Het open schedeldak van Jan Wolkers

Jan Wolkers,
Mondriaan op Mauritius.
Bezige Bij,
200 blz.,
338,50

EEN MAN ERFT de bibliotheek van zijn vader. In een van de nagelaten boeken vindt hij een spreuk die een diepe indruk op hem maakt, maar hij kan hem later niet meer terugvinden. Stapels boeken bladert hij door en hij ontdekt dat zijn vader bij passages die hij belangwekkend vond een bankbiljet van vijf, tien of twintig dollar tussen de pagina’s stak. Koortsachtig schudt hij vervolgens de boeken uit totdat hij tot zijn enkels in het slijk der aarde staat. Maar de belangwekkende uitspraak vindt hij niet meer terug: hij heeft de jacht naar geld zwaarder laten wegen dan het zoeken naar wijsheid.

Deze anekdote staat in Henderson the Rain King van Saul Bellow en hij wordt naverteld in ‘Schillerlocke’, het eerste essay uit Jan Wolkers’ bundel Mondriaan op Mauritius. Een 'vadermoord in optima forma’, noemt Wolkers de hebzucht van Bellows personage, deze vernietigt immers de geestelijke erfenis van zijn vader. En vervolgens vertelt hij dat hij zelf geen bankbiljetten in zijn boeken steekt, maar eenvoudige velletjes wc-papier. Niet dat hij na de aanschaf van een boek in de supermarkt een extra rol toiletpapier koopt, nee, hij leest ’s nachts in het kleinste kamertje van het huis en scheurt velletjes af bij bewonderde passages. Hij hoeft niet bang te zijn dat het 'bastion voor zijn geheugen’ dat hij zo heeft aangelegd instort door zucht naar geld.
Zijn angst ziet er anders uit: 'dat de executeur-testamentair na mijn dood door een vreselijke buikloop overvallen wordt (…) terwijl er geen toiletpapier in huis is, zodat hij met bibberende knieën en samengeknepen billen de vergeelde velletjes uit al mijn boeken ritst.’ Vele duizenden passages die hem lief zijn, zouden zo verdwijnen. 'Het zou zijn’, noteert Wolkers, 'alsof in mijn hersens honderden gangen met archiefkasten vol belangwekkende documenten dichtgeslibd waren.’
DIE ANGST voor vergankelijkheid, om het zo maar te noemen, keert in heel wat van Wolkers’ essays terug. Hij ziet niet meer, zoals na de dood van zijn broer die hij in Terug naar Oegstgeest beschrijft, de kloten van de dode onder de grond langzaam uiteenvallen. Hij is kortom niet zozeer bang voor het verval van de vitaliteit, van de bronstige levenslust. Zijn angst is in deze essays louter op het verval van de grijze cellen gericht. Dat was al zo in zijn vorige essaybundels, Tarzan in Arles (1990) en Rembrandt in Rommeldam (1994).
In 'Het vuur’, een scenario voor een televisiemonoloog dat is opgenomen in Rembrandt in Rommeldam, schrijft hij: 'Wat er werkelijk in je leeft kan je niet vastleggen of doorgeven. Ook al heb je het nog zo scherp gezien en zo intens beleefd dat het je je hele leven bijblijft. Je hersens zijn een uitpuilend pakhuis vol indrukken.’
En hij vertelt daarna hoe de oude Egyptenaren hun doden prepareerden: de hersenen peuterden ze met metalen haken stukje bij beetje door de neusgaten naar buiten en gooiden ze als blubber weg: 'Een wereld aan beelden, herinneringen en gedachten liep als gootwater de grond in.’
In 'De stroomversnelling’, het in memoriam voor Bert Schierbeek dat in Mondriaan op Mauritius staat, refereert hij kort aan de filmbeelden die van de aanslag op J.F. Kennedy bestaan. Daarin lijkt Jacqueline Kennedy in dierlijke paniek de hersenbrij van haar aangeschoten echtgenoot van de achterkant van de limousine bij elkaar te willen graaien, 'terwijl een mensenleven met al zijn beelden en emoties haar als modder door de vingers glijdt.’
HET STOND NOG zo optimistisch in Gifsla (1983), maar liefst vier romans had Jan Wolkers in voorbereiding: Waar eens LENTE stond, De onverbiddelijke tijd, De zetpil van de dood en Roomslurfje & Pondje Poep. Alleen De onverbiddelijke tijd verscheen in 1984, daarna heeft Wolkers geen roman meer het licht doen zien. Wel publiceerde hij nog sprookjes en fabels en, sinds Tarzan in Arles, essaybundels.
