Non-fictie voor kinderen

Het onzichtbare zichtbaar maken

Een grote stroom non-fictie voor kinderen overspoelt de kinderboekenmarkt.

Oneindig veel virtuele archieven, bibliotheken en informatieve web sites vormen samen de encyclopedische geest van de moderne wereld. Internet wordt door velen be schouwd als een onuitputtelijke kennisbron. De internetgeneratie brengt de bijbelse zegswijze «zoekt en gij zult vinden» dagelijks in de praktijk. Hetzij door op goed geluk te surfen op het web, hetzij door gericht te zoeken via bijvoorbeeld Kennisnet, dé internetorganisatie voor het onderwijs. On danks, of misschien juist wel dankzij het feit dat zoveel informatie en kennis van het net geplukt kan worden, blijkt het informatieve kinderboek sinds de jaren negentig van de vorige eeuw een onophoudelijke groeimarkt. Voor alle leeftijdsgroepen en over de meest uiteenlopende onderwerpen als spionnen, geld, popmuziek, de fiets, geschiedenis en natuurwetenschap verschijnen kleurige, ver zorg de (vaak goede) boeken, die door veel uitgevers in een serie, want herkenbaar, worden uitgebracht.

De Tsjechische pedagoog en theoloog Amos Comenius, die in 1658 met zijn Orbis Sensalium Pictus (de zichtbare wereld in platen) ’s werelds eerste non-fictiewerk voor kinderen schreef, zou zich in het walhalla voor pedagogen wanen. Verbaasd zou hij constateren dat een totaaloverzicht van de wereld (met God als middelpunt) niet meer volstaat. Verheugd zou hij zijn over de tot de verbeelding sprekende presentatie in woord en beeld van wetenswaardige feiten. Immers, vond ook al Comenius, de geest moet geprikkeld worden opdat de weetlust gestimuleerd wordt. En beelden, volgens Comenius’ visie, zijn daarbij onmisbaar. Maak voor kinderen het onzichtbare zichtbaar, luidde zijn devies.

Comenius’ standpunt is sindsdien gemeengoed in de wereld van het informatieve kinderboek. De met de hand ingekleurde illustraties in kopergravure uit de educatief encyclopedische kinderboeken van de fondsen van Evert Maaskant en Pieter Hendrik Trap uit begin negentiende eeuw zijn inmiddels vervangen door onder meer de prachtige, haarscherpe foto’s uit de studio’s van de Britse uitgever Dorling Kindersley, die in 1987 de «Windows on the World series» uitbracht, geïnspireerd door oprichter Peter Kindersley, die zich afvroeg waar de «exciting books for kids» toch bleven. Kindersleys vraag ontketende een revolutie in het uitgeven van non-fictie voor kinderen. Vele series volgden. Een aantal daarvan brengt uitgeverij Gottmer op de Nederlandse markt.

In de «Story through Time series» is onlangs Zomaar een stad door de eeuwen heen verschenen. De door Steve Noon detaillistisch getekende, kleurrijke indrukwekkende panorama’s van steden tonen effectief hoe de eerste Griekse nederzetting (550 voor Christus) in 2500 jaar tijd veranderd is in een moderne futuristische stad van glas, staal en wolkenkrabbers. Dwarsdoorsneden vertellen over het interieur van de gebouwen en de leefwijze van de mensen uit de betreffende periode. Daarbij wordt door Philip Steele een bondige maar juiste tekstuele uitleg gegeven. Voor meer informatie kun je terecht bij de verklarende woordenlijst achter in het boek. Zomaar een stad door de eeuwen heen is een waar kijkfeest dat de nieuwsgierigheid prikkelt en de verbeelding stimuleert. Welk kind wil bij het aanschouwen van bijvoorbeeld de middeleeuwse stad of de industriële haven geen spannend verhaal over «Het kasteel van de graaf», of het leven van de «Krantenjongen» of «Scharensliep» horen?

