Het oog van vele stormen

Salman Rushdie, de Britse schrijver boven wiens hoofd nog steeds het zwaard van Khomeini’s fatwa hangt, besprak deze week in Amsterdam een brief waarin Iran zegt het doodvonnis niet te herroepen maar ook niet uit te voeren. ‘Onaanvaardbaar’, luidde het oordeel van Rushdie. En dat van minister Van Mierlo.
‘IK BEN HEEL BLIJ dat ik tegenwoordig min of meer in het openbaar kan optreden, dat ik mijn komst ruim van tevoren kan aankondigen en dat ik, zoals nu, eindelijk mijn lezers in alle rust kan ontmoeten.’

Salman Rushdie, gekleed in een wijde katoenen broek, een oversized colbert en sportschoenen met profielzolen, nipt van zijn glaasje bronwater en zakt ontspannen onderuit in zijn stoel in de Amsterdamse Balie. ‘Door de fatwa was ik jarenlang voor de meeste mensen niet meer dan een “affaire”, en velen hebben daar dankbaar misbruik van gemaakt. Allerlei critici en politici hielden zich met mij en mijn boeken bezig in termen die mij volkomen vreemd waren, die niets met mij te maken hadden. Ik heb recensies en wetenschappelijke studies over mijn boeken gelezen waar ik zo weinig in herkende dat ik er niets van begreep, letterlijk geen woord. Waar het ook over ging, in elk geval niet over mij. Mijn naam is zelfs gebruikt door racistische en fascistische bewegingen in Groot-Brittannie in hun propaganda tegen minderheden - ronduit walgelijk, maar ik kon er niets tegen doen. Al die tijd ben ik een soort blanco vlak geweest waarop iedereen zijn eigen beeld kon invullen. Pas nu ik het contact met mijn lezers kan herstellen, word ik weer wat ik altijd wilde zijn, namelijk een schrijver en geen politieke vluchteling die zich moet verbergen in een gat in de grond.’
DEZE WEEK is het zeven jaar en vier maanden geleden dat Achmad Khomeini, de zoon van de Iraanse leider, via Radio Teheran namens zijn vader het religieuze doodvonnis uitsprak over Rushdie en iedereen die het waagde om de publikatie van zijn boek De duivelsverzen te ondersteunen. Elke gelovige die bij de uitvoering van dit vonnis het leven liet, zou 'als martelaar worden beschouwd en regelrecht naar de hemel gaan’, aldus het persbericht van 14 februari 1989.
Sindsdien kan Rushdie zich nergens meer in volle vrijheid vertonen, al is hij juist daardoor alom aanwezig op winkelschappen en in boekenkasten, in literaire tijdschriften en bijvoegsels, in discussies over mensenrechten en cultuurverschillen, en niet in de laatste plaats op internationale topconferenties die zich noodgedwongen met zijn 'affaire’ bezighouden zonder er raad mee te weten. Hij is, kortom, de Rabelais van de twintigste eeuw, bewonderd en verguisd om zijn oneerbiedige godsdienstkritiek en mogelijk gedoemd om de rest van zijn leven onder bescherming van de Britse autoriteiten door te brengen. Inmiddels is Khomeini overleden, maar de schrijver is meer dan ooit alive and kicking. En gelijk Rabelais slaat hij zijn fundamentalistische tegenstanders graag met hun eigen rechtlijnige opvattingen om de oren. Zo voldoet Khomeini’s veroordeling bijvoorbeeld niet aan de normen van de sji'itische rechtspraak, die voorschrijft dat een fatwa (godsdienstige verordening) in een document moet worden vastgelegd en ondertekend in aanwezigheid van getuigen. Rushdie: 'Voorzover we weten is er alleen dat persbericht en geen document. We zouden eigenlijk aan de Iraanse autoriteiten moeten vragen: Waar is die fatwa nou, laat eens zien dat ding!’
