Film

Het onsterfelijke lichaam

Film: The Aviator van Martin Scorsese

Wanneer Howard Hughes kort na de Tweede Wereldoorlog met zwart verbrand gezicht en opengereten lichaam op het trottoir ergens in Beverly Hills ligt, gebeurt er iets essentieels in Martin Scorseses nieuwe film The Aviator: iemand maakt een foto van hem. Luttele seconden tevoren is de zwaargewonde miljonair en filmmaker met zijn vliegtuig neergestort op de rijke woonbuurt. En nu is iemand er met een camera. Het geluid van het antieke flitslampje knalt als een geweerschot, hard en ongenaakbaar, zodat Hughes letterlijk en figuurlijk machteloos staat tegenover de lens. En het helpt niet als hij rochelt, met bloed in zijn keel: «Weet je wel wie ik ben?»

Hij is Howard Hughes en in de film is hij ook nog een beroemdheid: Leonardo DiCaprio, die in Scorseses vorige film, Gangs of New York (2002) toonde dat hij wel degelijk kan acteren. Zijn Hughes is goed; hij excelleert vooral wanneer hij Hughes de vliegtuigmagnaat en playboy laat zien. Zijn donkere ogen en hoge jukbeenderen geven zijn gezicht een uitzonderlijke schoonheid. En hij heeft een interessante plooi tussen de wenkbrauwen die hij goed ge bruikt. Desondanks lijkt DiCaprio voorlopig zijn grenzen te zijn tegengekomen. Hij schiet te kort in scènes waarin Hughes’ psychose blijkt, zijn angst voor bacteriën en grote groepen mensen. Het is alsof DiCaprio te mooi blijft, zelfs wanneer hij gestalte moet geven aan Hughes’ fysieke verval.

Dat wil niet zeggen dat de film tegenvalt. Integendeel, The Aviator heeft dezelfde energie als Raging Bull (1980) en toont overeenkomsten met Goodfellas (1990) in de wijze waarop Scorsese muziek gebruikt als interpunctie in de vertelling, zodat het geheel een dwingend ritme krijgt. En de set-inkleding, prachtig in art deco-stijl, evenaart de rijkdom van die van Gangs of New York.

Juist met deze film heeft The Aviator een thematische connectie. Beide handelen over jeugdtrauma’s, ingegeven door een verzorgende ouder die óók een monstrueus figuur is. Dat blijkt uit de inhoudelijk identieke openingsscènes. Aviator: een moeder pakt liefkozend een stuk zeep en begint haar zoontje te wassen. Ze waarschuwt hem: je bent niet veilig in de wijde wereld. Gangs: een vader snijdt zich bij het scheren. Naast hem kijkt zijn zoontje toe. De vader overhandigt het mes aan zijn zoon met de waarschuwing nooit het bloed van het lemmet te verwijderen. Dat is een opdracht om zijn eigen dood, die een half uur later zal volgen, te wreken.

Scorsese windt er geen doekjes om: Hughes leed onder een enorm moedercomplex. Zijn angst voor besmetting voorkomt niet dat hij elke dag liters melk drinkt. En als toppunt: de beruchte sekswestern The Outlaw (1943). Tijdens het draaien raakte regisseur Hughes volledig in de ban van de borsten van de actrice Jane Russell. Dagenlang fotografeerde hij een scène waarin Russell de gewonde Billy the Kid (Jack Buetel) verzorgt – alleen om het decolleté van Russell zo prominent mogelijk in beeld te krijgen.

Het lichaam van Russell was de sleutel tot haar beroemdheid. In dit idee resoneert de betekenis van The Aviator. DiCaprio is een beroemdheid die net als Hughes en zijn vele liefdes, onder anderen Jean Harlow en Kathryn Hepburn, zijn uitgeleverd aan de cameralens. De flitslampjes van nu zijn minder gevaarlijk dan de ouderwetse, glazen lampen van de fotograaf die Hughes aantrof na zijn vliegtuigongeluk. Toch is het effect hetzelfde: wie beroemd is, wier lichaam onsterfelijk is doordat miljoenen het aanbidden op het witte doek, is gedoemd tot een abnormaal leven. Het mooist stelt Kathryn Hepburn (Cate Blanchett) dat in de film. Zij, de groten van het gouden tijdperk van Hollywood, zijn anders dan anderen. Dat eist zijn tol, bij Hepburn, maar vooral bij Hughes. «We are different», zegt Hepburn. «Too many acute angles.»

Te zien vanaf 20 januari