert De Rijk in haar boek. En een klasgenoot reageert: ‘Je hoeft niet zo te denken. Het kan allebei. Ik ben ook trots dat ik moslim ben, maar ik haat IS-mensen. Je moet gewoon zorgen dat je zelf een goed mens bent.’

Als je denkt dat je dom bent, dat je gediscrimineerd wordt – ‘al mijn leerlingen hebben die ervaringen’ – en dat niemand op je zit te wachten, laat staan dat er een werkgever is die jou wil hebben, dan heb je geen zin om aan die samenleving deel te nemen, om je in te zetten of iets te leren, denkt De Rijk.

‘Je wil niet de zoveelste leraar zijn die een grappig boekje schrijft over haar zwarte klas’

Daarom was de uitnodiging van burgemeester Femke Halsema ook zo heilzaam. Die had de school in haar eerste jaar als burgemeester bezocht en gepraat met kinderen over onder andere hun ervaringen met racisme. Na afloop zei ze ‘er stil van te zijn’ en vervolgens nodigde ze de kinderen uit om een oplossing te bedenken die zij zou helpen uitvoeren. De Rijks kinderen bedachten een soort ontmoetingsdag, ‘Amsterdam Teens United’, waarbij kinderen van alle Amsterdamse scholen met elkaar activiteiten als koken en sport konden ondernemen. ‘Ik heb nog nooit een Nederlands kind ontmoet. Dan weet-ie toch ook niet dat ik best leuk ben?’ zei een van haar leerlingen. Ze werden uitgenodigd op het stadhuis en later bij de Arena waar het festijn gaat plaatsvinden. ‘Ze voelden zich enorm gezien en serieus genomen.’

Om kansenongelijkheid tegen te gaan moet een school dus ook, net als op het Mundus College gebeurt, aandacht hebben voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen. Veel kinderen uit achterstandswijken zitten niet in een omgeving waar ze volop discussiëren over wat hen bezighoudt. ‘Ik heb een paar kinderen die echt alles bespreken met hun ouders. Dat heeft een enorm positieve invloed op hun leerprestaties. Maar ik heb ook veel kinderen die hun ouders niets vertellen. Soms ook door de taalbarrière; ze spreken elkaars taal niet goed genoeg voor een diep gesprek.’ Op een ‘brede’ school als het Mundus is ook daar aandacht voor en wordt meer aangeboden dan de leervakken alleen.

Leerlingen kunnen bijvoorbeeld kiezen uit zo’n 35 naschoolse activiteiten, van zingen, dansen en fotograferen tot voetbal, koken, ict en lassen, om te ontdekken waar ze goed in zijn, zodat ze ergens trots op kunnen zijn en kunnen groeien. ‘Dat biedt een toekomstperspectief, want daaraan ontbreekt het nogal eens. Pas dan zien ze dat school een alternatief kan worden voor de straat, de plek waar kinderen die zich dom en waardeloos voelen makkelijk via criminaliteit status en aanzien kunnen verwerven. In plaats daarvan moeten ze de schoolladder willen beklimmen en zien dat ze op die manier iemand kunnen worden. Een van mijn verlegen leerlingen ontdekte via een muziekworkshop dat hij talent heeft en wordt nu in het derde jaar gekoppeld aan een producer met wie hij heel vette dingen maakt. Maar hij werd daardoor ook iemand in de klas. Als we iets leuks te vieren hadden mocht hij de muziek verzorgen.

We werken nu ook samen met een basisschool waarvan praktisch ingestelde kinderen af en toe naar ons komen voor bijvoorbeeld techniekvakken. Dat werkt hartstikke goed. Kinderen krijgen status. Zij mogen al naar de “grote school” en de anderen niet, maar ze zijn daardoor ook niet alleen maar bezig met wat ze níet kunnen, maar ook met waar ze goed in zijn.’