De schrijver is deze week op bezoek in Nederland op uitnodiging van zijn uitgever en het Rushdie Defence Committee Nederland. Op maandagmiddag voerde hij een ingelast gesprek met minister Van Mierlo in verband met de onderhandelingen tussen de Europese Unie en Iran, op dinsdagmiddag liet hij zich door Michael Zeeman, de kunstchef van de Volkskrant, publiekelijk interviewen in De Balie, om vervolgens zijn werk te signeren in een hoofdstedelijke boekhandel. Dit alles begeleid door persberichten en advertenties in de dagbladen, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
Tijdens de lunch op dinsdagmiddag, waarbij hij een aantal schrijvers en journalisten te woord staat, geeft hij vooral uiting aan zijn opluchting dat zulke manifestaties weer mogelijk zijn. Zijn nieuwe boek, De laatste zucht van de Moor (1995), verkoopt goed. De promotietournee voerde hem de afgelopen zes maanden door achttien landen, waar hij meestal in alle openheid met zijn lezers kon praten. In februari dook hij zelfs op in The Tonight Show van de Amerikaanse komiek Jay Leno, waar hij volkomen misplaatst was en dus met volle teugen genoot. Toch was het geen verloren uur voor de wereldliteratuur. Terwijl Rushdie zich manmoedig weerde tegen de hete studiolampen en deerniswekkende one-liners van de gastheer, schoten zijn ogen naar alle kanten. Je zag bij wijze van spreken in zijn hoofd nieuwe verhalen en absurde scenes ontstaan, waarvan wij straks in boekvorm kunnen genieten.
RUSHDIE VOELT ZICH ook innerlijk van de fatwa bevrijd. In De laatste zucht van de Moor brengt de verteller, Moraes Zogoiby (de ongelukkige), onder woorden hoe de schrijver zelf zijn beklemmende situatie te boven is gekomen: 'Door het onontkoombare te aanvaarden, verloor ik mijn angst. Ik zal u een geheim vertellen over angst: het is een absolutist. Bij angst is het alles of niets. (…) De opstand tegen de angst heeft eigenlijk niets te maken met “moed”. Er zit iets veel tastbaarders achter: de simpele noodzaak dat je verder moet leven. Ik hield op met bang zijn omdat ik, met mijn beperkte tijd op aarde, geen seconde mocht verliezen aan lafheid.’
Tijdens de lunch gaat hij nog een stap verder: eigenlijk is de fatwa zijn doel compleet voorbijgeschoten. Rushdie: 'De fatwa had een drieledig doel. In de eerste plaats was hij bedoeld om de publikatie van De duivelsverzen ongedaan te maken. Dat is mislukt, want het boek is overal over de wereld in grote aantallen verkocht. Ten tweede moest de fatwa mij, de auteur ervan, het leven letterlijk onmogelijk maken. Ook dat is mislukt, zoals u ziet. Ten derde was de fatwa bedoeld om mensen bang te maken. Dat is aanvankelijk gelukt, maar ook op dat terrein is merkbaar vooruitgang geboekt. Mijn geleidelijke terugkeer in het openbare leven bewijst dat.’
Daarentegen zijn de berichten van het diplomatieke front ongunstig. De Europese Unie heeft de afgelopen jaren niets bereikt in de 'kritische dialoog’ met Teheran, die was bedoeld om de Iraanse leiders te doen afzien van hun materiele steun aan tereurnetwerken in het Midden-Oosten en Europa en hen ertoe over te halen om het doodvonnis ongedaan te maken. De Iraanse overheid steunt onverkort bewegingen als Hamas en Hezbollah en weigert vooralsnog de fatwa in te trekken. De oorzaak van dit falen is niet moeilijk vast te stellen: follow the money. De belangen van het internationale bedrijfsleven in Iran zijn nog altijd sterk, niet in de laatste plaats vanwege de olie. Binnen de Europese Unie zijn het vooral Engeland, Frankrijk en Duitsland die serieuze boycotmaatregelen tegen Iran tegenhouden om de positie van hun bedrijven niet in gevaar te brengen. In april jongstleden, op de raad van ministers van Buitenlandse Zaken in Luxemburg, kwamen de lidstaten wederom niet verder dan wat vrome woorden en de belofte om de 'kritische dialoog’ met kracht voort te zetten.
Het officiele Nederlandse standpunt dat bedrijven en instanties die zaken doen met Iran het hunne kunnen bijdragen tot een verzoening, berust op drijfzand. Als bedrijven al in staat zijn om hun Iraanse gastheren te beinvloeden, verspelen ze daarmee in veel gevallen hun goodwill en gaan unieke investeringsmogelijkheden aan hun neus voorbij. Deze terughoudendheid werd op 14 februari jongstleden, tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van het Rushdie Defence Committee in Amsterdam, nog eens onderstreept door Harry Groen, voormalig bestuurslid van de Nederlandsche Credietverzekering Maatschappij (NCM). 'Ik ben er vandaag bij om de frustratie van me af te schudden, want zeven jaar geleden kon ik als voorzitter van de NCM mijn stem onmogelijk verheffen’, bekende hij toen. Individuele ondernemers brachten de zaak nog wel eens ter sprake tijdens hun bezoeken aan Iran, maar het bedrijfsleven als geheel maakt zich niet druk om Rushdies’ lot, aldus Groen, 'want je kunt nu eenmaal niet altijd als gidsende dominee door de wereld gaan.’
