Essay - De emotionalisering van de media

Het opdringerige heden

De media bedienen in toenemende mate het hart en de buik van de lezer en de kijker, met de rationele nuance als verliezer. Dit hoeft niet per se een probleem te zijn.

Medium groene nieuws hard

De eerste keer dat ik met een echte journalist te maken kreeg, was ik zestien. Het was 1980 en ons schoolkoor zou zingen bij de kroning van koningin Beatrix in de Nieuwe Kerk. Terwijl wij ijverig Mozarts Krönungsmesse instudeerden, maakte de Amsterdamse kraakbeweging zich op voor een heel ander soort viering. Krakers verzetten zich al jaren tegen de woningnood en de speculatie met panden en de maanden voor de kroning culmineerde dat in verscheidene gewelddadige botsingen met de politie. Er werden barricades opgeworpen alsof het oorlog was in de stad, er werd met stenen gegooid, de marechaussee zette zelfs militaire pantservoertuigen in. De kraakbeweging kondigde, onder de leus ‘Geen woning, geen kroning’, nieuwe rellen aan bij de inhuldiging van Beatrix, en de linkse media, in die tijd nooit te beroerd om een tegencultureel vuurtje verder op te stoken, schreven de maanden voor de plechtigheid het ene na het andere met de krakers sympathiserende stuk.

Zo kwam er bij ons op school een journaliste van Vrij Nederland langs. Ik werd, samen met een klasgenoot, door de leraren naar voren geschoven om met haar te praten. Wat wij van het aangekondigde kroningsoproer vonden, vroeg zij. Mijn klasgenoot zei ronduit dat de krakers tuig waren en dat ze wat hem betreft tegen de muur gezet mochten worden. Ik sputterde tegen. Zei dat woningnood natuurlijk een groot probleem was, maar geweld nooit de oplossing. Dat ik wel begrip kon opbrengen voor de woede van de krakers, maar niet voor hun methoden.

Toen de week daarop de nieuwe Vrij Nederland verscheen, las ik hoe mijn klasgenoot pontificaal werd geciteerd. Zijn uitspraak dat de krakers tegen de muur moesten, was eruit gelicht. Ik kwam in het hele stuk niet voor.

Dit was niet het moment dat ik bedacht dat ik later voor een genuanceerd weekblad wilde werken. Het was wel het moment dat ik voor het eerst inzicht kreeg in hoe journalistiek veelal werkt. Voor een goed verhaal zijn heldere protagonisten nodig. Hoe eenduidiger de stellingen die worden ingenomen, hoe beter. Nuance is sáái.

Ik zou het later nog veelvuldig meemaken, als ik door een redacteur van dienst werd gebeld of ik wilde aanschuiven bij een radio- of televisiedebat over het een of ander. Tijdens het voorgesprek werd mijn opinie gepeild en dan volgde maar al te vaak de teleurstelling: ‘U bent dus niet echt tégen.’ Goede tv, goede radio – die krijg je alleen als tegenstanders lijnrecht tegenover elkaar staan. Nuance is saai, dus eindigde zo’n voorgesprekje meestal met de gemompelde groet dat ze toch nog even verder gingen zoeken.

***

Eerst een relativering: nieuws is van oudsher een markt en journalisten weten al heel lang dat je klanten lokt met emoties. Aandacht voor misdaad en mirakels, boeven en baby’s bestaat al sinds jaar en dag. Maar onmiskenbaar is de emotionalisering van de media de afgelopen decennia flink toegenomen. Niet de leugen maar de emotie regeert. Om me tot Nederland te beperken: ten tijde van de verzuiling was de journalistiek doorgaans gebonden aan het oppergezag van de zuil. Het kon er fel aan toegaan, maar journalisten gingen nog vooral te rade bij autoriteiten en deskundigen van de eigen kleur. In de anti-autoriteitsjournalistiek die een vlucht nam met de ontzuiling, werden niet alleen alle gezagsdragers met argwaan benaderd, ook kwam er meer en meer ruimte voor ‘van-onderop’-journalistiek, voor de gevoelens en getuigenissen van ‘gewone’ mensen. Bovendien zorgden de stormachtige maatschappelijke veranderingen van de jaren zestig en zeventig ook voor een verbreding van de nieuwsagenda.

