Interview met Geert van Kesteren

‘Het oog doet het werk’

Al meer dan tien jaar bezoekt fotojournalist Geert van Kesteren oorlogsgebieden en crisissituaties. Met ‘kofferjournalistiek’ heeft hij weinig op: ‘Ik wil de kijker niet afstompen, ik wil hem dat verhaal in trekken.’ Het tweede deel in een serie over toonaangevende fotografen.

Of hij nog wel eens bang is? Geert van Van Kesteren schudt het hoofd: ‘Ik ben de laatste jaren zelden nog bang geweest. Maar dat komt niet doordat ik zo dapper ben – ik ben juist eerder angstig aangelegd. Het komt doordat ik beter weet hoe ik gevaarlijke situaties moet vermijden, hoe ik ervoor kan zorgen dat ik niet bang hóef te zijn. In mijn beginjaren als fotojournalist was dat wel anders. In Congo liep ik eens het compound af. Het was een mooie avond, lekker weer, prachtig licht. Ik dacht: even een paar foto’s maken. Binnen vier minuten werd ik door een Rwandese kindsoldaat met een kalasjnikov staande gehouden. Weer vier minuten later was ik omsingeld door acht andere soldaten die mijn fotocamera wilden inpikken en me in de gevangenis wilden gooiden op een eilandje verderop. Dat zijn nare ervaringen, maar het is wel je eigen schuld: je moet ’s avonds ook niet in een oorlogsgebied gaan rondwandelen.’ Hij vertelt het met de nuchtere vanzelfsprekendheid van een man die in zijn leven al heel wat ellende voorbij heeft zien komen: ‘Afrika veranderde mijn denken over fotografie. Ik ging daar halverwege de jaren negentig heen met het idee: ik zal de wereld eens laten zien wat voor een geweldige fotograaf ik ben. Dat viel tegen. Als je geconfronteerd wordt met honderden lijdende, hongerige, zieke mensen, dan verdampen je persoonlijke ambities heel snel. Ik kreeg daar een aversie tegen wat ik “kofferjournalistiek” noem: fotografen en tv-journalisten die met een vooropgezet idee arriveren, de juiste onderwerpen bij dat idee zoeken, hun foto’s scoren en er weer tussenuit knijpen. Ik investeer veel tijd in mijn onderwerpen. Probeer het maar eens te bevatten dat je iedere week naar een begrafenis moet, dat je halve familie is uitgemoord, dat je straatarm bent en dat een ander deel van de wereld rijk is. Die problemen zijn zó wáánzinnig gecompliceerd, dus toon die complexiteit dan ook. Ik vraag me voortdurend af: hoe portretteer je een hele cultuur? Hoe toon je mensen die niets hebben? Hoe stigmatiserend mag je zijn?’

Geert van Kesteren (1966) leidt een gespleten leven. Het ene deel van het jaar woont hij met vrouw en kinderen in Amsterdam, het andere deel reist hij als freelance fotojournalist af naar de brandhaarden van deze wereld. Hij maakte fotoreportages over de aidsepidemie in Zambia en het verwoestende effect van de tsunami in Zuidoost-Azie, maar ook over kleinere tragedies als de verborgen armoede in Nederland. Zijn doorbraak beleefde Van Kesteren vier jaar geleden met Why Mister Why, een persoonlijk verslag van de oorlog die zich ontspon na de invasie in Irak. In filmische sequenties en een impressionistische stijl toont hij het wederzijdse onbegrip en de miscommunicatie tussen bezetter en bezette. Het boek werd bejubeld in de westerse én de Arabische wereld – en leverde Van Kesteren een aspirant-lidmaatschap op bij het gerenommeerde fotoagentschap Magnum.

Hoe zou u uw werkwijze typeren?