DE POLITIEKE SITUATIE in Iran is ook niet wezenlijk verbeterd onder de internationale druk, zelfs niet als gevolg van president Clintons recente oproep tot een wereldwijde economische boycot van het land. Hooguit heeft het regime zichzelf schade toegebracht door de economie te laten verkommeren onder het 'islamitische’ stelsel van staatssubsidies. De laatste jaren komen er steeds meer berichten naar buiten over hongeropstanden, onder meer in de hoofdstad, waar de politie vorig jaar tijdens een demonstratie tenminste tien mensen doodde en enige honderden anderen verwondde. Volgens het jaarboek 1995 van Amnesty International is de mensenrechtensituatie in Iran nog altijd beroerd. En het regime wordt onder invloed van de binnenlandse onvrede juist conservatiever, getuige de triomf van de meest orthodoxe groeperingen bij de zwaar gemanipuleerde verkiezingen van enkele maanden geleden.
Het ligt dan ook voor de hand dat de Europese Unie besluit om steun te verlenen aan de min of meer democratische oppositiebeweging, de Nationale Raad van Verzet in Iran, die onder Iraanse vluchtelingen in Europa en de Verenigde Staten goed vertegenwoordigd is en in de toekomst het kader voor een nieuw, democratisch bewind zou kunnen leveren. Maar zoals de laatste dagen duidelijk is geworden, overwegen de grote lidstaten integendeel een schaamteloos compromis met het huidige gezag in Teheran. In het kader van de 'kritische dialoog’ heeft Teheran naar verluidt een conceptbrief naar Brussel gestuurd, waarin Iran toezegt de uitvoering van de fatwa op te schorten, in ruil voor de erkenning door de Unie dat de verordening legitiem en onherroepelijk is.
De schrijver ontstak hierover begrijpelijkerwijs in woede en vroeg om een gesprek met minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken, dat op maandagmiddag plaatsvond. 'Ik voel me diep geschokt’, verklaarde Rushdie op weg naar het onderhoud: 'Het is toch pure komedie om de Iraanse leiders op hun woord te geloven. Het gaat om het uitroeien vanm staatsterrorisme, vrijheid van meningsuiting, en uiteindelijk om het recht van ieder mens om te lezen wat hij wil. Dit is ongrondwettig, onjuist.’
Tot zijn tevredenheid zegde Van Mierlo echter toe dat Nederland in elk geval nooit met een dergelijke formulering akkoord zal gaan. In een perscommunique van Buitenlandse Zaken wordt nog eens herhaald dat de Europese Unie niet mag instemmen 'met een formulering die op enigerlei wijze de indruk kan wekken het doodvonnis dat over Rushdie werd uitgesproken, te accepteren. Nederland zal hierop attent blijven.’
HET IS NATUURLIJK de vraag of de 'affaire’ kan worden opgelost langs diplomatieke weg, zelfs als Iran door de knieen gaat. Ayatollah Khomeini is niet de enige staatsman die de schijver dood wenste. Lang voor de publikatie van zijn Duivelsverzen (1988) heeft Rushdie de machthebbers in Pakistan, India en Bangladesh reeds hartgrondig beledigd in boeken als Midnight’s Children (1982) en Shame (1984). Ook al is Khomeini’s doodvonnis de brutaalste uiting van religieuze haat tegen Rushdie, het gevaar voor de schrijver is allerminst geweken zodra de fatwa wordt ingetrokken. De meest concrete dreiging gaat echter wel uit van de Iraanse veiligheidsdienst. Rushdie: 'Telkens wanneer ik in Engeland of op mijn reizen werd bedreigd, was de Iraanse geheime dienst daar aanwijsbaar bij betrokken. Zij zijn de enigen die het werkelijk op mij gemunt hebben.’
Maar de strijd voor Rushdies’ recht op vrije meningsuiting moet ook worden gevoerd op het Europese continent, waar de affaire tenslotte begon. De eerste gewelddadige protesten tegen De duivelsverzen ontstonden in het Engeland van Margaret Thatcher onder islamitische immigranten uit India en Pakistan, die doorgaans in zeer hechte gemeenschappen bijeen leven. In Dewsbury, een islamitisch getto nabij de vervallen industriestad Bradford, organiseerden imams eind 1988 de eerste openbare verbrandingen van het boek. Dewsbury is het Europese centrum van de voornaamste internationale islamitische beweging, de Djama'at al-Tabligh (Maatschappij ter Verbreiding van het Geloof). De Tabligh werd in 1927 in India opgericht door moslims die zich ongerust maakten over de 'besmetting’ van hun geloofsbroeders door het hindoeisme. De beweging wilde de 'afgedwaalden’ weer op het rechte pad brengen door middel van de letterlijke navolging van Mohammed en zijn prediking. Voor dat doel werd een compilatie van koranverzen over de profeet, de Tuin der vrome gelovigen, samengesteld.