***

Sla nu een krant open en je ziet, zeker in het weekend, hoe op allerlei manieren onze emoties worden aangesproken. In grote reportages komen volop ‘gewone’ mensen aan het woord, vaak bewogen slachtoffers of gedupeerden. Er zijn de interviews met Bekende Nederlanders, die ontboezemingen doen over hun depressies, echtscheidingen, overleden geliefden, oftewel al het menselijke leed dat je maar kunt bedenken. In de weekendbijlagen vind je de ik-stukken waarin journalisten uitweiden over, zeg, hoe het is om op te groeien met een travestiet als vader of met een moeder met smetvrees, hoe een dodelijke ziekte je leven verrijkt en hoe kleine kinderen juist je leven vergallen.

Het zijn voorbeelden die, om met NRC-hoofdredacteur Peter Vandermeersch te spreken, uitdrukking geven aan de ambitie om niet alleen het hoofd maar ook het hart en de buik van de lezer te bedienen, een ambitie die inmiddels door alle kranten wordt gekoesterd. Maar kranten besteden niet alleen steeds meer ruimte aan zogenaamd ‘zacht’ nieuws, ook het ‘harde’ nieuws is vaak emotioneel gekleurd. Het zit hem vooral in de theatrale manier waarop er verslag wordt gedaan. De Haagse politiek die als sportwedstrijd wordt verslagen, met winnaars en verliezers, en altijd weer de speculatie dat een bewindsman – arme Ard van der Steur – of het kabinet binnenkort definitief zal struikelen. De misstanden die worden belichaamd door die ene bestuurder die het niet zo nauw heeft genomen met de regels, want naming and shaming is aansprekender dan het ontrafelen van structuren. De maatschappelijke thema’s worden gepresenteerd via protagonisten uit één stuk: de tegenstander van een asielzoekerscentrum is massief tegen, en alleen boos, de voorstander is louter voor, en heet elke vluchteling welkom. De polarisatie in de samenleving wordt zo weerspiegeld en ook versterkt in verhalen die juist de uitersten belichten.

Medium groene nieuws the 20movie

Die emotionalisering van het harde nieuws zie je terug in tendensen die alleen maar sterker worden: de nadruk op het conflict en de onthulling van schandalen; de sensationalisering, als het om grote rampen gaat; de subjectivering, bijvoorbeeld in de ik-stukken waarin journalisten uiteenzetten wat ingrijpend nieuws met hen zelf doet; de individualisering of personalisering van problemen. Hoe complexer de kwestie, hoe groter de behoefte haar op te hangen aan aanwijsbare, liefst bekende publieke figuren. Het maakt allemaal dat, hoe pijnlijk en belangwekkend de inhoud ook kan zijn, de grens tussen nieuws en entertainment vervaagt. Denk aan de voorpagina’s van de kranten na de terreuraanslagen in Parijs op 13 november, die soms veel weg hadden van de gestileerde affiches van rampenfilms. Denk aan hoe de recente onthullingen uit de Panama Papers het aanzien hadden van een schandaalkroniek over beroemdheden. Hoe dan ook is de sequel een beproefd procédé: breng het nieuws als spannend vervolgverhaal, elke dag weer een brokje nieuwe schande.

Charlie Beckett, hoogleraar media en communicatie aan de London School of Economics en oprichter van Polis, een denktank op het gebied van internationale journalistiek, is ervan overtuigd dat emoties steeds belangrijker worden in hoe nieuws wordt geproduceerd en geconsumeerd. De context is de volgende: meer dan ooit verdrinken we in een zee van verhalen. Naast de dagelijkse vloed van televisie en kranten is er de hausse van berichten op internet en de sociale media. Nieuws is overal, altijd.

Ik kreeg inzicht in hoe journalistiek veelal werkt. Voor een goed verhaal zijn heldere protagonisten nodig. Nuance is sáái

Volgens Beckett zijn er drie factoren die maken dat journalisten emotie steeds meer als gereedschap inzetten. De eerste is economisch. De competitie tussen media is heviger dan ooit, traditionele media moeten zich weren tegen de opmars van de nieuwe. De tweede factor heeft te maken met technologie. De digitale lezer kent geen geheimen: we weten wat hij aanklikt, waar hij doorleest en waar hij afhaakt. Die technologie levert het onomstotelijke bewijs dat emotionele signalen de aandacht van lezers en kijkers vangen en vasthouden. De derde factor is een beter begrip van de gedragswetenschappen en zelfs de neurologie, waardoor we weten dat mensen veel eerder reageren op emoties dan op ideeën en feiten.

