FIETSEN uit engagement

Het onsterfelijke kind in mij beslist: ga!

Ik was een jaar of achttien toen ik in een groep enthousiaste medestudenten, in het kader van het vak kunstgeschiedenis, tamelijk ongeïnteresseerd achter een gids aan hobbelde door het museum voor moderne kunsten van, ik meen, Mechelen. Beter kan ik zeggen: ik liep me te verbijten. Deze dag kon als verloren worden beschouwd. Doorgaans was ik niet vies van de schone kunsten, maar hoeveel zinvolle trainingsuren had ik wel niet door kunnen brengen in het smalle zadel. Naast mijn studie op de academie verrichtte ik namelijk een nog veel belangrijker onderzoek: hoe word ik topwielrenner, nee een volksheld, nee een levende legende, nee – de lat kon niet hoog genoeg worden gelegd – een tijdloze mythe!

In de aanloop naar dit ijle doel was ik in felle voorbereiding op niets minder dan het kampioenschap van Brabant, district III. Dat ik aan de Limburgse kant van de Peel geboren was, en er nog altijd woonde, is een detail dat niet relevant is. Ik laat het dus onbesproken. Toen, in dat veel te warm gestookte museum, gebeurde er iets opzienbarends. Plotseling stond ik oog in oog met een gigantisch doek waarop, ja, wat stond er eigenlijk op, er stond niets op, laat ik het zo zeggen, er doken een paar onder elkaar geschilderde zachte kleurvelden op, die zweefden boven een even zacht geschilderde ondergrond. Ik werd gegrepen en knock-out geslagen door de uitdrukking van de mystieke diepte op een plat vlak. Maar meer nog dan dat was het de aha-erlebnis die me vreugdetraantjes deed plengen. Ik kende, ik herkende die kleurvelden. Sterker nog, dat schilderij dat was ik. Maar alleen in mijn beste momenten, zeg ik er maar eerlijkheidshalve bij. Wanneer ik door regen en wind kapotgeranseld thuiskwam na een urenlange tocht op de racefiets en na de douche even op het bed ging liggen en mijn ogen sloot, dan zag ik exact dezelfde velden, en wandelde mijn innerlijke ik probleemloos de randen van een schilderij binnen.

Alice in Wonderland is geen product van de verbeelding, Alice in Wonderland is waar gebeurd.

Het schilderij in het museum was gemaakt door ene Marc Rothko, die in de kunstgeschiedenisboeken wordt gecategoriseerd onder de American abstract expressionists, een stelletje notoire zuipschuiten en drugs-hoppers dat opereerde in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw.

Niet alleen ben ik een leek in de filosofie, bij tijden twijfel ik er sterk aan of ik überhaupt wel een denkend brein bezit, laat staan een structurerend brein. Ik doe maar wat, en dat noem ik structuur, en leven. Ik onderga, sterf, en sta weer op. Eigenlijk ben ik erg jaloers op de fietsende filosoof Marc van den Bossche. Zoals die in zijn boek Wielrennen zijn duursportverslaving met alle gevolgen van dien integreert in een filosofische dienstbaarheid, die ook nog eens lijkt uit te monden in een wereldverbeterend pragmatisme, is ongekend. Ik citeer: ‘Pragmatisme is een belichaamde, kritisch melioristische en sociaal geëngageerde manier van leven. Die manier van leven is pluralistisch, humanistisch, flexibel, bescheiden en expliciet zelfkritisch.’ O, zulke zinnen opschrijven en dan sterven, dat lijkt me het summum. Naar zulke zinnen leven lijkt me iets problematischer. Maar de lat mag hoog worden gelegd.

