Het nieuwe kabinet Essay Hoe de gevestigde politiek de democratie uitholt

Het ontzielde midden

In de afgelopen decennia hebben de grote volkspartijen zich verregaand geschikt naar de nieuwe, neoliberale orde. Ook de PvdA betoonde zich daarmee blind voor een oplopend rechtvaardigheidstekort. Het concept-regeerakkoord verandert daar niets aan.

Medium groene essay kalma

Het was een politieke prestatie van formaat. Sterker nog, een ongekend vertoon van moed. Een cruciale gebeurtenis in onze parlementaire geschiedenis.

Voor wie even aarzelt waarover het gaat: in deze bewoordingen werd in april van dit jaar in Nederland het Lenteakkoord van vvd, cda, ChristenUnie, d66 en GroenLinks verwelkomd. En niet alleen door de betrokken politici zelf. Ook de landelijke dagbladen konden hun geluk niet op. In twee dagen twaalf miljard euro bezuinigen ‘is bijzonder, historisch zelfs’, schreef NRC Handelsblad. De Volkskrant sprak van ‘een duidelijke stellingname tegen het populisme van links en rechts’. ‘Het is nu voor of tegen de wil om te hervormen. Voor of tegen financiële degelijkheid. Voor of tegen Europa.’ En volgens Trouw hadden de betrokken partijen ‘een uniek en moedig akkoord’ gesloten.

Onder columnisten was soms wat meer terughoudendheid te bespeuren, zoals bij Volkskrant-redacteur Martin Sommer (‘alles is nu wel erg vloeibaar’). Maar ook in die hoek werden grote woorden niet geschuwd. Hans Goslinga verwelkomde in Trouw de komst van een ‘Haagse lente’, ‘na tien jaar verwarring, instabiliteit en naargeestigheid’. Terwijl pvv, sp en pvda aan ‘verworven materiële zekerheid’ vasthouden, spreekt uit het vijfpartijenakkoord ‘de urgentie van een sterk Europa en van hervorming van de nationale ordening der dingen’. En Marcel ten Hooven noemde de overeenkomst in het Nederlandsch Dagblad ‘van beslissende betekenis voor de toekomst van Nederland’.

Het is misschien wat gemakkelijk om je, met het voordeel van de terugblik, over dit soort uitspraken te verbazen. Op zichzelf is het ook best verdedigbaar om, zoals ChristenUnie, d66 en GroenLinks hebben gedaan, de begroting van een gevallen rechts kabinet wat te repareren. En de schrijvers wisten niet hoe snel sommige ondertekenaars, in het zicht van de verkiezingen, weer van mening zouden veranderen. Maar dat neemt de verbazing niet weg. Waarom kritiekloos een akkoord omarmen dat met ingrepen in ontslagrecht en WW de positie van oudere werknemers verslechtert en de flexibilisering van de arbeidsmarkt nog verder aanjaagt? Waarom zoveel gejubel over forse bezuinigingen en een hogere btw in crisistijd?

Omdat, zo luidt het antwoord, het overgrote deel van de Nederlandse politieke elite, adviseurs en commentatoren inbegrepen, zich heeft opgesloten in eenzijdige, economisch-liberaal gekleurde beleidsopvattingen. Alles draait om de noodzaak van ‘pijnlijke, impopulaire maatregelen’, om minder sociale bescherming en lagere overheidsuitgaven. En het gaat altijd om dezelfde onderwerpen: hervorming van de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de zorg en de pensioenen. Elk debat van wat ruimere strekking ontbreekt. Welke richting willen we met onze samenleving en onze economie uit? Wat betekent de verregaande afhankelijkheid van financiële markten voor onze democratie? En hoe de groeiende ongelijkheid te keren? Het politieke midden zwijgt.

Deze combinatie van een hoogst eenzijdige beleidsagenda en stoere taal (‘verantwoordelijkheid nemen’, ‘de kiezers niet naar de mond praten’) geeft een onbehaaglijk gevoel. Ze laat zien dat de zelfgenoegzaamheid die de Nederlandse politiek al decennia kenmerkt nog altijd overheerst. En de verkiezingen van september hebben daar geen verandering in gebracht. Een ingewikkelde uitslag (grote winst voor een verder naar rechts trekkende vvd én voor een pvda die juist weer naar links overhelt) werd moeiteloos in het bestaande, simplistische stramien geperst. ‘De kiezer is de polarisatie meer dan zat’ (Trouw). ‘Geen gewaagde experimenten over de flanken, maar orde op zaken’ (de Volkskrant). ‘Bestuurskracht nodig’ (NRC Handelsblad).