In al die factoren zit zeker iets, maar de ontwikkeling die Beckett schetst is natuurlijk al eerder ingezet. Met de toenemende invloed van het beeld. Van de beroemde foto van het napalmmeisje uit 1972 tot die van de verdronken peuter Aylan aangespoeld op het strand van Turkije: beeld werkt veel sterker en eenduidiger op het gemoed dan tekst. Met de dominantie van televisie, die altijd al meer dan geschreven media inzet op conflict en personalisering. Met de eerder genoemde opkomst van de van-onderop-journalistiek en de aandacht voor de vox populi. En het laatste nog weer verder aangeblazen door de Fortuyn-revolte, waarin de media het verwijt werd gemaakt dat zij onvoldoende oog hadden voor het ongenoegen van de gewone man.

***

De manier waarop media omgaan met emoties doet mij denken aan de Pixar-film Inside Out. In die veelgeprezen animatiefilm van Pete Docter gaat het over het elfjarige meisje Riley dat met haar ouders verhuist van een lommerrijke buitenwijk in de staat Minnesota naar de grote stad San Francisco. Het is een triviaal verhaal: Riley heeft afscheid moeten nemen van haar vrienden, ze moet flink wennen aan haar nieuwe school, de eerste wedstrijd met haar nieuwe ijshockeyteam is een sof. Het echte drama vindt dan ook in haar hoofd plaats. In de film wordt dat verbeeld door een controlekamer waarin vreugde, boosheid, afkeer, angst en verdriet ieder voor zich op de knoppen proberen te drukken. Die vijf basisgevoelens zijn verbeeld door stripachtige figuren: vreugde is een hysterisch-opgewekte jonge vrouw in een geel jurkje, woede een bonkige rode driftkop en verdriet een blauwe huilebalk met een grote bril op haar neus.

In het hoofd van Riley zie je een oorlog der instincten. Haar gedrag wordt bepaald in die regie-cabine waar dan weer driftige boosheid angst probeert weg te drukken, dan weer vreugde probeert verdriet eronder te houden. Er is geen regisseur. Het verstand is afwezig.

Het nieuws lijkt maar al te vaak op Riley’s controlekamer. De basisinstincten strijden om voorrang; de rede speelt een ondergeschikte rol. Wat ook opvalt: ogenschijnlijk bestaan er maar een paar emoties, ze zijn enkelvoudig en staan lijnrecht tegenover elkaar. Het levert heldere verhalen op: onversneden woede strijdt tegen onbeperkt mededogen, afkeer tegen aanhankelijkheid, argwaan tegen goedgelovigheid. Dat gevoelens meestal veel gemengder zijn, dat de werkelijkheid veel complexer is, lijkt naar de achtergrond te verdwijnen.

Je zag dat bijvoorbeeld aan hoe verslag werd gedaan van de protesten in Steenbergen tegen de komst van een asielzoekerscentrum. Tijdens de inspraakavond in een sporthal zorgen honderden woedende mensen met hun gefluit, gejoel en geschreeuw dat er überhaupt niet gesproken kan worden. Eén inwoonster durft het in de kolkende hal toch op te nemen voor de vluchtelingen. Ze wordt uitgejouwd, met agressie overladen en door vier politiemannen naar huis geëscorteerd. Er wordt ook een baksteen door haar ruit gegooid en ze brengt haar kinderen tijdelijk elders onder.

De media schilderden het incident in heldere kleuren. Er is een eenzame heldin met een goed hart. Daartegenover een massieve haatdragende menigte. Later volgt de nuancering. De standpunten van de heldin en veel tegenstanders zijn au fond niet zo verschillend. Zij pleit weliswaar voor de opvang van vluchtelingen in Steenbergen, maar is tegen een groot azc met zeshonderd plaatsen. Tegenstanders vertellen dat ze geschrokken zijn van hun van woede vertrokken gezichten op de foto’s in de krant. Ze vinden ook dat vluchtelingen een menswaardige opvang verdienen, alleen niet in een grootschalig azc in hun kleine gemeente.

Hier past een tweede relativering. Jawel, de media brengen ook de nuance – maar wel vaak nadat eerst het schrille beeld is neergezet. Graag wordt de mantra herhaald dat ‘de’ media niet bestaan, dat er een levensgroot verschil is tussen de kwaliteitskrant en de onderbuik die je in sommige online media en op de sociale media aantreft. Dat is helemaal waar – en toch ook niet, want zeker als het om breaking news gaat is de mediastorm die opsteekt zo heftig, de aandacht zo massaal dat er geen ontkomen aan is en de enkelvoudige gevoelens de overhand krijgen.

