Het kunstwerk als gedicht

Het oneindige huis

Onlangs ontving beeldend kunstenaar Mark Manders de Dr. A.H. Heinekenprijs voor de Kunst. De manier waarop hij betekenissen stapelt en combineert, is herkenbaar voor de dichter in Maria Barnas.

Medium  mark m room with chairs and factory tbg11438

‘HET IS HEEL eenvoudig. Wanneer je het station verlaat, neem je de betonnen brug’, had Mark Manders gezegd. Ik ben op deze winterdag op weg naar zijn atelier. Nu ik voor het kleine stationsgebouw van Ronse sta, onder Gent, zie ik links twee bruggen, rechts één. Rechts zie ik een opvallend kunstwerk, gestapeld van grove vierkante blokken. Deze brug lijkt zonder bouwplan te zijn gemaakt, alsof er blok voor blok is uitgevogeld hoe een constructie over het water te spannen. Ik gok dat deze brug - die donkerbruin is van kleur - niet van beton is gemaakt. Maar op deze afstand is het materiaal onmogelijk te bepalen. Op goed geluk loop ik richting de twee bruggen, de linkerkant op. Omdat ik niet zeker weet of ik de goede kant op ga, stel ik me voor dat ik ook rechtsaf ga. Ik val in drie personen uiteen en ga tegelijkertijd drie bruggen over. Twee van ons zullen nooit het atelier van Manders bereiken.

MARK MANDERS laat me een overweldigende hoeveelheid gangen, kamers, kelders, aaneengeschakelde ruimtes, loodsen, zolders en bijgebouwen zien. Sommige ruimtes zijn gerenoveerd, andere worden nog verbouwd. Veel ruimtes lijken jaren door niemand te zijn aangeraakt.
Het gebouw waar Manders woont en werkt was ooit een weverij. Het oogt als een oud, industrieel kasteel. In de tuin een druivenkas, met een oerwoud aan woekerende planten. Wilde sprieten steken door gaten in het glas.
De kas is als een hoofd met te veel ideeën.
Ik woon in Amsterdam, waar - sinds deze benauwde veste rond het jaar 1000 uit het moeras werd opgetrokken - woningnood heerst.
Amsterdammers hebben zich erbij neergelegd dat ze in souterrains of op zolders moeten wonen. Ze stapelen wasmachine en droger op de piano, leggen kinderen zij aan zij in stapelbedden. Trappen worden zo smal mogelijk, bijna verticaal gebouwd, om zo min mogelijk vloeroppervlak te verliezen.
Wanneer ik de voordeur van mijn vorige huis opende, sloeg een muur van treden me in het gezicht. Mijn knieën raakten de hogere treden als ik de trap op ging naar mijn appartement.
De woning bestond uit een enkele kamer van achttien vierkante meter. Daar sliep ik, at ik en nodigde ik mensen uit om te eten. Ik bevond me in een ruimtelijke puzzel, waarbij ik met meubels moest schuiven om mezelf door de ruimte te kunnen verplaatsen. Als ik op de wc zat, kon ik met een gestrekte arm bij het fornuis. Het was mogelijk om al douchend op de wc een maaltijd te bereiden.
Ik droom regelmatig dat ik een huis krijg toegewezen. Zomaar. Wanneer ik het huis ga bekijken, ontdek ik steeds meer kamers. Een nauwe gang blijkt naar een vergeten achterhuis te leiden. Waarachter een binnenplaats, waarlangs ongebruikte stallen. Achter elke wand kan nog een kamer schuilen.
Deze droom vervult mij met een geluk dat mijn hele wezen kalmeert. Bij het ontwaken uit deze droom zie ik overal mogelijkheden.

