Twee getraumatiseerde bevolkingen

Het open einde van Oslo

Twee getraumatiseerde bevolkingen opgesloten in het duister van hun eigen gelijk, zo typeert Jozias van Aartsen, minister van Buitenlandse Zaken, het conflict tussen Israël en de Palestijnen. De internationale gemeenschap moet ervoor zorgen dat er een einde komt aan het bloedvergieten.

De belegering van het kantoor van Yasser Arafat in Ramallah en de Geboortekerk in Bethlehem, de verwoestingen en de doden in het Palestijnse vluchtelingenkamp van Jenin, bloedige zelfmoordaanslagen in Israël — dat zijn de beelden die het nieuws over het Midden-Oosten-probleem beheersen. Op het moment dat u dit leest, kan de aandacht zich hebben verplaatst naar een ander brandpunt. Maar aan het grote beeld zal dat weinig veranderen.

De afgelopen anderhalf jaar zijn wij getuige geweest van de geleidelijke teloorgang van wat sinds de akkoorden van Oslo het «vredesproces» werd genoemd. Tien jaar geleden leefde wereldwijd het gevoel dat de partijen in dit bijna honderdjarige conflict een beslissende stap hadden gezet, dat zij tot het besef waren gekomen dat joden en Arabieren, Israëliërs en Palestijnen, niets te winnen hadden bij oorlog. Dat er geen alternatief was voor wederzijdse erkenning, een politieke regeling, en vreedzaam nabuurschap. De handdruk van premier Rabin en Arafat onder het toeziend oog van president Clinton op het gazon van het Witte Huis symboliseerde dit historische moment. Het leek alsof de Rubicon was overgestoken. De onderhandelingen over een definitieve regeling zouden moeilijk zijn, maar over het uiteindelijke resultaat kon geen twijfel zijn. Rabin drukte het krachtig uit: «We zullen de terreur bestrijden alsof er niet over vrede wordt onderhandeld, en we zullen onderhandelen over vrede alsof er geen terreur is.» We hebben er hartstochtelijk in geloofd, in Nederland, in Europa, in de gehele wereld. Want de eigen verlangens naar vrede, redelijkheid en harmonie, hebben de christelijke, joodse, en islamitische culturen altijd geprojecteerd op het Heilige Land.

Dat moment lijkt nu ver weg. Arafat en Sharon hebben elkaar nooit gesproken of de hand gedrukt. De situatie waarin Arafat zich bevindt doet meer denken aan zijn belegering in Libanon, twintig jaar geleden ten tijde van de Israëlische inval in dat land onder leiding van de huidige Israëlische premier. Niemand kan ontkomen aan deze associatie en dat geeft al aan hoe ver de klok dreigt te worden teruggezet. Maar er is een verschil. Hoe de ontknoping van het huidige drama ook zal zijn, aan de herinneringen aan de perspectieven die de afgelopen tien jaar zijn geopend, valt in de toekomst evenmin te ontkomen. Het lijkt misschien of de geschiedenis zich herhaalt, maar deze keer zullen de gebeurtenissen een andere wending nemen. Welke wending, dat hangt ook van ons af.

De kans dat de partijen op eigen kracht de weg terug naar de onderhandelingstafel zullen vinden, is te verwaarlozen. Israëliërs en Palestijnen hebben zich ingegraven in hun versie van de werkelijkheid en de waarheid. De loopgravenoorlog strekt zich uit over alle terreinen. Iedere poging tot bemiddeling of waarheidsvinding wordt meegezogen in een draaikolk van haat en afwijzing van de tegenpartij. Ruimte om zich te verplaatsen in de belevingswereld van de ander is er nauwelijks meer. In deze situatie, waarin psychisch en fysiek getraumatiseerde bevolkingen zitten opgesloten in het duister van hun eigen gelijk, is grote individuele moed nodig om begrip te vragen voor de tegenpartij. Israëliërs als de journaliste Amira Hass van Ha’aretz, die woont en werkt te midden van de Palestijnen en die dagelijks rapporteert over de mensonterende realiteit van hun levensomstandigheden te midden van de Israëlische acties. Palestijnen als de Oost-Jeruzalem-vertegenwoordiger Sari Nusseibeh, die ondanks alles begrip kunnen opbrengen voor de angsten waarmee grote delen van de Israëlische bevolking leven. Hun werk dwingt bewondering af en kan de kiem leggen voor toenadering in de toekomst. Maar zonder hulp van buitenaf blijven zij roependen in de woestijn.

Het is daarom de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap, in de breedste zin, om te zorgen dat er een einde komt aan het bloedvergieten, de verwoestingen en de onderdrukking, en een weg te banen naar een hervatting van het overleg over een vreedzame regeling. Dat vereist actie op uiteenlopende fronten. De partijen moeten met elkaar in gesprek worden gebracht met als eerste doel een staakt-het-vuren en een Israëlische terugtrekking naar de posities van vóór het uitbreken van de intifada.

