Het onderzoek naar Srebrenica moet doorgaan

De val van Srebrenica blijft vragen oproepen. Meer dan twintig jaar nadat de Nederlandse VN-militairen er niet in slaagden de moslim-enclave veilig te stellen, met de moord op meer dan achtduizend Bosnische mannen als gevolg, is een sluitend antwoord op hoe dit precies heeft kunnen gebeuren nog altijd niet gevonden.

Medium groene commentaar srebrenica ii

Dat lijkt vreemd, gezien de enorme hoeveelheid aandacht die aan dit onderwerp is besteed door wetenschappers, journalisten en parlementaire onderzoekscommissies. Maar juist al de pogingen om licht te laten schijnen op het verleden laten zien welke vragen nog altijd open staan, vooral waar het de precieze verantwoordelijkheid van de betrokkenen betreft.

Afgelopen week presenteerde het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, dat in 2002 een lijvige, als definitief bedoelde studie naar Srebrenica uitbracht, nieuw onderzoek naar een van die onbeantwoorde vragen: waarom zetten de VN het luchtwapen onvoldoende in om Dutchbat te steunen? Dit onderzoek was het antwoord op de stelling die vorig jaar naar buiten werd gebracht door onderzoeksjournalisten van Argos en door Joris Voorhoeve, minister van Defensie tijdens de val van Srebrenica: de Verenigde Staten, Frankrijk en Groot-Brittannië zouden in het geheim afspraken hebben gemaakt om luchtsteun op te schorten en hielden Nederland buiten deze beslissing. Het Niod zegt nu geen bewijs te hebben gevonden voor deze theorie. Ook de suggestie dat er voorkennis was van een op handen zijnde aanval van de Serviërs op Srebrenica wordt door de Niod-onderzoekers bestreden. Voorzover die informatie er was, bleek ze verpakt in een kluwen van tegenstrijdige berichten. Wat de Nederlandse politiek betreft is hiermee de kous af. Het onderzoek droeg het stempel ‘verkennend’, maar verder speurwerk is wat het kabinet aangaat niet meer nodig.

Op deze manier, met de politiek die een pijnlijk dossier maar al te graag wil sluiten en historici die tegen de grenzen van hun bronnen aan lopen, lijkt het Srebrenica-onderzoek op een laag pitje te worden gezet. Toch kan het boek niet dicht. Het Niod had slechts beperkt inzage in dossiers van veiligheidsdiensten van de landen die destijds samen met Nederland de vrede in voormalig Joegoslavië probeerden te bewaren. Dat roept de vraag op welke nieuwe feiten er nog in de gesloten archieven liggen. En nu het Niod een voorlopige streep zet door de suggestie dat Nederland door de bondgenoten is verraden, dringt de vraag zich opnieuw op welke beslissingen Nederland zélf nam. Die kwestie is de inzet van twee lopende rechtszaken tegen de staat, gevoerd door nabestaanden van de slachtoffers en door oud-Dutchbatters. Daarin zal de aandacht onverminderd uitgaan naar de verantwoordelijkheid van Nederland in de opmaat naar het drama Srebrenica, maar vooral ook naar de gebeurtenissen op 11 juli 1995 toen de enclave viel waarna de Serviërs hun moordpartij begonnen.

Naar die fatale dag deed De Groene Amsterdammer vorig jaar uitvoerig onderzoek, met als conclusie dat de betrokkenheid van Nederland bij het opgeven van Srebrenica veel groter is dan altijd werd verondersteld. Het Niod richtte zich ditmaal enkel op deelvragen. Dit onderstreept dat onderzoek naar Srebrenica door moet gaan, en dat iedereen daarbij haar of zijn rol heeft te spelen: de journalistiek en de wetenschap brengen feiten boven tafel, de rechter oordeelt over de schuldvraag en de politiek moet daarvan de consequenties aanvaarden.


Het stuk van De Groene over de val van Srebrenica werd onlangs bekroond met de Loep, de prijs voor onderzoeksjournalistiek. Ook Argos kreeg deze prijs uitgereikt voor hun speurwerk naar de luchtsteunkwestie.