Goede leraren zijn ook van doorslaggevend belang voor meer gelijke kansen op school, blijkt uit veel onderzoek. Wat een goede leraar is? De Rijk: ‘Een die leerlingen zíet, in alle leerlingen gelooft, die zich bewust is van wat-ie doet, goed opgeleid is, leerlingen positief stimuleert en weet wat werkt bij wie.’

Zelf is Maxe de Rijk universitair opgeleid; ze studeerde cum laude af in de politicologie. ‘Mij helpt dat omdat je toch hebt geleerd om dingen van meerdere kanten te bekijken, het breder te zien. Je gaat niet alleen op gevoel af maar zoekt uit hoe het echt zit. Van mij hoeven echt niet alle docenten wetenschappelijk opgeleid te zijn, maar een mix is goed. Hopelijk kan de overheid ook makkelijker meer verantwoordelijkheid bij docenten leggen. Zo van: joh, als jij denkt dat die leerling er vijf jaar over doet en dan vmbo-kader heeft, doe er dan maar vijf jaar over.’

Als er meer hoogopgeleide docenten komen die beter betaald krijgen, neemt de status van het vak toe en willen meer mensen het worden, is De Rijks stellige overtuiging. Zij maakte de keuze voor het onderwijs doordat ze tijdens haar masteropleiding in een buurthuis in de Amsterdamse Transvaalbuurt werkte. Het was een project van de Academie van de Stad – dat inmiddels is wegbezuinigd – waarbij vijf studenten een buurthuis runden en daarvoor in de plaats een antikraakwoning kregen. Ze organiseerden taalprojecten, hielden met buurtbewoners de buurt leefbaar, organiseerden burendagen en voorleesmiddagen. ‘Ik vond het geweldig, ik had het gevoel dat ik ieder uur dat ik daar met kinderen aan het lezen was echt het verschil kon maken. Het gaf veel voldoening. Ondertussen zat ik mijn scriptie te schrijven over buurtinitiatieven in Vogelaar-buurten en dacht ik: wat bereik ik híer eigenlijk mee? Als docent heb je direct invloed.’

Rond dezelfde tijd startte de Academie met een ‘co-docentproject’ om meer wetenschappelijk opgeleide leraren in het vmbo te krijgen (‘ook wegbezuinigd’). Ze solliciteerde en mocht een half jaar uitproberen op het Mundus of het iets voor haar was. Ze is niet meer weggegaan, ook al moest ze om op het vmbo les te mogen geven nog de hbo-lerarenopleiding maatschappijleer volgen.

Soms twijfelt ze of ze wel een goede juf is voor deze club kinderen. ‘Mijn leven als witte lesbische twintiger staat zo ver af van het hunne, realiseer ik me als ik bijvoorbeeld met studievrienden zit te eten. Hoe kan ik een rolmodel zijn?’ Tegelijkertijd merkt ze dat ze ook de luiken openzet. Dat haar leerlingen, omdat ze zo’n goede band hebben, nieuwsgierig zijn naar haar leven en openstaan voor andere opvattingen. En dat ze daardoor ook tolerant zijn naar bijvoorbeeld andere homo’s.

‘En ze zijn trots op het boek. Het voelt als ons boek. Je wil niet de zoveelste leraar zijn die een grappig boekje schrijft over haar zwarte klas. Ik wilde iets anders. Ik wilde deze groep, die bijna nooit gezien of gehoord wordt, een stem geven.’

Regelmatig leest ze in de klas stukken voor. Bij heftige passages bespreekt ze het een op een met de betreffende leerling. Zoals bij het meisje dat de controle over haar boosheid verliest en in een gevecht betrokken raakt. Of zoals bij de jongen die ineens illegaal in Nederland blijkt te zijn. ‘Dan vraag ik: “Moet ik dat wel opschrijven?” Maar dan zeggen ze: “Juf schrijf het op: heel Nederland moet weten hoe ons leven is.” Ik mag hun verwachtingen wel een beetje gaan temperen. Zo langzamerhand hebben ze het idee dat dit boek heel Nederland gaat veranderen.’