In de tweede plaats zullen snel conclusies moeten worden getrokken in antwoord op de vraag waarom Oslo schipbreuk heeft geleden. Nederland heeft zijn steentje bijgedragen in de internationale inspanningen om een economisch perspectief te creëren voor de Palestijnen en daarmee het draagvlak voor vrede te vergroten. Ook Israël had daar indertijd op aangedrongen, vanuit het inzicht dat alleen langs die weg duurzame veiligheid voor de Israëlische bevolking kon worden bereikt.

Veel van die inspanningen zijn nu letterlijk in rook opgegaan. De Israëlische acties van de afgelopen weken hebben zich niet beperkt tot het opsporen van terroristen. In feite is de hele Palestijnse Autoriteit systematisch afgebroken. In tal van dienstverlenende instellingen, zoals de ministeries van Onderwijs, Financiën, Burgerzaken, en in het Palestijnse parlement zijn grote vernielingen aangebracht. Moeizaam bijeengebrachte databestanden zijn verloren gegaan. Er is ook huisgehouden in kantoren van NGO s die zich inzetten voor democratie en die zeer kritisch stonden tegenover het bestuur van Arafat. Palestijnen kunnen slechts concluderen dat het Israël van Sharon geen Palestijnse staat duldt die de naam waardig is. De vraag dringt zich dus op, als straks een beroep op Europa wordt gedaan om de vernielde infrastructuur weer te helpen opbouwen, wie ons dan garandeert dat de hellecirkel niet van voren af aan begint. Dat de terroristische aanslagen niet worden hervat, gevolgd door escalerende Israëlische acties. Er kan geen sprake van zijn dat wij die weg opnieuw opgaan.

Een antwoord op de vraag waarom het fout is gegaan met Oslo wil ik alvast voor eigen rekening nemen. De fatale zwakte van het vredesproces was dat het eindresultaat van de onderhandelingen werd opengelaten. Achteraf bleek de hoop onrealistisch dat de partijen al doende voldoende vertrouwen zouden opbouwen om zich aan het grote werk te wagen: de vraagstukken van de grenzen, de nederzettingen, Jeruzalem, de vluchtelingen. Door zich niet uit te spreken over de contouren van de uiteindelijke regeling werd Oslo een makkelijke prooi voor de extremisten van beide kanten. En onder die extremisten versta ik Palestijnse groepen als Hamas, die Israël niet als joodse staat binnen de grenzen van 1967 willen aanvaarden, en aan Israëlische kant degenen die tegen iedere prijs willen vasthouden aan de Israëlische nederzettingen in de bezette gebieden en daarmee geen ruimte willen bieden aan een levensvatbare Palestijnse staat. De terroristische aanslagen, in eerste instantie van de radicale islamitische Palestijnen, en de onwil van achtereenvolgende Israëlische regeringen om een halt toe te roepen aan de sterke toename van de nederzettingen, hebben de oorspronkelijke goodwill aan beide kanten snel uitgehold. Wat wij vandaag zien is daarvan het trieste resultaat.

Het Oslo-proces heeft echter ook laten zien dat gematigde en ervaren onderhandelaars van beide partijen het eens kunnen worden over een politieke oplossing. Op basis van de ideeën van president Clinton hebben teams van premier Barak en Arafat in de Egyptische plaats Taba een blauwdruk ontworpen voor een alomvattende regeling. Maar dat was in de nadagen van de vorige Israëlische regering, toen de intifada zijn verwoestende spoor al door beide samenlevingen trok. Die blauwdruk is vervolgens aan een eigen diaspora begonnen. Nu is hij terug te vinden in uitspraken van Bush en Powell over een oplossing waarin de staten Israël en Palestina naast elkaar leven en waarin de vrede en veiligheid van beide staten zijn gegarandeerd. Het is terug te vinden in het Arabische vredesplan van de Saoedische kroonprins Abdallah, dat Israël vrede en normalisering van de betrekkingen met de Arabische landen aanbiedt in ruil voor een terugtrekking op basis van de lijnen van 1967Ë Het is een visie die is verwelkomd door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en die ten grondslag ligt aan de aanpak van het Kwartet (de secretaris-generaal van de VN, Rusland, de EU, en de VS).

De vraag is nu hoe de internationale gemeenschap kan helpen deze visie vanuit haar diaspora terug te verhuizen naar haar geboorteplaats in het Heilige Land. Op grond van de ervaringen in het verleden zou ik in ieder geval de volgende suggesties willen doen.