Even beeldend en doeltreffend is Hét boek over vogels van Ben Morgan, het zevende boek in de «DK Guide series» van Dorling Kindersley, waarvan er maar liefst vier bekroond zijn met de Britse Aventis Junior Science Books Award. De ondertitel Een verbazingwekkende rondvlucht door het vogelrijk is met recht gekozen. Foto’s van angstaanjagende kroon- en zeearenden en bevallige kolibries en ossenpikkers wisselen elkaar af, doen je van de ene verbazing in de andere vallen en zijn treffend voorzien van tekst en uitleg. Handig zijn de «vogelfeiten» op een rij en de verwijzingen naar vogelwebsites aan het eind. Jammer is dat bij de foto’s niet consequent de juiste verhoudingen worden vermeld. De bijkolibrie is slecht 5,7 cm lang van snavel tot staart, maar hoe groot de secretarisvogel is, te bewonderen op een relatief kleine foto, blijft gissen.

In Richard Walkers Microkosmos, een van de meest recent vertaalde titels van de serie «Kingfisher Knowledge» («Gottmer Geleerd»), ge noemd naar de uitgever en voorzien van een voorwoord van Nobelprijswinnaar voor fysiologie en geneeskunde (1996), Peter C. Doherty, wordt het schaalprobleem terecht on der vangen door bij de tekeningen, lichtmicrofoto’s, computerbeelden en elektronenmicroscopische opnamen de vergroting te vermelden. Juist die schaalaanduidingen bij de meest on waarschijnlijke, kleurige beelden van bijvoorbeeld virussen, trilhaardiertjes en wangcellen ma ken je zo bewust van de wondere werelden die achter onze zichtbare wereld verborgen liggen en doen je inzien dat natuurwetenschappers meer dan wie dan ook afhankelijk zijn van verbeeldingskracht, een eigenschap die kinderen van nature bezitten.

Kinderen ervaren het leven als een eindeloze, opwindende ontdekkings tocht. Wetenschap en informatie kunnen kinderen verrassen en prikkelen zoals kunst dat kan. De tegenstelling non-fictie/fictie, of feit/ fantasie, ervaren zij veel minder als tegenstelling dan veel volwassenen.

Dat feit en fantasie en woord en beeld kunnen versmelten tot een prachtige, inspirerende eenheid bewijzen Marjolein Hund en Jan Paul Schutten in Alles uit de Kast: Een boek over het maken van boeken. Met gevoel voor humor beschrijft Schutten hoe een boek tot stand komt: de geboorte van een idee, de schrijver die schrijft en schrapt, de uitgever als «spil waar het allemaal om draait» («Hmm… hé… wacht eens… Ik kom er zelf ook in voor! Wat een prachtboek!»), de illustrator die iets moet toevoegen aan het verhaal, de typograaf die het uiterlijk verzorgt, de drukker, de binder, de boekhandelaar die adviseert en tot slot de lezer die de mooie boeken «in zijn hoofd be waart». Alles uit de Kast is ontegenzeggelijk non-fictie, maar de prachtige collages van Hund, waarvoor ze verf, fotografie, typografie, kleur en driedimensionale materialen gebruikt, maken er tegelijkertijd een kunstboek van waaraan je eindeloos veel kijkplezier beleeft: Hunds schrijfster heeft een kroontjespen op haar hoofd en een weelderige haardos waar letters doorheen schijnen. De letters «er was eens» zijn de zaadjes waaruit de ideeën groeien en «het wereldidee» («een kinderboek over het maken van boeken») vangt de schrijfster, zwevend in een luchtballon (de ballon is een lampenpeer) boven onze planeet, in een vlindernet.

Niet zomaar iedere kinderboeken auteur kan een goed informatief kinderboek schrijven. Veel onderwerpen zijn te specialistisch. Vakkennis is van groot belang, zoals ook een nauwkeurige en actuele weergave van de feiten. Bovendien moet de hoofdstukindeling logisch en duidelijk zijn. Het boek moet een aantrekkelijk uiterlijk hebben en een juiste balans tussen woord en beeld tonen. Illustraties en tekst moeten elkaar aanvullen. Schrijfstijl en toon moeten toegankelijk, maar niet belerend of kinderachtig zijn. Stereotiepe beelden en algemeenheden moeten worden vermeden. Correcte terminologie is vereist en toch moet de taal haar rijkdom tonen. En uiteindelijk moet het enthousiasme van de schrijver zodanig voelbaar zijn dat het boek zal leiden tot nieuwsgierigheid en verwondering.