***

Het heeft ook alles te maken met de toegenomen snelheid van het nieuws. De aanslagen in Brussel waren nog nauwelijks gepleegd of er begon een niet aflatende nieuwsgolf. Te midden van de slachtoffers, de glasscherven en het instortende plafond van de hal van het vliegveld deden de journalisten ‘live’ verslag – en dan zijn er zeker tien doden te betreuren, en even later zeventien. Het zijn allang niet meer alleen radio- en televisiejournalisten die op zo’n moment permanent ‘live’ zijn voor speciaal ingelaste nieuwsuitzendingen, ook de kranten brengen ‘live’ blogs en op de sociale media buitelen de berichten over elkaar heen. En voortdurend klonken de woorden ‘horror’, ‘paniek’, ‘dreiging’ en ‘terreur’. ‘Europa in het hart getroffen’, heette het al snel, en overal. ‘It was a terrorist’s wildest dream’, schreef Guardian-columnist Simon Jenkins in een reactie onder de treffende kop ‘The Scariest Thing about Brussels is Our Reaction to It’.

Misschien zijn onze reacties op pijnlijk nieuws hoe dan ook beangstigend. Ingrijpende gebeurtenissen roepen vanzelfsprekend emoties op, de journalistieke storm is de megafoon die de emoties versterkt. Bij de snelheid van het ‘live’ zijn, is het ook geen wonder dat de primaire gevoelens – angst, woede, verbijstering – in de verslaggeving overheersen. Er is nog niet de mogelijkheid afstand te nemen, te reflecteren en de dingen in perspectief te plaatsen.

In de meeste redactielokalen hangen grote beeldschermen: cnn en BBC News staan permanent aan, teletekst knippert de hele dag. Als er Groot Nieuws is, dromt er binnen een oogwenk een pluk redacteuren samen. Journalisten zijn net mensen: de opwinding flakkert meteen op. En boven op de gewone menselijke schrik is er meteen ook de journalistieke agitatie: hier moeten we wat mee, zo snel mogelijk.

Emoties worden als vijanden van de rede gezien, maar het is omgekeerd: emoties organiseren het rationele denken

Ik weet nog dat het nummer van het weekblad waar ik toen werkte vrijwel af was toen twee vliegtuigen zich in het World Trade Center boorden. Het was dinsdag, de laatste deadlinedag. Mijn kamer zat binnen de kortste keren vol, we besloten het nummer om te gooien. Stukken werden bedacht, columnisten en tekenaars gebeld of ze op het onheil wilden reageren. De rest van de dag was ik aan het redderen: overleg met de drukker over een verlate inlevertijd, overleg met de distributeur, met de uitgever, stukken lezen en redigeren. De beeldredactie had problemen met het binnenhalen van foto’s van de aanslag, want de fotobureaus lagen plat door de storm van aanvragen. Toen ik ’s avonds naar huis liep, gleed de hectiek van me af en besefte ik pas werkelijk dat er die dag iets was gebeurd wat de wereld de komende jaren zou veranderen.

***

Maar ook bij gevoelige maatschappelijke thema’s die niet breaking zijn zie je dezelfde overdaad aan media-aandacht en de dominantie van de enkelvoudige emoties. Denk aan de eindsprint in de verslaggeving de week voordat er gestemd moest worden voor het Oekraïne-referendum. De uitgesproken tegenstanders en voorstanders waren alom aanwezig en er ontstond een opgewonden sfeer als aan de vooravond van een finale van het Nederlands elftal. Denk aan de manier waarop media omgaan met populistische politici als Geert Wilders, en nu Donald Trump. Elke provocerende uitspraak, elk incident krijgt zoveel ruimte dat zij nauwelijks een campagnebudget nodig hebben. Zij weten hoe ze de media, happig op emotie, moeten bespelen en hoe ze steeds een stapje verder moeten gaan in hun provocaties om verzekerd te zijn van free publicity.

De vraag is natuurlijk waarom die emotionalisering in de media een probleem is. In de eerste plaats lijkt de gretigheid waarmee media op gepolariseerde onderwerpen springen – immigratie, integratie, islam – de polarisatie te versterken. In de tweede plaats werkt de nadruk op het conflict en schandalen, zeker als het om politiek en bestuur gaat, cynisme in de hand. In de derde plaats is het de vraag hoeveel nieuws gepaard aan hevige emotie wij kunnen verdragen.

In zijn recente boek Tijd: Hoe tijd en mens elkaar beïnvloeden stelt de Duitse filosoof Rüdiger Safranski dat onze tijd gekenmerkt wordt door presentisme. Doordat de media ons in real time vertellen wat er over de hele wereld gebeurt, leven we in een permanent gelijktijdig heden waarin we geen afstand van gebeurtenissen kunnen nemen. Hij geeft het mooie voorbeeld van de dichter Schiller die ten tijde van de Franse Revolutie hoort dat de koning ter dood is veroordeeld. Hij wil afreizen naar Parijs, de revolutionairen op een ander idee brengen. Maar het is al te laat, op het moment dat het bericht hem bereikt is de koning al dagen geleden onthoofd. Hoe anders is het nu. De media zijn verlengstukken van onze zintuigen geworden en we worden voortdurend gevoed met nieuwe prikkels.