Laat ik beginnen aan Palestijnse kant. Israël draagt een grote verantwoordelijkheid voor de beperkingen en voortdurende vernederingen waarmee de Palestijnse bevolking moet leven. Maar het is ook een feit dat de Palestijnse Autoriteit schromelijk heeft verzuimd om zich tegenover de eigen bevolking te bewijzen op bestuurlijk gebied. Corruptie, gebrek aan transparantie, chaotische rechtspleging en volstrekt gebrek aan democratische medezeggenschap kenmerkten het tijdperk-Arafat. Erger nog, hij heeft geen geloofwaardige vuist kunnen maken in de bestrijding van terreuraanslagen die de Israëlische bevolking in angst gevangen hebben gehouden. De indruk is gewekt dat hij deze aanslagen heeft gedoogd of zelfs heeft aangemoedigd. Zijn huidige populariteit bij de Palestijnen heeft Arafat uitsluitend te danken aan het optreden van premier Sharon (omgekeerd kan hetzelfde worden gezegd). Voordien was Arafats populariteit gezakt beneden de dertig procent. Ook de Europese Unie draagt hier verantwoordelijkheid. Als het ware zelf gegijzeld door het vredesproces hebben donoren het niet aangedurfd om de Palestijnse Autoriteit op het punt van bestuurlijke en democratische hervormingen werkelijk voor het blok te zetten. Gezien wat toen op het spel stond of leek te staan, is dat niet onbegrijpelijk. Wanneer er een vervolg komt op de hulp bij structurele opbouw dient zeker te worden gesteld dat deze hervormingen gelijktijdig worden doorgevoerd.

Tegenover Israël moet duidelijk worden gemaakt dat bezetting geen optie meer is en dat Palestijnen dezelfde rechten hebben als die waarover Israëlische burgers beschikken. In dat kader is voor nederzettingen geen plaats. Volgens de Israëlische media heeft premier Sharon gesteld dat er geen ruimte is voor discussie, zelfs niet over de ontruiming van afgelegen nederzettingen. Ook na de verkiezingen in oktober 2003 zou dat onderwerp wat Sharon betreft niet bespreekbaar moeten zijn. Internationaal bestaat er echter volstrekte overeenstemming dat het nederzettingenbeleid zich niet laat verenigen met een politieke oplossing van het conflict. Het voortreffelijke Mitchell-rapport maakt dat overduidelijk. Indien Sharon bij zijn mening blijft, moet worden vastgesteld dat zijn regering niet is geïnteresseerd in een politieke oplossing. Ook dat kan niet zonder consequenties blijven.

Het is natuurlijk mogelijk dat extremisten politieke toenadering blijven saboteren door aanslagen en ander geweld. Die kans mogen we ze niet geven. Internationaal toezicht kan hier een rol spelen, om te beginnen bij het monitoren van een staakt-het-vuren overeenkomst. Het Israëlische leger, veruit het best bewapende en sterkste leger in de regio, is bij uitstek geschikt om Israël te verdedigen tegen bedreigingen van buitenaf, maar niet om eenzijdig veiligheidstaken onder de Palestijnse bevolking van de bezette gebieden uit te voeren. Het veiligheidsapparaat van Arafat heeft zich geen betrouwbare partner getoond in de bestrijding van terrorisme. In een situatie waarin een nieuw begin wordt gemaakt, op steviger grondslagen dan Oslo, zou internationale bétrokkenheid een waardevolle aanvulling kunnen zijn op de onmisbare bilaterale veiligheidssamenwerking van beide partijen. Voor de opbouw van die samenwerking zijn in ieder geval de Verenigde Staten onmisbaar. Dat is de eerste fase.

Vervolgens komt de opbouw van de Palestijnse infrastructuur, gekoppeld aan verregaande politieke en bestuurlijke hervormingen in de Palestijnse Autoriteit en bevriezing van de nederzettingen als onderdeel van een periode van afkoeling en stabilisering. Ontmanteling van nederzettingen en verdere Israëlische terugtrekking uit de bezette gebieden dienen parallel te lopen aan de hervorming van de Palestijnse politieke en bestuurlijke structuur enerzijds, en aan veiligheidsgaranties anderzijds. Het is immers onduldbaar dat een Palestijnse staat in opbouw een basis biedt aan elementen die Israël willen treffen met geweld en terroristische aanslagen. Op de langere termijn dient te worden gezocht naar oplossingen voor de kwesties van Jeruzalem en de vluchtelingen die tegemoetkomen aan de legitieme belangen van beide partijen en die leiden tot een formeel einde van het bestaande conflict.

Nauwe afstemming tussen Europa en de Verenigde Staten is een voorwaarde om te zorgen dat de verworvenheden van de Oslo-periode, waaronder de blauwdruk van Taba, terugkeren naar het Midden-Oosten. Nu leven zij alleen nog bij individuen als Amira Hass en Sari Nusseibeh. Onze hulp is nodig om ze geloofwaardig te maken voor de grote meerderheid van Israëliërs en Palestijnen die onder de juiste omstandigheden bereid zouden zijn ze te aanvaarden. Daar ligt de taak van de internationale gemeenschap.