MANDERS GAAT me voor in het oneindige huis. Overal waar ik kom, liggen ideeën, staan gedachten, krioelen gedachtespinsels. Er hangen schetsen aan de wand waarop de meest uiteenlopende onderwerpen worden onderzocht, met foto’s, kopieën, tekeningen en teksten. Loods na loods is gevuld met objecten, die losjes staan verspreid in de ruimte. Er staan volledige en nog te voltooien metershoge en -brede installaties.
'Het is een beetje leeg hier’, zegt Manders.
Het is bijna niet voor te stellen, maar het meeste werk is verscheept naar tentoonstellingen.
Een vrouw van klei ligt in een ongemakkelijke houding tegen de rug van een stoel. De klei is nog nat. Ze moet net zijn gemaakt. Wanneer ik dichterbij kom, klopt Manders op haar buik, om een galmend geluid te laten horen. De figuur blijkt gegoten uit brons.
'Alles moet eruitzien alsof het net is gemaakt’, licht Manders toe. 'Ik wil één groot supermoment creëren.’
Alles ziet er inderdaad uit alsof het net is gemaakt. Je zou ook kunnen zeggen dat dit werk eruitziet alsof het van alle tijden is. Alsof je terug of vooruit reist in de tijd, naar een moment waarop de vrouw met het gestrekte been zo-even is geboetseerd.
Ik kom de vrouw op verschillende plekken tegen. Ze is als een woord dat de kunstenaar vaker laat vallen. Soms is ze goed gekozen, en precies gebruikt, zoals je een woord kunt tegenkomen in een gedicht. Soms vormt ze het begin van een regel die nog moet worden voltooid.
De vrouw die Manders heeft gemaakt, is wel en niet een mens. Ze is niet een personage; daarvoor ontbreken de persoonlijke kenmerken. Ze is kleiner dan gemiddeld; ze doet wat lengte betreft denken aan eeuwenoude mummies, waarin je jezelf kunt herkennen. Er is een zekere familiariteit, maar ook een onoverbrugbare afstand van tijd en cultuur.
Ik ben aangekomen op een plek waar ideeën en gedachten net zo concreet en tastbaar zijn als objecten. Een typemachine is een typemachine, maar is ook de idee van die typemachine, en het woord ervoor. Een rij nauwkeurig in het gelid geplaatste theezakjes is een verzameling theezakjes, maar ook een frase, een regel uit een boek dat kan worden geschreven. Dit boek hoeft geen andere aanwezigheid in de wereld te krijgen dan de suggestie. Het bestaat als mogelijkheid.
De manier waarop Manders betekenissen stapelt en combineert, is voor de dichter in mij herkenbaar. Een typemachine in een beeld functioneert niet alleen als het ding zelf, waarop je teksten kunt produceren, maar ook als de kern van betekenissen die dit object genereert. Deze kern is als een tol die associaties (brieven, het geluid van typen, tikfouten maken, opnieuw beginnen) de ruimte en je hoofd in slingert. Jaloersmakend voor de dichter is dat je dit werk kunt aanraken. Ik zou een stoel kunnen aanschuiven, een blaadje in de machine kunnen draaien, en kunnen beginnen.
Omdat dit werk ruimtelijk is, maakt het veel directer dan een gedicht deel uit van de wereld waarin je leeft. Een gedicht heeft maar een flinterdun lichaam. Zo dun als de dunne pagina waar het op staat gedrukt.
Natuurlijk heeft het gedicht een aanwezigheid door suggestie, associatie, en alles wat het oproept in het hoofd van de lezer. Maar dat heeft het werk van Manders óók.
In het werk Table/Corner/Typewriter (1998) staat een uitgesneden hoek van een kamer op een tafelblad. Binnen de hoek van de kamer, op het tafelblad, staat een typemachine. Het is alsof de schrijfmachine in een model van een theater staat. Hier is een podium gemaakt waarop je kunt schrijven, een situatie die ik herken wanneer ik ’s ochtends aan het werk ga. Ik ga daar zitten in de rol van een schrijver van wie een uitvoering wordt verwacht: de handeling van het schrijven. Ik speel een rol, ik schrijf een woord. Maar eigenlijk zou ik de rollen moeten bedenken, voor de mensen over wie ik schrijf.