Nu is er vaak over de essays van Wolkers gezegd dat het helemaal geen essays zijn, althans als je van essays verwacht dat het beschouwingen over een 'onderwerp’ zijn, dat het verhandelingen zijn waar je iets van leert, waarin je tot een inzicht wordt gebracht. Als je de inhoudsopgave van zijn essaybundels bekijkt, zie je een bonte optocht van onderwerpen: Johnny Weismuller, Multatuli, Gorter, de bijbel, Van Gogh, de verhouding kunst-natuur, Rembrandt, Marten Toonder, de moederborst, tuinen, het boek in de beeldende kunst, socialisme en beschaving, Jac. P. Thijsse, sport, de dodo, God en Duivel, Panorama Mesdag, John Keats en nog veel meer.
Toch gaan Wolkers’ essays inderdaad niet over onderwerpen, kunstwerken of kunstbroeders; ze gaan over Jan Wolkers zelf. En over wanneer en hoe hij al die mooie dingen waar hij over schrijft, heeft leren kennen en hoe het verder ging.
Neem 'Rembrandt is Rembrandt’ uit Rembrandt in Rommeldam. Daarin doet Wolkers uitgebreid uit de doeken hoe hij 'de knapste Nederlander die ooit geleefd heeft’, heeft leren kennen: tijdens het wekelijkse koperpoetsen op zaterdagmiddag in zijn jongensjaren. Hij moest dan behalve kandelaars, de brievenbus en de koperen ringen die in de leeuwenbekken hingen die als knop aan lade en deurtjes waren bevestigd, ook het forse geelkoperen wandbord poetsen dat een klonterig reliëf van De nachtwacht weergaf. Maar goed dat hij als jongen verzot was op koperpoetsen, laat hij weten, anders had hij volop reden gehad om een gruwelijke hekel aan Rembrandt te krijgen. Later, toen hij in de oorlog aan de Leidse Schildersacademie ging studeren, bekeek hij boekwerken over Rembrandt en werd hij pas een echte liefhebber. In 1944 bevestigde hij zelfs stiekem een krans aan Rembrandts Leidse geboortehuis.
Of neem 'Icarus en de vliegende tering’ uit Mondriaan in Mauritius, waarin hij zijn mateloze bewondering voor John Keats bezingt. Keats leerde hij kennen toen hij in het begin van 1947 voor het eerst de zolderkamer bezocht van de jonge Zeeuwse die later zijn eerste vrouw zou worden en in haar schoolboek Engels bladerde. Hij was meteen verkocht, vooral door de ode 'To Autumn’. Nadat hij had gehoord dat Keats zijn gedicht over de herfst op 19 september 1819 had geschreven, herdacht hij voortaan op die datum die 'sublieme gebeurtenis’ - met champagne.
Volgt een beschrijving van zo'n herdenking eind jaren vijftig tijdens een roeitochtje met vriend en 'twee ongeletterde mokkeltjes’.
IN DAT ZELFDE 'essay’ over Keats bezoekt Wolkers een tentoonstelling die ter ere van de tweehonderdste geboortedag van de dichter in de British Library in Londen was georganiseerd. In een chic zaaltje waren wat verrimpelde documenten en getaande prullaria tentoongesteld. Allemaal heel aardig, maar, schimpt Wolkers, het is 'droog voer voor lieden die de vlinder pas gaan bestuderen als hij opgeprikt is. Als je de dichter wilt beleven moet je de ether laten staan. Als je de bloem wilt bewonderen kan je het herbarium beter gesloten houden.’
Het zijn, lijkt me, woorden die ook voor Wolkers’ 'essays’ opgaan. Dat wil zeggen: Wolkers wil helemaal geen keurige essays schrijven, verantwoorde intellectuele verhandelingen waar je 'wijzer’ van wordt, beschouwingen die 'droog’ en dood zijn. Het gaat hem, nu hij de zeventig is gepasseerd, om zijn hersenen, om het uitpuilende pakhuis van herinneringen in zijn hoofd, om het in leven houden van wat nog zeer levend is. Hij wil in zijn essays de executeur-testamentair met buikloop vóór zijn en de beelden, gedachten en citaten die in die amorfe kronkelige materie in zijn hoofd zijn opgeslagen, voor altijd vastleggen. Hij gaat daarbij verder dan de methode van de broze, vergeelde wc-papiertjes: hij wil niet alleen de 'belangwekkende passages’ bewaren maar ook de verhalen en anekdotes eromheen.
En hij gaat nog verder: hij graaft niet alleen de herinneringen op die ergens diep in de archiefkast van zijn geheugen liggen, hij laat ook het kronkelpad van de herinnering zien. Je kan zeggen dat de structuur van zijn essays gemakzuchtig is, al die grappige en onbenullige anekdotes, de losse invallen en terzijdes die elkaar opvolgen, al die autobiografische souvenirs en ongemotiveerde uitroepen van bewondering. Maar het is, stelt hij in het stuk over Keats, 'de bedoeling om de sluipwegen van het geheugen te traceren waarlangs men bij het onderwerp terechtkomt.’