Geert van Kesteren: ‘Sommige fotografen zijn op zoek naar een iconisch beeld. James Nachtwey, bijvoorbeeld, kan dat fantastisch. Die zoekt en die zoekt, hij kijkt en hij kijkt, net zolang tot hij die ene foto schiet waarin alles – onderwerp, compositie, licht – bijeenkomt en die alles vertelt. Ik doe dat niet. Ik kán dat ook niet. Ik ben meer afhankelijk van wat er voor mijn lens gebeurt. Hij is de kunstenaar onder de fotojournalisten, ik ben op zoek naar verhalen. Ik probeer de essentie van een oorlog te vinden. Ik vraag me af: wat is hier het journalistiek meest relevante verhaal? En probeer dat te fotograferen. Vandaar de documentaire-, magazineachtige vorm van Why Mister Why. Ik wilde het verhaal vertellen vanuit het perspectief van het individu dat een oorlog beleeft, de complexiteit daarvan, de ambiguïteit. Dat lukt niet in een glossy koffietafelboek, waarvan iedere foto tegelijkertijd als poster kan dienen.’

Voor dat boek ging u ‘embedded’ bij een Amerikaanse eenheid. Is het voor een Europeaan moeilijk om toestemming te krijgen?

‘Dat hangt af van je opdrachtgever. Werk je voor Time Magazine, Newsweek, cnn of Fox, dan is het geen probleem. Schrijf je voor De Groene Amsterdammer, dan wordt het lastiger. Die embeds werken over het algemeen heel goed voor het imago van het Amerikaanse leger. Die paar kritische foto’s – zoals de mijne – die er geschoten worden, zijn gewoon ingecalculeerde schade.’

Een van die foto’s toont een nachtelijke inval bij een groep vermeende terroristen. Hoe lukt het u om uw onderwerp zo dicht op de huid te zitten?

‘Ik probeer altijd als eerste de kamer binnen te gaan. Dat lukt bijna nooit: meestal mocht ik als vierde. Verder weet ik het niet. Ik zal er wel een soort sensor voor hebben. Het fotograferen zelf is helemaal niet zo moeilijk. Het gaat vanzelf. Van tevoren ben ik zenuwachtig: kriebels in mijn buik, gesloten, strak. Dat heb ik nodig: die zenuwen maken me geconcentreerd. Wanneer de actie begint, moet je er bovenop zitten. Het moet in één keer goed gaan, want iedere foto die je schiet, kan relevant zijn voor je verhaal.’

Is het type camera dat u gebruikt belangrijk?

‘_Valt wel mee. Het is het oog dat het werk doet. Natuurlijk is het fijn als je digitaal automatisch kunt scherpstellen,_ maar het is niet essentieel. Die nieuwe camera’s hebben veel te veel functies. Bovendien zien die dingen er zo duur uit, wat ze aantrekkelijk maakt voor dieven.’

De meeste foto’s schiet u met een groothoeklens. Wat is daarvan het voordeel?

‘Het is de enige lens die geheel voldoet aan Robert Capa’s beroemde adagium: “If it’s not good enough, you were not close enough”. Met mijn werk wil ik je het gevoel geven dat je er middenin zit. Je moet je in die kamer wanen. Je moet de actie niet alleen zien, je moet die ook voelen. Dat effect creëer je door in te zoomen, door boven op je onderwerp te zitten, maar ook door tijdens het samenstellen van je boek de foto’s in ritmische sequenties te plaatsen. Ze moeten je meenemen in een filmische flow: afstand, afstand, afstand en dan… pats! In je gezicht!’

U klinkt bijna als een filmregisseur.

‘Zo zie ik het ook. Why Mister Why beschouw ik als een soort speelfilm. En Zambia, Zambia, de tentoonstelling die ik onlangs maakte voor De Kunsthal, is een roadmovie. Ik wil de kijker niet afstoten; ik wil hem dat verhaal in trekken. Daarvoor heb ik zachte en harde beelden nodig die allemaal dezelfde tint en sfeer hebben. Dat is erg moeilijk. Als je de eerste foto midden op de dag schiet met de zon hoog aan de hemel, de tweede in de schemering van een zonsondergang en de derde midden in de nacht, dan krijg je geen filmisch gevoel.’

U gebruikt geen flits. Is dat een bewuste keuze?

‘Echt licht vind ik authentieker. Is het donker, dan is het donker. Is het licht, dan is het licht. Ik hou er niet van om een situatie te dramatiseren door er een flits op te zetten. Oorlog is van zichzelf al gruwelijk genoeg.’

Ensceneert u wel eens?

