Het onvermogen tot herdenken

De Amerikaanse historicus Andrew Young zei ooit dat de discussie over de bouw van een monument reeds het eigenlijke monument is. Die stelling gaat zeker op voor de Duitse discussie over de vraag wat voor soort Holocaust-monument er moet verrijzen tussen Potsdamer Platz en Brandenburger Tor. De ontwerpen die tot nog toe zijn ingediend, vormen tezamen zo'n monument van onwetendheid, kitsch en grootheidswaan dat je je alleen maar kunt aansluiten bij de woorden van een Oostenrijkse beeldhouwer die het niet langer kon aanzien: ‘Laten we er zes miljoen tuinkabouters met pijpekrullen neerzetten.’

De fatale denkfout is uiteraard het uitgangspunt van de Behörden dat het monument in alle opzichten adequaat moet zijn, dat wil zeggen dat het zowel een uiting van nationaal berouw als een afsluiting van het verleden moet voorstellen. Maar het uit te beelden kwaad is onvoorstelbaar groot, terwijl het herdenken van dat kwaad een zeer persoonlijke aangelegenheid is. Geen enkel oorlogsmonument doet recht aan alle feiten en aan alle gevoelens van betrokkenen. Zelfs niet Jad Vashem in Jeruzalem, dat tegelijkertijd door zionistische joden als ‘fatalistisch’ wordt verworpen en door antizionistische joden als een 'joods Disneyland’ wordt afgedaan.
Hoe moeilijk het is als Duitser dit onvermogen tot herdenken onder woorden te brengen, zelfs als je geen kwaad in de zin hebt, bewijst de schrijver Martin Walser. Toen hij begin oktober de vredesprijs van de Duitse boekhandel in ontvangst nam, verwierp hij in zijn dankrede het 'instrumentele gebruik’ van Auschwitz. 'Er gaat geen dag voorbij of we worden eraan herinnerd’, klaagde hij: het oorlogsverleden wordt als 'morele knuppel’ gehanteerd om te voorkomen dat wij Duitsers weer een 'normaal volk’ kunnen worden. Walser wilde niets van het nazi-verleden ontkennen, zei hij, maar als er films over die periode werden vertoond, keek hij steeds vaker een andere kant op. Hij voelde zich niet verantwoordelijk voor wat er destijds was gebeurd en wenste 'het onverdraaglijke niet te verdragen’.
Zijn rede werd met applaus begroet en er ging een zucht van verlichting door de gelederen der Duitse columnisten: eindelijk had iemand het verlossende woord durven spreken. Ze leken zelfs enigszins verbaasd dat ze er zo gemakkelijk van afkwamen, maar dat duurde niet lang. Bij de herdenking van de Kristallnacht diende Ignatz Bubis, voorzitter van de raad van Duitse joden, de schrijver van repliek: 'Walser predikt een cultuur van wegkijken en wegdenken die ten tijde van het nationaal-socialisme maar al te gebruikelijk was.’ Hij noemde Walser een 'geestelijke brandstichter’ - een weinig subtiele verwijzing naar degenen die zestig jaar geleden synagogen en joodse winkels in brand staken - en sprak van 'onderhuids antisemitisme’. Het waren harde woorden, die hem zowel door joodse als niet-joodse intellectuelen kwalijk werden genomen. Met welk recht ontzegde hij het Duitse volk de absolutie? De joodse historicus Wolffsohn suggereerde dat de oude Bubis niet meer politikfähig was en net als Helmut Kohl en Berti Vogts nodig moest worden afgelost.
Maar de oude Bubis is politikfähig als nooit tevoren. Hij slaat precies op het goede moment alarm, omdat Walsers 'bekering tot de natie’ aansluit bij een verontrustende opeenvolging van zulke bekeringen van intellectuelen, te beginnen met die van Botho Strauss twee jaar geleden. Zij denken dat het tegenwoordig geen kwaad kan weer een beetje nationalistisch te zijn. Helaas, dat kan het wel. De geschiedenis is geen zelfbedieningswinkel. Of je aanvaardt een historische identiteit van het Duitse volk, waartoe ook de episode 1933-45 behoort, of je verwerpt die. Een tussenweg is er niet. Bubis stelde in zijn redevoering dan ook een pertinente vraag die Walser nog niet heeft beantwoord: 'Aangezien ik meen te weten dat Walser evenmin als ik in een “collectieve schuld” gelooft, begrijp ik niet waarom hij zich tijdens het bekijken van zulke films aangevallen voelt.’
Ook Bubis’ verwijzing naar onderhuids antisemitisme was terzake. Of beseft een schrijver als Walser soms niet het gewicht van bepaalde woorden? De Frankfurter Allgemeine Zeitung dikte zijn betoog onmiddellijk aan tot de stelling dat de joden 'aanzienlijk materieel voordeel uit de holocaust slaan’. Inderdaad, het beste monument voor deze vorm van verwerking van het Duitse oorlogsverleden is misschien nog wel die onafzienbare, wezenloze processie van tuinkabouters.