Om aan de vele criteria van non-fictie voor kinderen te voldoen maken uitgevers slim gebruik van vakspecialisten, of ze laten de auteur het boek schrijven met behulp van instanties of organisaties die over de juiste spe ci fieke kennis beschikken. Het natuurboek voor kinderen van Bas van Lier en Henk Kneepkens is bijvoorbeeld geschreven in samenwerking met Vereniging Na tuur monu menten en Vereniging voor Natuur- en milieueducatie, IVN. En het rijkelijk geïllustreerde Het bomenboek voor kinderen is door Ploegsma uitgegeven met medewerking van de Bomenstichting, Vereniging Natuurmonumenten en IVN.

De auteurs van de informatieve jeugdreeks «Notendop junior» (Van Goor), toegankelijk geschreven boekjes die over alledaagse onderwerpen een inzichtelijk overzicht geven, zijn echter allemaal zelf werkzaam in het veld van het onderwerp waarover zij schrijven. Erwin Kroll schreef over het weer, Mart Smeets over de Olympische Spelen, Hes ter Carvalho, (pop)muziekrecensent van NRC Handelsblad, over pop muziek, en onlangs verscheen van historicus Hans Ulrich en historicus en NRC Handelsblad-medewerker Erik van der Walle De geschiedenis van Nederland.

Niet alle onderwerpen uit de «Noten dop junior»-serie blijken geschikt voor bondige informatieve kinderboeken. Popmuziek spreekt veel jeugdigen tot de verbeelding, maar is lastig af te bakenen omdat popmuziek niet een onderwerp maar stijl betreft. En muziekstijlen, zoals kunststijlen eigen is, lopen vaak hopeloos door elkaar. Dus waar begint en waar eindigt je notendopverhaal?

Hester Carvalho doet een goede po ging kinderen een en ander over popmuziek te vertellen en behandelt be halve hedendaagse «pop» en idolen ook heel wat «voorouders», maar ze struikelt toch over de hindernissen die haar onderwerp opwerpt. Zo spreekt Carvalho over popmuziek als een Amerikaanse uitvinding, terwijl een stijl niet wordt uitgevonden maar geleidelijk en vaak op meerdere plaatsen tegelijk ontstaat. En om het verschil tussen country en folk uit te leggen door het stereotiepe beeld van de zeer gelovige countryzanger met cowboyhoed te bevestigen, is te makkelijk en eenvoudig. Is country niet een subgenre van folk, of misschien zelfs wel hetzelfde?

Ulrich en Van der Walle bewijzen daarentegen dat historische onderwerpen juist uitermate geschikt zijn om in vogelvlucht te beschouwen. Bovendien bewijzen ze dat geschiedenis niet saai is. «Elk hoofdstuk begint met een stukje tekst zoals een tiener uit die tijd ge schreven zou kunnen hebben», waarna zakelijk, maar voldoende verhalend een uitleg over de betreffende periode volgt. Lastige terminologie en niet eenduidige begrippen worden eenvoudig ondervangen. Zo leggen de auteurs in hun eerste hoofdstuk terecht en eenvoudig uit dat huidig Nederland pas bestaat sinds 1839. Maar, schrijven Ulrich en Van der Walle, «wij doen in dit boek niet ingewikkeld over de naam van ons land (..). We noemen het land Nederland, ook al heette het anders en was het helemaal geen zelfstandig land.» Wat mist zijn de jaartallen achter de hoofdstuktitels en illustraties die de tekst aanvullen (zoals historische kaarten), in plaats van de goedbedoelde maar nietszeggende tekeningen van Elly Hees.

Ook De fiets van Sander Voormolen (redacteur bij de wetenschapsredactie van NRC Handelsblad), niet behorend tot de reeks «Notendop junior» maar wel een «leerboek techniek in een notendop», mist effectieve illustraties. Een tekening van «de fiets» waarbij onderdelen met naam en toenaam worden benoemd en doorsneden van sommige fietsonderdelen, zoals nu alleen bij de terugtraprem wordt ge toond, waren welkom geweest. Ook al weet Voormolen natuurkundige principes als «de traagheid van de massa» aan de hand van een alledaags vervoermiddel als de fiets duidelijk en oorspronkelijk uit te leggen («een voorwerp met een bepaald gewicht heeft de neiging zijn snelheid te behouden. Een kanonskogel die stilligt, is moeilijk te verplaatsen. Maar een kanonskogel die met snelheid door de lucht vliegt, kun je beter niet proberen op te vangen»), toch kunnen beelden soms beter dan woorden het onzichtbare zichtbaar maken.