En de winnaars zelf? Die bewogen zich, getuige de snelheid en het zakelijke optimisme waarmee het coalitieoverleg gevoerd werd, in dezelfde richting. Een verbreed Lenteakkoord, zo kan de strekking van het regeringsprogramma van vvd en pvda worden omschreven dat deze week werd gepresenteerd. Als ik een populist was, zou ik de toekomst handenwrijvend tegemoet zien.

Kenmerkend voor de heersende opvattingen in en rond de Nederlandse politiek is de tegenstelling die wordt aangebracht tussen het politieke midden en de zogenoemde ‘flanken’, belichaamd door de pvv respectievelijk de sp. Die tegenstelling wordt sterk normatief ingekleurd. Het midden staat voor gematigdheid, verantwoordelijkheid en aanpassingsvermogen, terwijl de flanken zich, hoe verschillend ook, laten leiden door nationalisme en kortzichtig, materialistisch eigenbelang. Hoe dichter de traditionele politieke stromingen zich bij dat midden bevinden, hoe beter dat is voor ons land en de bevolking. Vandaar ‘voor of tegen de wil tot hervormingen, voor of tegen financiële degelijkheid, voor of tegen Europa’.

Het is een misleidende voorstelling van zaken – en dat niet alleen vanwege het ­verregaande simplisme dat uit zo’n vraagstelling spreekt. Wie de kracht van het politieke midden uitsluitend afleest aan de afstand die het tot de populistische ‘flanken’ houdt, sluit zich bij voorbaat af voor de vraag waarom die eigenlijk zo sterk zijn geworden. Misschien niet alleen omdat er meer materialistisch en/of nationalistisch ingestelde kiezers zijn. Misschien vooral ook omdat de middenpartijen in hun gematigdheid zijn doorgeschoten. Of omdat ze, bij al hun ideologische en beleidsmatige lenigheid, de belangen van delen van de bevolking uit het oog hebben verloren.

Minstens zo dubieus is dat beide ‘flanken’ in deze benadering geheel en al over één kam worden geschoren. De pvv is met haar verregaande anti-immigratie- en anti-Europa-standpunten en haar kwetsende taal­gebruik inderdaad geen serieus te nemen regeringspartner. Dat cda en vvd desondanks een coalitie met deze partij zijn aangegaan blijft schokkend. Bij de sp ligt dat geheel anders. Haar besturend vermogen heeft ze op provinciaal en gemeentelijk niveau al ruimschoots bewezen. Ze neemt op veel terreinen standpunten in die de pvda vroeger had. En daarbij vertoont ze, bij alle rigiditeit, soms ook (zoals bij de verhoging van de aow-leeftijd) een programmatische souplesse die aan de traditionele volkspartijen doet denken.

Wie de sp niettemin, vanwege haar afkeer van Europa, als serieuze coalitiepartner afserveert, zou eens een buitenlandse krant moeten raadplegen. De Financial Times bijvoorbeeld, die vóór de verkiezingen uitgebreid rapporteerde over deze partij. Conclusie: ‘The SP’s opposition to European solutions is more Keynesian than it is eurosceptic.’ Maar is bijvoorbeeld het sp-voorstel om de Europese Centrale Bank onder sterker politiek toezicht te plaatsen dan geen bewijs van verregaand populisme? Nee, waarom? Bij de huidige macht van de ecb moet daar inderdaad over gesproken worden. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid deed dat in 2009 al. In de publicatie Aftershocks werd de stelling betrokken dat de verregaande onafhankelijkheid van de Centrale Bank bij verdere groei van haar taken niet gehandhaafd kan blijven.