De hoek op de tafel van Manders is een plek waar gedichten tot stand kunnen komen. En het is meer dan dat: een voorportaal van de totstandkoming van gedichten, brieven, romans. Het is een denkruimte, maar vooral de gedachte ruimte (de ruimte zoals deze voorkomt in gedachten, niet de bedachte ruimte).
Vanuit de schrijver in deze ruimte gezien, zijn de wanden van de kamer opgebouwd uit bakstenen. Vanuit een breder perspectief blijkt dat de wanden daar te dun voor zijn. De bakstenen zijn op hout geschilderd. Dit is een decor, een levensgrote maquette, een podium waarop je een boek kunt schrijven.
De kamer waarin de schrijver zit, is gekrompen tot een hoek van een kamer die op zijn tafelblad rust. Het refereert aan concentratie, de manier waarop je het besef van ruimte om je heen verliest, wanneer je je verliest in je werk. Maar het is ook algemener: de projectie van een omgeving. Dat maakt deze hoek behalve een verkleining ook een uitvergroting.
De typemachine kom ik ook tegen in Writing Machine (2004), een inktzwarte installatie die in een witte museumzaal allereerst als silhouet aanwezig is. Een vlak dat ondertussen een complexe en ruimtelijke structuur heeft: aaneengeschakelde kleinere en grotere ruimtes. De aaneenschakeling wekt de indruk dat hier, als in een spijsverteringskanaal, iets wordt verteerd, maar ook wordt geproduceerd. Halverwege is er een harmonicasysteem te zien. De schoorsteen, die boven het geheel uitsteekt, zou het einde van het kanaal kunnen vormen, maar ook het begin. Er zou rook uit kunnen komen, maar deze pijp zou ook de plek kunnen zijn waar ideeën ingezogen worden. Je moet om het beeld heen lopen om te ontdekken dat er een kleine witte typemachine op de grond staat. Er is ook een tafelblad. Zowel de handeling van het schrijven als het schrijven als denkproces krijgt hier alle ruimte.
Bij Manders kan een werk zowel afbeelding van zichzelf als het beeld zelf zijn. Hij lijkt zich tijdens het maken al bewust van het feit dat zijn werk gereproduceerd zal worden. Deze voorziene reproductie gaat verder dan het idee alleen dat er ansichtkaarten en catalogi van het werk gemaakt kunnen worden. Er is ook de reproductie die ontstaat op het moment dat het door iemand wordt gezien. Terwijl ik kijk naar dit werk maak ik mijn eigen afbeelding.
Dit gegeven is duidelijk aanwezig wanneer de kunstenaar zijn eigen werk op een schaal van 88 procent verkleint, zoals in Table with Paper Walls (reduced to 88%) (2002). Stapels papieren aan de rand van het bureau lopen uit in stapels naast het bureau die een hoek vormen. Een muur. Ik bedenk deze volgorde als eerste, omdat mijn bureau voortdurend onder groeiende stapels verdwijnt, die ik tegen de rand schuif om plaats te maken wanneer ik ga schrijven. Na verloop van tijd vormen de stapels een intimiderende muur.
Dit werk kent geen volgorde. De muren kunnen ook de stapels hebben veroorzaakt. In een beeldend werk is geen sprake van een volgorde. Het object is gestold in ruimte en tijd. Maar het werk van Manders onttrekt zich aan het strikt objectmatige. Het suggereert een volgorde van handelingen en gebeurtenissen, als in de still van een film, waaromheen de voor- en nageschiedenis vanzelfsprekend aanwezig zijn.
Muren die ontstaan uit stapels papier roepen een situatie op waarin iemand vastloopt in zijn werk of correspondentie. Muren die uitlopen in stapels papier doen denken aan een beklemming van buitenaf die een persoonlijke verdediging noodzakelijk maken. Beide ladingen zijn aanwezig in dit werk, en in beide gevallen is het papier, of de wand, zo laag dat je er net overheen zou kunnen kijken, mocht je plaatsnemen aan dit bureau.