Vandaag de dag doet de beweging nog altijd hetzelfde, maar nu op internationale schaal. Het eerste land dat De duivelsverzen verbood was India, waar de merendeels uit hindoes bestaande regering de moslim-minderheid, waaronder een machtige vertakking van de Tabligh, niet wilde provoceren. De voorzitter van het omstreden 'Britse moslimparlement’, Salim Siddiqui, die afkomstig was uit de Tabligh, juichte de fatwa van Khomeini onmiddellijk toe als een bevestiging van zijn eigen opvatting.
DE FRANSE HOOGLERAAR Gilles Kepel, die tientallen jaren onderzoek deed naar de diverse moslimgemeenschappen in Europa, plaatst in zijn boek La revanche de Dieu (1991) de affaire-Rushdie in dit perspectief: 'De Rushdie-affaire was de laatste poging van de in juni 1989 overleden Khomeini om op internationale schaal een djihad te ontketenen. Khomeini handelde overeen komstig het Iraanse beleid, in een tijd dat Teheran trachtte het ideologisch leiderschap over de islamitische wereld te herwinnen en de nederlaag in de oorlog tegen Irak te boven te komen.’
De hardnekkige weerstand van de Britse imams kwam echter voort uit andere motieven: 'Het boek van Rushdie was een ernstige verzoeking van de Indiaas-Pakistaanse jeugd die, wanneer ze zijn voorbeeld zou navolgen, zou kunnen verwestersen en zich via “godslastering” en “geloofsverzaking” onttrekken aan de sociale controle in de islamitische netwerken.’
Is Rushdie niet bang dat hij, ook na opheffing van de fatwa, nooit meer zonder gevaar voor eigen leven door de straten van Dewsbury kan lopen? Rushdie: 'Integendeel, ik heb de indruk dat het protest in Engeland wordt geleid door een heel kleine groep imams die de situatie uitbuiten in hun voordeel. De grote meerderheid windt zich helemaal niet op over De duivelsverzen. In Engeland kan ik mijn komst tegenwoordig al een week van tevoren aankondigen zonder gevaar te lopen. Hooguit staat er iemand op in het publiek om mij de huid vol te schelden, maar die gaat na afloop weer netjes zitten. Niemand bedreigt mij fysiek. Het is zelfs zo dat de islamitische radiozen der van Bradford kort na de verschijning van De duivelsverzeneen telefonische enquete hield onder de luisteraars, waaruit bleek dat slchts een procent van hen het standpunt van de Britse imams deelde. En de jeugd is helemaal niet ontvankelijk voor de haatpropaganda. De belangrijkste reden waarom de imams hebben geprobeerd om de pocketuitgave van het boek te voorkomen, is dat jongelui tegenwoordig hoofdzakelijk pockets lezen en geen dikke, ingebonden pillen. Ze kunnen De duivelsverzen nu gewoon in hun binnenzak mee naar boven smokkelen.’
Zelfs in sommige islamitische landen woedt momenteel een openbaar debat over de verdiensten van Rushdies’ werk. De Syrische hoogleraar filosofie Sadik Al-Azm, die zelf het onderwerp van diverse godsdienstige hetzes is geweest, prees in zijn prachtige essay 'The Importance of Being Earnest about Salman Rushdie’ de schrijver regelrecht de hemel in, als was hij een hedendaagse Voltaire. Eigenlijk is hij dat ook. Westerse cynici beweren dat het met Rushdie nooit meer goed komt omdat de islam - anders dan Europa - geen Verlichting heeft gekend en dus nooit dezelfde graad van tolerantie zal bereiken als het oude continent. Maar die verlichting vindt nu plaats. Rushdie: 'Ik heb Al-Azm een paar maanden geleden nog ontmoet. Het gaat hem niet alleen goed, maar hij vertelde me dat hij tegenwoordig zijn studenten college geeft over De duivelsverzen, zonder inmenging van hogerhand, en iedereen is er enthousiast over. Isn’t it flabbergasting?’
In het volle besef dat hij het oog van vele stormen is, verlaat Salman Rushdie de kamer en wijdt zich weer aan de simpele noodzaak om verder te leven.