En dan nog een laatste vraag die het weghonen van de sp door politici en commentatoren oproept: hoe extreem is het midden zelf eigenlijk? Neem de marktwerking in de semi-publieke sector, door achtereenvolgende kabinetten met grote gretigheid doorgevoerd. Op de hoorzittingen van de Eerste Kamer eerder dit jaar werd daarover vanuit de Hoge Colleges van Staat (die hun onafhankelijkheid redelijk bewaard hebben) een hard oordeel geveld. Privatisering, aldus de oud-voorman van de Raad van State Tjeenk Willink, vond plaats ‘om van een probleem af te zijn of om de begroting sluitend te maken’. En Rekenkamer-president Saskia Stuiveling typeerde een kwart eeuw besluitvorming op dit terrein als ‘een discussie van gelovigen onderling’. Een weinig afstandelijke aanpak dus. Marktwerking als een vorm van beleidshysterie.

Er zijn veel meer voorbeelden van beleid dat haaks staat op het door het midden gekoesterde zelfbeeld van gematigdheid en verantwoordelijkheid. Het meest schrijnend zijn de zware bezuinigingen die Nederland en de andere eurolanden in crisistijd doorvoeren. Dat de overheidsschuld verminderd moet worden staat buiten kijf. Maar waarom daaraan de hoogste prioriteit gegeven? Sanering van de overheidsfinanciën krijgt voorrang op reorganisatie van de financiële sector, waar toch alle ellende begon. Aan de negatieve invloed op de groei van de economie wordt voorbijgegaan – en al helemaal aan de economische, sociale en politieke ravage die het EU-beleid in landen als Griekenland aanricht.

Overtuigende kritiek daarop (van Amerikaanse economen als Paul Krugman en Joseph Stiglitz, van het imf, en in Nederland ­bijvoorbeeld van Sweder van Wijnbergen) wordt genegeerd. Op korte termijn zullen de eurolanden zelfs te maken krijgen met een Europees voorschrift waarvan vroeger alleen loony right in de ­Verenigde Staten droomde: begrotingsevenwicht, wat er ook gebeurt. We zijn, zegt oud-vvd-minister van Financiën en oud-imf-bestuurder Johan Witteveen daar dwars tegenin, kennelijk de harde lessen van de jaren dertig vergeten: in crisistijd moet je de ­economie stimuleren. Bovendien is er bij een lage rente geen reden om de staatsschuld snel af te lossen. ‘Nuchter gezien zou je nu juist moeten investeren’ (NRC Handelsblad, 1 september 2012). Maar dat soort nuchterheid is de Nederlandse politieke elite tegenwoordig vreemd.

Het zijn overigens niet alleen de toegebrachte sociale schade en de gemiste economische kansen die het bezuinigingsbeleid zo bedenkelijk maken. Het beleid staat niet op zichzelf. Korten op de overheidsuitgaven doen we al zo’n dertig jaar. Het maakt deel uit van het economisch-liberale beleid dat vanaf de jaren tachtig in Angelsaksische landen, en later ook door en in Europa, gevoerd is. De ‘rationaliteit’ van de markt kwam voorop te staan. Van de verregaande deregulering van financiële markten tot het primaat van hoge en snelle winsten (‘aandeelhouderswaarde’). Van de bedrijfsmatige inrichting (soms: commercialisering) van publieke voorzieningen tot de ­flexibilisering van de arbeidscontracten en het aan- en uitbesteden van werk.

Zeker niet alles aan die liberalisering van economie en beleid was verkeerd. En de brede verzorgingsstaten die in ons deel van Europa waren opgebouwd vertoonden soms forse gebreken. Maar de opkomst van het financiële kapitalisme vormt, achteraf gezien, wel een trendbreuk in de maatschappelijke ontwikkeling. De sociale ongelijkheid begon weer toe te nemen – op het werk, in de leefomgeving, maar ook in de inkomens- en vermogensverdeling. Er ontwikkelde zich een parasitair kapitalisme – met meer aandacht voor financiële en fiscale constructies dan voor ­investeringen. En we kregen een belastingstelsel dat steeds minder op draagkracht gebaseerd is en het grote bedrijfsleven nauwelijks belasting laat betalen.

