Interview met Leo van Doesselaar

‘Het orgel heeft last van de babyboomers’

Aan organist/pianist Leo van Doeselaar werd de Sweelinck Prijs 2007 toegekend voor zijn grote verdiensten voor de orgelcultuur. ‘Ik ben een typische herschepper.’

Organisten zie je zelden, maar in de Nederlandse muziekwereld kent iedereen Leo van Doeselaar. Omdat hij al heel lang meedraait, veel doet en veel kan. Van Doeselaar behoort tot de zeldzame toetsenspelers die als organist én als pianist een carrière hebben opgebouwd. Naast zijn orgelopleiding bij Albert de Klerk studeerde hij even succesvol piano bij Jan Wijn. Net als zijn partner Wyneke Jordans, met wie hij sinds 1977 een pianoduo vormt; hun afstudeerprogramma speelden ze in 1981 samen. Tussen het organisten- en het pianistenuniversum gaapt een afstand, die vooral vanuit de pianofractie wordt gevoed door een zeker dédain voor de tegenpartij, en door het vooroordeel dat de disciplines elkaar in de weg zouden zitten. ‘Piano is een must voor de techniek en het gevoel voor dynamiek van een organist’, beaamt Van Doeselaar thuis in Hilversum. ‘Maar omgekeerd wordt inderdaad altijd gezegd dat orgelspelen schadelijk is voor je pianospel, in mijn geval ook omdat ik als organist begonnen ben.’ Hij ervaart dat anders: ‘Het ging voor mij in die zin op dat ik als organist aan de piano soms te veel en te bewust over dynamiek dacht. Maar wat dat betreft heb ik veel van Wyneke geleerd, die een echt pianobeest is. Anner Bijlsma heeft wel eens gezegd dat, als ze maar vroeg genoeg beginnen, tweetaligen nooit hoeven om te schakelen van de ene taal naar de andere, dat gaat allemaal een beetje vanzelf. Dat geldt ook wel voor mij.’

De organist en de pianist Van Doeselaar doen in veelzijdigheid niet voor elkaar onder. Zijn repertoire reikt van Gabrieli tot Rihm. Hij is geen specialist, maar verwierf wel de expertise van een specialist, zodat hij in de meest uiteenlopende kringen aanschuift. Dezelfde organist die komend seizoen in een Messiaen-programma het podium deelt met het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van George Benjamin, was continuospeler in barokensembles onder Philippe Herreweghe, Ton Koopman, Sigiswald Kuijken en Gustav Leonhardt; in september werkt hij mee aan een door Eric van Nevel geleide uitvoering van Monteverdi’s Mariavespers in de Leidse Pieterskerk, waar hij overigens vaste organist is.

Zijn dubbeltalent bezorgde hem een interessant cv en een drukke agenda vol cd-opnamen, duorecitals, orgelconcerten en meesterklassen tot in Rusland en China, plus een docentschap aan de Berlijnse Universität der Künste. Als organist is Van Doeselaar wat dr. Clavan was voor Keek op de week: de man die je moet hebben. Als een Nederlands componist van naam iets representatiefs voor orgel en orkest schrijft, is de kans groot dat Leo van Doeselaar de première speelt. Zodat het uiteraard Van Doeselaar was die in maart 1993 op het gerestaureerde Maarschalkerweerd-orgel van het Amsterdamse Concertgebouw het orgelconcert van Tristan Keuris ten doop hield, een van de zeldzame waardevolle bijdragen aan dit zeldzame genre.

De keerzijde is dat op straat weinigen Van Doeselaar zullen herkennen. Een duospeler, een organist; hoe goed ze ook zijn, ze worden geen sterren. Om de simpele reden dat ze ofwel het podium met derden delen ofwel fysiek onzichtbaar zijn. Daar moet een muzikantenego tegen kunnen. Van Doeselaar kan het. Zijn finest moments als organist beleeft hij ‘met iets groots van Bach op een groot barokorgel, in een prachtige akoestiek, niet te veel en niet te weinig – dat je dat mag doen. Laat ik niet overdrijven, maar dan heb je soms het gevoel dat je niet speelt maar gespeeld wordt. Dan weet je weer waarom je voor het orgel hebt gekozen.’

Deze maand valt hem de voor een organist ongebruikelijke eer te beurt twee avonden in het Concertgebouw te mogen vullen. Op 11 en 12 juli speelt hij op het Maarschalkerweerd-orgel, al dan niet begeleid door het Vlaams Radio Orkest onder leiding van Yoel Levi, een handvol orgelwerken die het isolement van de orgelcultuur illustreren in de zin dat niet-orgelmensen ze hooguit van horen zeggen zullen kennen. Het zijn Robeco-zomerconcerten, de Proms van het laagland, dus een kraker als Saint-Saëns’ Orgelsymfonie mocht niet ontbreken. Maar Tournemire’s Poème pour grand orgue et orchestre op. 38 voor orgel en orkest of Widors Symphonie op. 42 bis voor orgel en orkest (hij schreef ook tien symfonieën voor orgelsolo, dat u het weet) vormen voor concertgangers geen dagelijkse kost. Van Tournemire’s Poème, dat is opgedragen aan de Nederlandse pianist, organist en dirigent Evert Cornelis, bestaat zelfs geen plaat- of cd-opname.