Medium  mark manders rrc 2010 cmyk

FEIT BLIJFT dat ik een eigen versie van dit werk heb gemaakt door mijn beschrijving ervan. Ik kan niet anders dan een reproductie maken, een schaalmodel. Soms presenteert Manders het origineel en het schaalmodel naast elkaar, soms alleen de 'verkleining’, die dan het origineel vormt. Het versterkt het idee dat alle uitgevoerde objecten en installaties uiteindelijk schaalmodellen zijn. In het hoofd van de kunstenaar bestaat het origineel. Elke titel van Manders’ werk zou de toevoeging 'reduced to 100%’ kunnen hebben.
Ik kijk naar een muis die met een riem op een vos is gebonden. De vos ligt op zijn zij op de grond. De kenmerken van de dieren zijn afgevlakt, zoals bij de bronzen vrouw met het gestrekte been. Ze lijken tot een minimale versie van zichzelf te zijn teruggebracht. Eén welving minder, en ze zouden niet meer als vos en als muis te herkennen zijn. De dieren liggen daar alsof dat zo hoort, alsof het altijd al zo is geweest, totdat ik me realiseer dat ik nooit eerder een muis op de buik van een vos heb gezien.
De manier waarop ik het beeld in eerste instantie tot me genomen heb, als natuurlijke aanwezigheid, blijft in mijn uiteindelijke verwondering doorschemeren. Dat maakt dat de vanzelfsprekende, de onbegrijpelijke, en de raadselachtige werkelijkheid tegelijkertijd bestaan.
Opvallend is dat deze overlapping van werkelijkheden nauw raakt aan hoe ik zelf de realiteit beleef. Ik kan wanneer ik over de muur van stapels op mijn bureau heen kijk naar buiten kijken. Vanaf het podium dat ik voor mezelf heb gebouwd als schrijver zie ik een strook werkelijkheid. Wanneer het begint te sneeuwen, sneeuwt het alle keren die ik me herinner dat er vlokken uit de hemel dwarrelden. Het sneeuwt. En het sneeuwt beelden uit mijn verleden. Er valt sneeuw en er valt geschreven sneeuw.
De werken van Manders maken deel uit van een overkoepelend project dat hij 'een zelfportret als gebouw’ noemt. Manders heeft een concrete - naarmate de tijd vordert, uitdijende - plattegrond waarin elk nieuw werk een plaats krijgt. Zijn gedachten vormen de gangen, loodsen, bijgebouwen, waar steeds een nieuw werk in geplaatst kan worden.
De gelaagde werkelijkheid die zich al aankondigde in de drie bruggen van Ronse strekt zich uit in de werk- en denkruimte van Manders. De ruimtes waarin hij werkt, zijn allereerst concreet. Er staan zaagmachines, er liggen bouten die de kunstenaar zelf heeft gemaakt. Het is een plek waar concrete dingen worden gemaakt. Daarnaast is het een plek waar gedachten speelruimte krijgen. Manders heeft beelden die nooit voltooid zijn, al jaren in zijn nabijheid, omdat ze nieuwe ideeën genereren. Bovenal is het een plek waar deze kunstenaar de wereld naar zijn hand zet, situaties en beelden creëert waaraan je eigen gedachten kunt toetsen en scherpen. Hij maakt concrete, fysieke, bijna bovennatuurlijke poëzie.

Medium mark manders two interconnected houses a

WANNEER ik denk alles wel gezien te hebben, opent Manders een luik naar een ondergronds gebied. En met 'Hierboven is ook nog iets’ leidt hij me een zolder in. Het is alsof er - terwijl Manders ze bedenkt - ruimtes aan het gebouw worden toegevoegd. Ik zou kunnen zweren dat er, waar bij mijn aankomst door de poort gras lag, bij mijn vertrek een huisje is verschenen. 'Dat wordt misschien een schrijversplek, als we het hebben opgeknapt’, zegt Manders, alsof het verklaart dat er uit het niets een bouwwerk is verschenen.
Wanneer ik door de sneeuw naar het station loop om de trein naar huis te nemen, ben ik niet meer dezelfde als vanmorgen. Ik kan mezelf op de een of andere manier niet meer zo letterlijk nemen. Mijn gedachten zijn mijn gedachten, maar het zijn niet meer dan formuleringen die in een andere context een andere betekenis zouden hebben.
Ben ik iemand anders wanneer ik voor deze van uitlaatgassen zwarte winkelpui blijf staan? En als ik nu eens naast die hond ga liggen, met een gestrekt been?
De wereld om mij heen dwingt me tot overwegingen en keuzes. Mijn eigen rol is beperkt.
Elk detail in de werkelijkheid fluistert me toe en wil gezien worden. De omgeving waarin ik me beweeg, tintelt.


Recent is een reizende tentoonstelling met nieuw werk van Mark Manders geopend: Hammer Museum Los Angeles, 25 september 2010 - 2 januari 2011; Aspen Art Museum, 17 februari - 8 mei 2011; The Walker Art Center, Minneapolis, 9 juni - 11 september 2011; Dallas Museum of Art, eind 2011 - begin 2012

Beelden:

Mark Manders, Room with Chairs and Factory, 2003-2008Collection: The Museum of Modern Art, New York

Courtesy Zeno X Gallery, Antwerp / Tanya Bonakdar Gallery, New YorkRamble-room Chair, 2010

Mark Manders, Two Interconnected Houses (slide nr.10), 2010. Slide projection loop with 80 slides