De sociale markteconomie die na 1945 in West-Europa, vooral op initiatief van sociaal- en christen-democraten, werd opgebouwd, had een morele kern. Het ging om de opbouw van een rechtvaardiger en leefbaarder samenleving. De bevolking als geheel zou voortaan delen in de welvaart. En de sociale ongelijkheid zou op den duur verder verminderen. Dat perspectief maakte de bestaande verschillen draaglijk en vergrootte het vermogen om bij tegenslag gezamenlijk een stap terug te doen. Maar het aldus gesloten ‘maatschappelijk contract’ heeft sterk aan werkingskracht ingeboet. Het is formeel niet opgezegd, maar het wordt geleidelijk ontbonden. Het is tegenwoordig een kleine groep die profiteert en die daarvoor veel te weinig teruggeeft.

Waarom hebben genoemde volkspartijen zich zo verregaand naar die nieuwe, neoliberale orde geschikt? Ze hadden het, zo moet vooraf ­worden vastgesteld, sowieso moeilijk gekregen. Er dienden zich nieuwe ­grootmachten aan in de wereldeconomie. Grensoverschrijdende schaalvergroting, aangedreven door nieuwe vervoers- en ­communicatietechnieken, beperkte de greep die nationale overheden op de economie hadden weten te krijgen. En ze verminderde, mét de afbrokkeling van de traditionele industrie en een gestegen welvaart, ook de invloed en aantrekkingskracht van de vakbeweging. Zo konden markt en marktdenken aan invloed winnen. En veel maatschappelijk protest lokte dat niet uit.

Maar genoemde partijen dragen wel een zware medeverantwoordelijkheid voor het verregaand doorschieten van die ontwikkeling. Ze verloren, met hun toenemende fixatie op de bestuurlijke binnenwereld, aan richtinggevend en probleemoplossend vermogen. Dat heeft de kwaliteit van de politiek geen goed gedaan. Maar het ging ook ten koste van de wezenlijke functie die partijen in een democratie vervullen: die van representatie en mobilisatie, van herkenbaarheid en betekenis voor de burger. Ze betoonden zich blind voor een oplopend rechtvaardigheidstekort. En de articulatie van maatschappelijke zorgen en onvrede werd ge-outsourced aan rechts-populistische partijen. Het politieke midden verloor zijn ziel. Zo’n ontwikkeling tast vroeg of laat de legitimiteit van ons democratisch stelsel aan.

Voor die zwakten heeft Marcel ten Hooven in zijn artikel in De Groene Amsterdammer van 14 september veel te weinig oog. Hij zoekt de oorzaak voor de neergang van de volkspartijen in hun gebrek aan autonomie. Een democratie, zo citeert hij de socioloog Jacques van Doorn, kan niet zonder leiders met een brede blik; zonder autonome politici die afstand tot de kiezers bewaren. En het gebrek daaraan verklaart volgens Ten Hooven de opmars van het populisme in ons land. Die komt pas ten einde als politici weer pijnlijke ingrepen en het belang van compromissen durven te verdedigen. pvda-leider Diederik Samsom, ‘die de waarheid over Griekenland sprak en verzoenende gebaren naar Rutte maakte’, laat zien dat dat ook electoraal succesvol kan zijn.

Nu zijn compromisbereidheid en standvastigheid inderdaad belangrijke democratische eigenschappen. Maar ze komen pas tot hun recht als grote maatschappelijke problemen en de richting waarin de samenleving zich beweegt inzet zijn van intensief debat, als politieke partijen daarin consistent stelling nemen, in de bevolking geworteld zijn en belangengroepen naast of tegenover zich vinden. Pas dan ontstaan de voorwaarden voor een maatschappelijk compromis, zoals dat indertijd rond de sociale markteconomie tot stand kwam. Ontbreken ze, dan voegt de besluit­vorming zich naar bestaande machtsverhoudingen en blijven de ­geprivilegieerden buiten schot. Het Lenteakkoord is er een schoolvoorbeeld van.

Ten Hooven komt bovendien, onbedoeld, in de buurt van een opvatting over politieke vertegenwoordiging die in Nederland, met z’n regenteske traditie, nooit ver weg is. Daarbij staat zakelijkheid centraal en wordt de professionaliteit van politici hoger aangeslagen dan de wensen van hun kiezers. Het is, schreef de politicoloog Joop van den Berg enkele jaren geleden (in het kader van de ‘zelfreflectie’ van de Tweede Kamer) een apolitieke opvatting die het belang van ideologische en belangenstrijd miskent en de technocratisering van de politiek legitimeert. ‘Aldus lukt het steeds weer om de politicus die zich op beslissende momenten boven het kiezersoordeel verheft moreel superieur te verklaren.’