'Icarus en de vliegende tering’ is inderdaad een soort landkaart voor de sluipwegen van het geheugen. Wolkers tilt er als het ware zijn schedeldak in op. Via Gorter die in De Groote Dichters Marx en Engels kapittelt omdat zij menen dat poëzie alleen door 'de materieele productieverhoudingen’ kan worden verklaard, komt Wolkers in dat essay op A. Roland Holst terecht, die hetzelfde verwoordt. Roland Holst doet hem weer aan Andy Warhol denken omdat zijn keukenkast was volgestouwd met ordelijk op elkaar gestapelde blikjes Campbell’s tomatensoep. Vervolgens maakt hij een zijstap naar Chris van Geel, ook een Bergense dichter per slot van rekening, die eind jaren veertig Karel Appel te gast had. Als Appel toen in de keukenkastjes van Roland Holst had gekeken, bedenkt Wolkers, had de Nederlandse schilderkunst wellicht een heel andere loop gehad.
En natuurlijk had Roland Holst ook een band met Keats: in een van zijn essays had hij geschreven over 'dien jonge dichter die, kort voor hij hier verdween, zei dat hij het gras al kon horen groeien en dat zijn naam in water geschreven was.’
JE KUNT WOLKERS voor de voeten werpen dat zijn 'essays’ soms nogal babbelend en melig zijn, dat hij weinig stof tot nadenken biedt, dat hij schaamteloos egocentrisch is en dat zijn proza soms wel heel stormachtig is en met veel loos spierballengerol gepaard gaat. Hij schrijft zogezegd wat woest in hem opborrelt; het is puur gevoel dat door zijn pen naar buiten vloeit. Maar als je dat alleen zegt, ga je voorbij aan de kwaliteiten van zijn stukken. Zijn enthousiasme is, hoe krachtpatserig het zo nu en dan ook is verwoord, aanstekelijk en de beschrijvingen van schilderijen en landschappen zijn zo levensecht dat ze op je netvlies worden gebrand.
In het openingsessay van Mondriaan in Mauritius betitelt Wolkers het geheugen als 'de speerpunt van de evolutie’. Hij beschrijft erin hoe de hersenen zich bij het ouder worden uitbreiden als gebladerte dat voor een schaduwrijk schimmenspel zorgt. Omdat het lommer soms zo duister is, lijkt het of sommige herinneringen er des te feller doorheen priemen. In Rembrandt in Rommeldam schrijft hij ergens dat de tijd een vergrootglas is dat steeds sterker wordt naarmate hij verstrijkt. Het zijn dan ook juist de vroege herinneringen, die herinneringen waarna heel veel tijd verstreken is, die oplichten.
Zo keert hij in veel van zijn 'essays’ terug naar zijn vroegste jeugd, naar de moederborst, de lagere school, de oorlog. Het zijn perioden uit zijn leven die ook in veel van zijn romans aan de orde zijn gekomen, maar Wolkers weet steeds net weer andere facetten te belichten. Net als in zijn romans zijn de terugkerende thema’s: de dood, seksualiteit, dieren en natuur, en de straffe opvoeding met de bijbel. Wat het laatste betreft: in 'In de schaduw van het voorlezen’ in Rembrandt in Rommeldam beschrijft hij hoe zijn vader, drie maal daags, na het eten uit de bijbel voorlas en hoe de woorden beeld werden. We keken, zegt Wolkers, in de jaren dertig al naar de televisie: 'Terwijl ik luisterde naar de stem van mijn vader staarde ik naar de muur boven het dressoir, waarop luttele decennia later inderdaad de Match-Line der eeuwigheid zou verschijnen, en zag, vooralsnog ongekaderd, hoererij en heiligheid, incest en wreedheid, wijsheid en diepe verdorvenheid, offeranden en slachtpartijen, in kleuren sprankelend als een dia, aan mijn geestesoog voorbijtrekken.’
Woord wordt beeld en beeld wordt woord, dat is wat in Wolkers’ 'essays’ gebeurt en hij doet dat zo dat de muur tussen schrijven en schilderen wordt geslecht. Als hij bijvoorbeeld het Panorama Mesdag, het grote ronde gezicht op Scheveningen, in woorden oproept, sta je eerst met de schrijver voor het schilderij, word je vervolgens het schilderij ingetrokken en voor je het weet, sta je werkelijk op een duintop en word je duizelig van het deinen van de zee, ruik je de teerlucht van de vissersboten en de geur van de netten en wapperen je haren in de wind.