Duursportverslaving, het woord is gevallen. Ik las eens een interessant wetenschappelijk artikel. Dit werd als waarheid naar voren geschoven: in de hersenen van iemand die gevoelig is voor een bepaalde verslavende substantie wordt bij het eerste contact met die substantie een bedrading aangelegd die voor de rest van het leven intact blijft. Een nicotinegevoelige, bijvoorbeeld, is na zijn eerste sigaret voor altijd verslaafd aan nicotine, ook al laat hij het bij die eerste sigaret. Mijn eerste contact met een verslavende substantie betrof de endorfine, die voortreffelijke morfineachtige pijnstiller die het lichaam zelf – en zeer spontaan – aanmaakt, vooral tijdens de duursport. Ik was tien, en ik heb het niet bij die eerste ‘sigaret’ gelaten. Ik heb de verslaving gecultiveerd, wat zeg ik, ik heb er mijn beroep van gemaakt. Ik kreeg er soms nog applaus voor ook.

De openhartigheid van Marc van den Bossche heeft me diep getroffen. En dan vooral zijn verhaal over de episode die een aanvang nam op de derde februari van het jaar des heren 1989, de dag dat hij naar eigen zeggen ‘bij een ongeval om het leven kwam’. De cold turkey enterde zijn leven, het gruwelijke afkicken van de endorfine. Alleen al om dit hoofdstuk zou ik het boek voor een beter begrip willen aanbevelen aan alle partners van de nu nog in stardust vertoevende kampioenen. Duursporters sneuvelen meestal pas ná hun carrière. Een echtscheiding is het meest onschuldige teken van de afbraak, het doorsnijden van de polsen het laatste. En daartussenin het hele scala van moreel verkwijnen: een bankoverval, drugsmisbruik, drugshandel, kleptomanie, veelwijverij, het vinden van de Heer, ploegleider worden, sportbobo worden, doodsbedreigingen en zo kan ik nog wel een poosje doorgaan.

Nee, het is geen column die ik nu aan het schrijven ben. Wat is het dan wel? Ik heb geen idee.

Ben ik toevallig onder invloed? Van de endorfine? Zou zomaar kunnen. Vanochtend ben ik onbetamelijk in de weer geweest op de terreinfiets. Mijn vingers beroeren de toetsen alsof ik een vrouw naar haar hoogtepunt wil toveren. Of mijzelf. Marc van den Bossche beweert dat de endorfineroes zijn denken niet alleen versnelt, maar vooral verdiept, verbreedt, nee lichtend maakt. En het bewijs hiervoor kunnen we nalezen.

Vanochtend bracht ik een aantal uren door in het zadel van een superlichte mtb luisterend naar de voortreffelijke modelnaam S Works Epic, van de fabrikant Specialized. De fiets à raison de six mille cinq cent euro’s werd door mij dodelijk bereden ten behoeve van een testverslag in een avondkrant. De achtervering van deze mtb was voorzien van een zogenaamde brain flow, en dat is, let op, een zelfdenkend veersysteem dat zich spontaan aanpast aan de ruwheid van de ondergrond. Dat wilde ik natuurlijk wel eens zien, of liever gezegd meemaken. Kloppen de verkooppraatjes? Aldus sneed het mes aan twee kanten: ik onderging de S Works Epic, mét brain, van de fabrikant Specialized, én ik verteerde al endorfine pompend het intelligente werkstuk van professor Marc van den Bossche.

Na tweeënhalf uur op het vederlichte fietsje bereikte ik, zeer zorgvuldig gedoseerd – ik weet ondertussen wel hoe dat moet – het opperste punt van de endorfinecurve. Materieel gezien bevond ik me op de top van de Weverslose Berg, de enige oneffenheid in het landschap binnen een straal van veertig kilometer. In psychisch opzicht stapte ik opnieuw de randen binnen van het Mark Rothko-schilderij. Jezus, wat was ik weer vrij. Ik zweefde, maar dat is het woord niet. Stabiliteit is al een beter woord, maar is het ook net niet. Een hemels equivalent van met de lompe poten in de klei staan is al een veel betere omschrijving. Ik was kalm, een lawine aan uiterst verlichte gedachten stortte zich in mijn bewustzijn. Ik keek naar de gedachten. Eigenlijk zou ik nu een blocnootje uit mijn achterzak moeten opvissen en opschrijven wat ik zag, dacht ik nog. Maar de endorfinespecialist had dat blocnootje wijselijk thuisgelaten. Elke mentale handeling zou de kalme horizon verstoren. De specialist diepte een pakje Samson op uit de achterzak, draaide een dunnetje, en stak, ter consolidatie van de voortreffelijke hemel, de brand erin.