Dat de onderhandelaars die een kabinet van vvd en pvda hebben voorbereid zich ook zelf superieur voelen, geloof ik niet. Maar het voorgestelde regeringsprogramma staat wel in het teken van het gangbare, liberale hervormingsdenken. Ingrepen ‘in de zorg, op de woningmarkt, op de arbeidsmarkt’ laten Nederland ‘sterker uit de crisis komen’. Alsof je met hogere huren en premies de recessie bestrijdt. Concrete plannen om economie en werkgelegenheid te stimuleren bevat het programma niet. En zelfs eerste aanzetten voor minder sociale ongelijkheid, inperking van het aandeelhouders-kapitalisme en een rechtvaardiger belastingstelsel ontbreken. Zo’n programma zou een zelfbewuste sociaal-democratische partij eigenlijk niet moeten accepteren.

Dat wil niet zeggen dat sociale accenten ontbreken. De zorgverzekeringspremie wordt inkomensafhankelijk; een quotum voor arbeidsgehandicapten ingevoerd; topinkomens in de semi-publieke sector verlaagd. Maar daar staat heel veel tegenover. Van minder WW en minder ontslagbescherming tot een versnelde verhoging van de aow-leeftijd – en dat in een tijd van hoge werkloosheid. Er wordt een ‘sociaal’ leenstelsel ingevoerd, zonder de voorwaarde die de pvda daar altijd aan verbond: dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs op geen enkele manier beperkt mag worden. Het arme deel van de wereld wordt aangeslagen voor onze schulden. En de zware schade aan de cultuurbegroting wordt niet gerepareerd.

Het grootste gebrek van het concept-­programma (en beslissend voor de richting van het beleid) is het ongeremde bezuinigingsstreven. Er gaat, hoe eerlijk eventueel ook verdeeld, voor ruim vijftien miljard euro gekort worden. Dat is onnodig en economisch schadelijk, zoals de hiervoor genoemde critici betogen. Voor Nederland, maar ook voor Europa – waar juist de noordelijke landen de economie zouden moeten stimuleren. Maar het beleid gaat, zonder nadere argumentatie of het begin van debat, op de ingeslagen weg voort. De pvda, die tijdens de campagne de fixatie op het begrotingstekort hekelde, heeft zich zo weer het ontzielde midden binnen laten zuigen. In de beslotenheid van het formatieoverleg ging dat kennelijk des te gemakkelijker.

Het pvda-congres van komende zaterdag heeft alles bij elkaar weinig te kiezen. Frontaal verzet tegen de nieuwe coalitie valt dan ook niet te verwachten. Een strohalm vormt de passage in het regeerakkoord waarin overleg met werkgevers en werknemers over de versoepeling van het ontslagrecht, de inperking van de WW en dergelijke in het vooruitzicht wordt gesteld. Dat biedt, zeker in het geval van oplopend maatschappelijk verzet tegen deze maatregelen, de kans op bijstelling van het regeerakkoord – en op concrete invulling van algemeenheden over ‘een betere balans’ tussen vast en flexibel werk. En het geeft de pvda-fractie enige ruimte voor een dualistische opstelling.

Meer vreugde valt er aan het regeringsprogramma helaas niet te beleven. Maar in de landelijke pers zal deze week wel weer luid de lof gezongen worden van de moed om te hervormen en om verregaand te bezuinigen. ‘Voortvarend begin’, schreef de Volkskrant op 27 oktober al. ‘Conformisme is crisistijd’ lijkt me een betere omschrijving. En als het om de verregaande depolitisering gaat die spreekt uit een hypersnelle, cleane formatie in een tijd van grote sociaal-economische problemen: ‘Spelen met vuur’.


Paul Kalma is oud-directeur van de Wiardi Beckman Stichting. Van 2006 tot 2010 was hij lid van de Tweede Kamer voor de PvdA. Dit voorjaar verscheen zijn boek Makke schapen: Over volgzame burgers en vluchtige politiek