Die beelden hoeven niet noodzakelijkerwijs een kopie van de werkelijkheid te zijn, bepleit illustrator Philip Hopman in het door Hans en Monique Hagen in reportageachtige stijl ge schreven Het paardenboek, de nieuwste titel in Querido’s informatieve «IQ-reeks» die boeit en verrast. Hopman heeft gelijk. Immers, de rijkheid van de werkelijkheid is uiteindelijk nooit in haar geheel in beelden te vangen. Zelfs foto’s kunnen dat niet. Voor wat betreft het tekenen van een paard, dat, vertellen de Hagens, niet alleen een idool voor paardenmeisjes is, maar onder meer ook de strijkstok van de violist van haren voorziet en na zijn dood als energiebron dient, vindt Hopman dat «het de kunst is om beweging op papier te laten zien». En daarin slaagt hij voortreffelijk. De kleine paardenschetsen rechts onder aan iedere bladzijde to nen op elegante en originele wijze de snelheid van een galopperend paard. Laat je de bladzijden snel tussen je vingers voorbij schieten, dan galoppeert het paard zo Het paardenboek uit.

Een juist evenwicht tussen feit, beeld en verbeelding blijkt van groot belang voor het al dan niet slagen van een informatief kinderboek. Gelukkig worden Nederlanders steeds beter in het genre, getuige alle Zilveren Griffels die het afgelopen decennium aan non-fictie zijn toegekend. Terecht worden succesboeken als Het zeeboek van Bas van Lier en Annie Meussen bekroond (vorig jaar een van de Zilveren Griffel-winnaars). Van Lier schrijft direct en duidelijk en verwijst, heel handig, terloops naar relevante websites. En Meussen wisselt sfeervolle «zeeaquarellen» af met effectieve tekeningen van schelpensoorten, kwallen, vissoorten en een blauwe vinvis die met 24 olifanten in zijn lijf treffend zijn gewicht duidt.

Wel moet je je afvragen of een Griffel-jury, van oorsprong gericht op het beoordelen van fictie, bekwaam ge noeg is om non-fictie te beoordelen en of ze de juiste criteria handhaaft. Een vanuit het Engels vertaalde serie als Waanzinnig om te weten («Horrible Science series») van uitgeverij Kluitman zal nooit de aandacht van een Griffel-jury trekken. Bij het gemiddelde jurylid heeft de naam van de uitgever al een twijfelachtige reputatie. En verder zullen de boeken, die voor het merendeel geschreven zijn door wetenschapper Nick Arnold en titels dragen als Schokkende elektriciteit en Explosieve experimenten, vermoedelijk worden afgedaan als te lollig, met te veel komische cartoons en merkwaardige quizjes en opdrachten. Toch zijn in Engeland inmiddels twee titels uit de serie (waaronder Explosieve experimenten) be kroond met de Aventis Junior Prize for Science Books.

De grote stroom non-fictie voor kinderen vraagt dringend om een eigen prijs, zoals de Orbis Pictus Award for Outstanding Nonfiction for Children in de Verenigde Staten, of de eerder ge noemde Aventis Junior Prize. Waarom niet de Eurekaprijs voor non-fictie voor kinderen in het leven roepen? Het zal de kwantiteit én kwaliteit van het genre bevorderen. Wellicht dat behalve Midas Dekkers en Bas Haring, wetenschapper en auteur van het sublieme Kaas en de evolutietheorie (2001), ook anderen, zoals bijvoorbeeld VPRO’s onlangs ge ziene zomergast en wetenschapsster Robbert Dijkgraaf, zich geroepen voelen toegankelijk over science te schrijven, zodat de (natuur)wetenschappen weer tot de jeugdige verbeelding zullen spreken en van hun stoffige imago worden verlost. Want «de wetenschap», concludeert Nick Arnold terecht in zijn Explosieve experimenten, «is een reis zonder einde naar het onbekende, en experimenten zijn lantaarns die je verder op weg kunnen helpen in het donker», bedoeld om «de grote mysteries van het leven, de wereld en het heelal te ontrafelen».

Tegen dit soort beeldspraak kan in ternet nog steeds niet op. Internet geeft weliswaar toegang tot oneindig veel kennisbronnen, maar de beelden op je computerscherm verdwijnen zodra je de website afsluit, terwijl boeken die het onzichtbare zichtbaar maken voor altijd in je hoofd bewaard blijven.