Volgens Safranski zijn we inmiddels verslaafd aan sensaties en verlangen we een steeds hogere dosis opwinding. We worden daarbij met zo veel emotionele prikkels geconfronteerd dat we ze niet meer kunnen omzetten in handelingen. Maar we moeten toch iets met al die prikkels. ‘Men wordt gevoelloos, stompt af’, schrijft Safranski. ‘En toch zal de voortdurende opwinding wel sporen nalaten, ze slaat ergens in ons neer en vormt een haard van onrust met vrijbeweeglijke opwindingsbereidheid, slechts losjes met de betreffende objecten verbonden. (…) Zo ontstaat het opdringerige heden van een geglobaliseerde realiteit als opwindingstheater.’

***

Terug naar Inside Out. Bij het maken van de film werd gebruik gemaakt van de recente inzichten op het gebied van psychologie en neurobiologie. Zo legden de vooraanstaande psychologen die als adviseur bij de film betrokken waren in een opiniestuk in The New York Times uit dat onze emoties ons helpen de wereld te structureren. In de geschiedenis van het westerse denken worden emoties als vijanden van de rede gezien, maar het is omgekeerd: emoties organiseren het rationele denken eerder dan dat ze het ontwrichten.

De psychologen gaven wel toe dat ze liever méér emoties een rol hadden laten spelen in Riley’s hoofd, maar regisseur Docter had dat resoluut verworpen: meer dan vijf overzichtelijke karakters, dat was te veel voor goed drama voor alle leeftijden.

Inside Out is toch een subtiele film doordat, met dank aan de psychologen, duidelijk wordt dat emoties niet op zichzelf staan, geen rivalen zijn. Het kan wel zo zijn dat na een nare gebeurtenis eerst boosheid heetgebakerd op de knoppen van de controlekamer wil drukken, of dat verdriet zich snikkend naar voren probeert te dringen, maar uiteindelijk gaat het beter met Riley, leert ze vrede te hebben met de verhuizing, als de verschillende gevoelens samenwerken. Als vreugde niet verdriet en boosheid wegduwt, maar ze elkaar de ruimte gunnen. Van enkelvoudige emoties zijn ze zo samen in een complexe emotie veranderd.

Het is een inzicht waar de media misschien van kunnen leren. De emotionalisering laat zich niet meer terugdringen, dat zou zelfs niet wenselijk zijn. Of het nu in de hedendaagse filosofie is, de psychologie of de neurowetenschappen, in allerlei disciplines is er het besef dat emoties aanzetten tot maatschappelijke betrokkenheid. Media kunnen, net als Inside Out, iets laten zien van wat er in de hoofden van mensen omgaat, en daarmee aanzetten tot empathie.

Voor het artikel Journalism and the Power of Emotions, gepubliceerd in Columbia Journalism Review, hielden de auteurs meer dan zestig psychologische en neurowetenschappelijke studies tegen het licht. Wat blijkt? Ons brein is van nature tot empathie geneigd, maar ons inlevingsvermogen groeit aanzienlijk als we meer informatie over anderen krijgen.

In zijn boek Everyday Mind Reading laat William Ickes, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Texas, zien hoe ons vermogen ons in anderen te verplaatsen beperkt is tijdens een korte ontmoeting van zes minuten. De ‘magic time span’ is, ontdekte hij, dertig minuten: als ontmoetingen een half uur duren, kunnen we de ander net zo goed ‘lezen’ als onze goede vrienden. Tijd is kortom cruciaal voor empathie. Geen wonder dat het artikel in de Columbia Journalism Review uitmondt in een pleidooi voor journalistieke verhalen waarvoor de tijd en de ruimte is genomen.

Journalistiek heeft dus baat bij vertraging, want waarom zouden álle media zich in de ratrace moeten storten om de snelste te zijn? Maar vooral zouden journalisten de enkelvoudige emoties, het simpele verhaal met eendimensionale protagonisten, moeten wantrouwen. Dat bestaat alleen in fictie. En dan is het nog slechte fictie ook.


Dit is een uitgebreide versie van het dankwoord dat Xandra Schutte uitsprak bij het ontvangen van de Gouden Ganzenveer op donderdag 21 april