(beslist) ‘Nóóit. Fotojournalistiek staat of valt bij het feit dat je een beeld kunt vertrouwen. Het feit dat je die soldaat wél, en dat meisje in die knalgele jurk ernaast níet, in het kader plaatst, is al een flinke beslissing. Als je dan ook nog tegen die soldaat zegt: “Sla die Irakees daar nog eens voor zijn kop, want ik heb het er niet helemaal goed op staan”, dan is het einde zoek. Wij zijn media, wij moeten onafhankelijk zijn.’

Maar u bent toch ook niet helemaal onafhankelijk? U werkt tenslotte met weekbladredacteuren die spraakmakende verhalen willen brengen.

‘Het is als fotograaf soms vreselijk frustrerend om met fotoredacties te werken. Immers: hoe kan een fotoredacteur in Amsterdam of Milaan begrijpen wat zich in Irak op de grond afspeelt? Ik kom al jaren in het Midden-Oosten, maar de meeste fotoredacteuren zijn daar nog nooit geweest. En toch menen ze een bepaalde waarheid te kennen: vanwege de stukken die ze binnenkrijgen, vanwege de opdracht die ze van hun hoofdredacteur krijgen, vanwege de visie van het blad, de oplagecijfers, misschien wel die Rolex-advertentie die naast de foto komt te staan. Maar je moet er samen uitkomen; je wilt niet dat je verhalen in een la belanden. Iemand vroeg me eens: “Wat raakt je het meest van alles dat je gezien hebt?” Mijn oprechte antwoord is nog altijd: “Dat sommige van mijn verhalen niet gepubliceerd worden.”’

U werd in 2005 aspirant-lid van het agentschap Magnum. Loopt u financieel binnen?

‘De beste journalistieke bladen betalen denk ik een vijfde van wat een commerciële opdracht betaalt – en toch heb ik in mijn leven nog nooit een reclamefoto gemaakt. Het zou fijn zijn om wat meer te verdienen, maar ik ga daar niet over klagen. De fotojournalistiek is een doelbewuste keuze in mijn leven. Ik ben een bevoordeeld mens. Ik mag de halve wereld rond reizen en mooie fotoboeken maken. Maar als je me vraagt: wat houdt je gaande, wat zorgt ervoor dat je door blijft gaan, dat je fotojournalist wilt blijven tot je dood, dan zeg ik: de mensen. Iedere keer sta ik weer versteld van hun incasseringsvermogen, van hun veerkracht. Toen ik in Indonesië was om de gevolgen van de tsunami te fotograferen, sliep ik twaalf dagen op een stenen vloer, maar ik ontmoette daar mensen die ik normaal nooit had leren kennen. De rugpijn van het liggen op die vloer ben je na drie dagen weer vergeten, maar die vriendschappen gaan een leven mee.’

………………………………………………………………………………………………………………
‘Journalistiek moet kritisch zijn’

Geert van Kesteren over Baghdad Calling

Op 18 maart verschijnt Geert van Kesterens nieuwe boek: Baghdad Calling. Het vestigt de aandacht op de vier miljoen Iraakse vluchtelingen die hun land na de Amerikaanse invasie ontvluchtten. Ze wonen in Syrië, Jordanië en Turkije en velen doen wanhopige pogingen om Europa te bereiken. Van Kesteren sprak ze aan, fotografeerde ze en tekende hun schrijnende verhalen op. Gaandeweg raakte hij gefrustreerd: ‘Ik kon die verhalen wél beschrijven, maar niet fotograferen.’ Een oplossing kwam uit onvermoede hoek: ‘Een Iraakse arts liet me een foto zien van een pas overleden vriend. Die foto brak mijn hart. Hij was gemaakt met een mobiele telefoon. Wat bleek: er bestaat onder Iraakse vluchtelingen een dicht en drukbezet netwerk waarin men elkaar op de hoogte houdt van de situatie thuis. Civil journalism in zijn meest pure vorm. Ik ben die beelden van mobieltjes gaan verzamelen en besloot ze op te nemen in mijn nieuwe boek. Om de aandacht te vestigen op de voor journalisten onwerkbare situatie in Irak, maar ook om een statement te maken over nieuwe vormen van communicatie en de veranderende positie van de traditionele media.’

Baghdad Calling verschijnt op 18 maart; er is een debat in Felix Meritis. Why Mister Why is te bestellen op www.photoq.nl

Een portret van Van Kesteren door Gustaaf Peek is in beperkte oplage te koop, via www.groene.nl