Het onvermijdelijke falen

KEITH GESSEN
ALL THE SAD YOUNG LITERARY MEN
Viking, 242 blz., € 19,90
De Nederlandse vertaling, Al die droevige jonge literaire mannen, verschijnt deze maand bij De Bezige Bij

In een sleutelscène in A Heartbreaking Work of Staggering Genius (2000), de memoires waarmee Dave Eggers in één klap als een meteoor in de literaire wereld landde, zegt Eggers dat hij iets wil doen voor zijn leeftijdgenoten. Iets dat hun hoop en angsten vangt. Wat wil je dan, vraagt zijn gesprekspartner, ‘een politieke partij? Een demonstratie? Een revolutie? Een coup?’
Nee, zegt Eggers: ‘Een tijdschrift.’
Eggers hield zich aan zijn woord en lanceerde in 2003 met de opbrengsten van AHWOSG zijn eigen tijdschrift, The Believer. Hij vroeg zijn vrienden – jonge schrijvers als Videla Vida, Sean Wilsey en Jonathan Safran Foer – de kolommen te vullen met een eclectische mix van vooral ludieke verhalen, wars van politiek pessimisme en elitaire Hoge Cultuur. De redactie ging er prat op dat de werktitel van het blad ‘The Optimist’ was.
Optimisme? In 2003, zo kort na 9/11 en in de kiem van de Irak-oorlog? Een groep jonge New Yorkse schrijvers zag het hard hollende optimisme als een anachronisme, en reageerde door het tijdschrift n + 1 op te richten. n + 1 was boos, op de falende regering, over de groeiende desinteresse in politiek, onderwijs en literatuur. En boos op alle schrijvers die hun kop in het zand steken en hun talent alleen inzetten voor hun eigen plezier. In het redactioneel commentaar van het eerste nummer legde n + 1 zijn visie uit: ‘Louter geloof is vijandig aan het hele idee van denken’, beet het de concurrent toe. Verstop je niet achter een façade van grappen en ironie; ‘It’s time to say what you really mean.’
Dat is precies wat n + 1-oprichter Keith Gessen (1975) gedaan heeft in zijn debuutroman, All the Sad Young Literary Men. Zijn collega-oprichter Benjamin Kunkel ging hem al voor, met het uitstekend ontvangen Indecision (2005), maar meer nog dan Kunkel heeft Gessen een roman geschreven waarin hij zijn generatie heeft willen vangen. ATSYLM (als ik het dezelfde behandeling mag geven als AHWOSG) volgt drie mannen, of jongens, na het behalen van hun bul. Mark is vroeg getrouwd, snel gescheiden en werkt aan zijn hopeloze dissertatie; Sam wil zichzelf in één keer op de literaire kaart zetten door een Grote Zionistische Roman te schrijven; en Keith wisselt een stuntelige carrière als essayist af met zijn even stuntelige liefdesleven.
Hun ‘post-adolescente ennui’ wordt neergezet in de dagelijkse dingen, de kleine Seinfeld-achtige obsessies die voor eindtwintigers van dit millennium herkenbaar klinken: paniek breekt uit als blijkt dat het aantal Google-hits op hun naam afneemt en e-mail moet constant binnen handbereik zijn, want stel je voor dát.
Met de concurrentie tussen n + 1 en The Believer in het achterhoofd is het opmerkelijk dat je bijna niet om de vergelijking met AHWOSG heen kunt. Gessen behoort tot de lichting jonge bevlogen, experimenterende schrijvers die in Eggers’ kielzog zijn meegekomen. Net als bij Eggers wordt de tekst soms onderbroken door foto’s, lijstjes en tabellen. Net als bij Eggers is de grondtoon een lichte wanhoop, die draaglijk blijft door humor. Net als Eggers houdt Gessen het dicht bij huis: het personage van Keith heeft dezelfde levensgeschiedenis als de auteur en volgt eenzelfde carrièreloopbaan. Beide schrijvers zetten een generatie neer die bijna verzuipt in haar vrijheid.
Ondanks die vergelijking is ATSYLM toch een directe exponent van n + 1. Critici als William Marx, of Joost Zwagerman, die menen dat literatuur haar actuele waarde verliest, vinden in Gessen bij uitstek iemand die hun ongelijk probeert te bewijzen. Hij probeert de morele breuklijnen tussen generaties in kaart te brengen. Zijn personages houden zich bezig met grote onderwerpen – de holocaust, Kosovo, de Lewinsky-affaire, de bezetting van de Palestijnse gebieden, de gestolen presidentsverkiezingen van 2000 – en worstelen met hun engagement.
Het meest treffend komt dit tot uiting in Sam. Joden vinden hem te anti-Israël en Israël-critici vinden hem te zionistisch. Voor zijn roman zijn zijn doelstellingen helder, maar zijn visie is vaag: ‘He needed to disentangle the mess of confusion, misinformation, tribal emotionalism, and political opportunism that characterized the Jewish-American attitude towards Israel. But first he had to check his mail.’
Na het onvermijdelijke mislukken van die Grote Zionistische Roman vertrekt Sam naar Israël, waar hij tijd doorbrengt aan beide zijden van de bezettingsmuur. Wat leert hij? Precies, niets. Zelfs ter plaatse lopen de argumenten zo door elkaar heen en schreeuwt iedereen zo hard om zijn eigen gelijk dat hij geen vat op het debat kan krijgen.
Die aanhoudende twijfel van Sam geldt voor alle personages: ze willen wel geëngageerd zijn, maar het lukt ze niet – niet in de mate waarin hun ouders dat ooit waren. Het is het onvermogen van een generatie die met zo veel talent en zo veel vrijheid is opgegroeid dat ze bij God niet weet wat ze ermee moet. De personages zijn jong en droevig en, zeker als je generatiegenoot bent, zo humaan en herkenbaar dat je oprecht met ze meevoelt. Dit is zo’n boek waarvan je na het uit gelezen te hebben denkt: ‘Man. Dit had ík moeten schrijven.’