En jawel hoor, daar waren ze weer, de verzonken jaren in de topsport; de herinneringen aan de perverse wereld van de immoraliteit en de lichaamsdestructie, de ongeschreven romans van een wereld die van alle bestaande en bestaanbare werelden mij nog altijd de meest leefbare toescheen. Mijn ongematigd topsportleven was een goddelijk dan wel ongoddelijk experiment – daar wil ik vanaf zijn – maar ik zou het zo weer over doen. Mijn kinderen daarentegen raad ik het af.

Afgelopen zomer zat ik bij Mart Smeets in een avondprogramma. Die middag had een zekere Floyd Landis op metafysische wijze zijn hopeloze en al even metafysische executie van een dag eerder, nota bene in een gele trui, omgekeerd in het praktische vooruitzicht alsnog de Tour te winnen. Mart smulde, Mart gloeide onder de symboolkracht van de gebeurtenis. Mart ziet immers in de topsport – met een lichte voorkeur voor het wielrennen – een parabel van het leven. Als je me echt kwaad wilt krijgen, dan moet je het woord ‘parabel’ gebruiken. Topsport, dat ís het leven. De rest is er een slap aftreksel van.

Dus ik bevind me op de top van de Weverslose Berg, 32 meter boven nap, als Alice in Wonderland in een schilderij van Marc Rothko. Ik zou mijn bewustzijnstoestand willen omschrijven als lucide, dus als geperfectioneerde imbeciliteit. Ik ben me ervan bewust dat elk woord dat ik over die toestand zou opschrijven meteen een verkrachting ervan is. Taal is nu eenmaal een weerbarstig medium.

Ik ben Alice in Wonderland en Alice bevindt zich in Wonderland omdat ze heel gedoseerd en vakkundig zichzelf de randen van een schilderij heeft binnengefietst. Maar Alice vindt zichzelf ook behoorlijk tragisch. Ze weet dat ze zwaar verslaafd is aan haar lichamelijkheid, ze heeft nu eenmaal niets beters in huis. De verheerlijking van de lichaamsesthetiek en de proclamatie van een ‘levenskunst’ door de pragmatische filosofen vindt ze al even tragisch: het blijft een lofzang op de zwaartekracht, het blijft een verslaving. Alice is niet van plan zich zomaar te laten inpakken door een stelletje wereldverbeteraars die ongetwijfeld met de beste bedoelingen hun ‘bevindingen’ op schrift zetten. Alice koestert, eerlijk gezegd, een veel dieper verlangen, maar ze kan dit verlangen niet goed omschrijven. Ze weet zich geen raad met dit verlangen. Een heel wijs mens heeft ooit gezegd: niets agressievers dan goede bedoelingen. Maar waar moet Alice dan naartoe voor duiding en richting? Gewoon op de top van de Weverlose Berg blijven zitten met een shagje in haar mondhoek?

De hersenfilosoof Paul Churchland meent het raadsel van het leven te hebben opgelost in een, jawel, ‘overkoepelende verklaring’. Het is allemaal heel eenvoudig. Bewustzijn is een product van materie. Kunstmatige intelligentie uit een machine is intelligent en zich dientengevolge van zichzelf bewust. De machine heeft, net als de machine van het menselijk brein, bestaansrecht. Kortom, bewustzijn kun je maken, in een fabriek. Churchland: ‘De man of vrouw in de straat zal toch moeite hebben met het idee dat er geen ziel is. Zij zullen vroeg of laat leren dat dat niet zo is.’ Churchland koppelt meteen ook een heilsboodschap aan zijn bevindingen. Door een beter begrip van de werking van het brein zullen we, ik citeer Churchland opnieuw, ‘weten hoe we onze kinderen beter kunnen onderwijzen, hoe we de emoties van anderen beter kunnen onderkennen. Het zal ons een dieper inzicht in elkaar geven, en maken dat we socialer, liefdevoller, zachtaardiger en begripvoller zullen zijn.’

Het lijkt wel of er een vloek over de mensheid is neergedaald. Uit alle hoeken van het menselijk denken wordt het ik gebombardeerd met dezelfde autoritaire of misschien zelfs totalitaire boodschap: we moeten de wereld verbeteren en ik ken het recept. De wereld is dus nog niet goed, of in ieder geval niet goed genoeg.

Op het minuscule topje van de Weverslose Berg zwelg ik in de overweldigende substantialiteit van mijn geliefde endorfine. Mijn chemie volgt de theorie van Churchland: mijn bewustzijn is het product van een machine. Maar het is ook wel aardig om meteen te kunnen constateren dat mijn bewustzijn niet verslaafd is aan een theorie. Ik blijk ook te kunnen denken buiten mijn lichaam. Sterker nog, buiten het lichaam gaat denken veel beter en veel makkelijker en veel sneller. Het lijkt erop dat mijn bewustzijn het voertuig van de chemie eventjes nodig heeft gehad om aan zijn eigen totalitaire regime te kunnen ontsnappen.

Ben ik nog te volgen? De hard fietsende lezers onder u zullen zich in deze woorden kunnen vinden. De niet hard fietsende lezer verzucht wellicht: stop die man gauw onder een spanlaken. Of zet hem het land uit.

Ik ben 49 jaar oud, een levenskunstenaar kun je me niet noemen. Een levende levenskunstenaar heb ik trouwens nog nooit in levende lijve ontmoet. Ik ben geboren in een gesticht, ik ben patiënt onder patiënten.

Marc van den Bossche tovert me een paar filosofenlevens voor, inclusief dat van Nietzsche, die het lichaamsexperiment zijn aangegaan. Stuk voor stuk zijn het levens (inclusief zijn eigen leven) die een orgastische onmatigheid ten toon hebben gespreid. Toch prediken ze de matigheid voor de rest van de mensenkinderen – de echte sukkels. Professor Marc van den Bossche lijkt een gematigd, en dus een verlicht soort hedonisme aan de verwarde mensheid aan te bieden. Dat hedonisme vind ik een mooie opdracht, ook aan mezelf. Maar mijn rusteloosheid zal er niet door worden geluwd, daar ben ik zeker van.

Voor de zelfdenkende S Works Epic is de Weverslose Berg het laatste teststation. De flank aan de noordkant is een afgrond van pakweg tien meter diep, het percentage naar beneden schat ik op zestig. Beneden gaat de helling abrupt over in een vloer van nul procent. Lang geleden vond ik mezelf daar beneden terug met een gevouwen ruggengraat en een in tweeën gebroken fiets op mijn gezicht. Ik kijk in het gat. Zal ik het doen? Ik bedoel, is een betaalde testrit een dodensprong waard? Het onsterfelijke kind in mij beslist: ga!

En terwijl ik val schieten me de woorden te binnen van mijn allereerste echte liefde, de veel te jong gestorven dichter Hans Lodeizen:

ik heb mij met moeite alleen gemaakt

je zou niet zeggen: je zou niet zeggen dat

het zoveel moeite kost alleen te zijn als

een zon rollende over het grasveld

Marc van den Bossche, Wielrennen_, Lemniscaat, 320 blz., € 14,50_