Wat heel jammer is, zegt Van Doeselaar, wiens affiniteit met het Franse orgelrepertoire curriculair wordt onderstreept door het feit dat hij er na zijn opleiding in Nederland in Parijs speciaal voor in de leer ging bij André Isoir. ‘Het is sinds 1913, toen Cornelis het hier speelde met het Concertgebouworkest onder Cornelis Dopper, nooit meer in Nederland uitgevoerd, maar het is een mooi karakteristiek stuk. Het is een vroeg opus en veel profaner dan de latere Tournemire die Messiaen zo sterk heeft beïnvloed met zijn specifieke toon, zijn orgelcycli en zijn klankkleuren. Dat laatste is trouwens typisch Frans – alle Fransen geven heel precieze registratievoorschriften in hun orgelwerken, schrijven exact voor hoe je moet “trekken”. Qua stijl doet Poème me meer denken aan de laatste twee orgelsymfonieën van Widor, die een sterk wagneriaans stempel dragen, dan aan het werk van Louis Vierne. Het is luchtig, effectvol georkestreerd; vooral de balans tussen orgel en orkest is heel knap, dat is echt het werk van een groot vakman – terwijl hij in zijn geïnspireerde symfonieën, die een Tournemire-fanaat me laatst toestuurde, best lang van stof kon zijn. Die balans is overigens een van de problemen waar ik mee te maken krijg. Het Concertgebouw-orgel is overwegend hetzelfde gebleven, maar orkesten klinken nu twee keer zo hard.’

Goed, dat speel je dus ook. Net als Gabrieli, Ravel, Schubert op fortepiano’s, Bach en Wolfgang Rihm. Dat alles etende muzikantentype kom je bijna niet meer tegen.

Leo van Doeselaar: ‘Klopt. Maar ik wil er wel op wijzen dat er in Nederland mensen hebben rondgelopen als Anthon van der Horst en mijn leraar Albert de Klerk – musici die orgel en piano speelden, maar ook nog componeerden én improviseerden, alles op hetzelfde hoge niveau. Wat dat betreft ken ik m’n plaats; ik ben een typische herschepper. Improvisatietalent heb ik wel, niet zozeer in de zin dat ik spontaan iets verzin als wel omdat ik me snel aan de omstandigheden weet aan te passen. Heel snel de mogelijkheden van een orgel doorgronden, dat soort dingen. De omnivoren van vroeger speelden Bach wel hetzelfde als Max Reger. Dat kan nu niet meer. In een tijd met zoveel aandacht voor historische uitvoeringspraktijken moet je op dat vlak wel een tandje bij zetten. Doe ik ook.’

Waarom lijkt het orgel zo’n marginaal instrument in de hedendaagse muziekpraktijk? Terwijl – neem Bach – een aantal hoogtepunten uit het westerse repertoire voor orgel is geschreven?

‘Vroeger was een orgel – dan heb je het al over de vijftiende en zestiende eeuw – het modernste, indrukwekkendste en luidruchtigste instrument van de stad, het meest prestigieuze apparaat dat je je kon voorstellen. Je had klokkenspelen en weermannetjes, maar het orgel was met niets te vergelijken. Het was net een synthesizer. Je kon er een compleet orkest mee nabootsen, alle instrumenten, tot aan de menselijke stem toe – want de vox humana klinkt net zo. Verder: alle grote componisten tot en met Schumann hebben zich heel lovend over het orgel uitgesproken. Ze speelden ook allemaal orgel. Mozart, Beethoven, Haydn. De ellende is vooral geweest dat alleen in de lutherse kerken orgelconcerten plaatsvonden, ook in Nederland. In de katholieke kerk speelde het instrument een ondergeschikte rol en waren orgelconcerten uit den boze. Het eerste orgelconcert in Frankrijk was pas in 1878 en dan ook nog in een concertzaal, Trocadéro in Parijs. Reden te meer om Bach diep dankbaar te zijn voor het feit dat hij zulke geweldige orgelwerken heeft geschreven.’

Toch lijkt het orgelconcert op sterven na dood, al verzorg jij nu het ene optreden na het andere. Bolsward, Groningen, Leiden, Berlijn.

‘Ja, maar dat is de zomerperiode hè, het orgelseizoen. Maar het is waar wat je zegt, het relatief lage bezoekersaantal is een wereldwijd probleem. Behalve in het Oostblok. Ik ben in Rusland geweest; daar hebben ze vaak matige orgels in hun concertzalen en toch zit het er meestal vol, zelfs als er toegang wordt geheven. Maar in Europa is het een heel eigen cultuur, die nogal op zichzelf is komen te staan. Er zijn ook in Nederland plaatsen waar het wel goed gaat. In Nijmegen combineren ze orgelmuziek met ballet, film en moderne muziek, met behoorlijk succes. Op veel andere plekken is er minder publiek, al halen ze publicitair alles uit de kast. Toch is dat kleine publiek heel trouw, kundig en gemotiveerd.

Natuurlijk houdt het me bezig. Vooral omdat ik ook pianist ben. Een pianist telt altijd wél mee. Het orgel niet. Ik denk dat het orgel last heeft van de babyboomers. Die hebben misschien mede dankzij de kerken een moeilijke jeugd gehad en dus nare associaties met het instrument. Wat ik erg hoop is dat nieuwe generaties het orgel weer op zijn eigen merites gaan beoordelen.’

Een orgelconcert wordt nooit spannend om te zien. Het blijft een afstandelijk gebeuren, in die zin dat er geen contact is tussen de organist en zijn publiek.

‘Ja. En daarom vind ik het niet meer dan billijk dat met inzet van moderne middelen een beetje te corrigeren. We hebben dat eerder in het Concertgebouw met videobeelden gedaan. Bij een Messiaen-concert dat ik daar in februari 2008 geef willen ze ook met beeldschermen gaan werken. Wat ik ook wel doe is mondelinge toelichtingen geven, en samenwerken met koren en ensembles om het instrument letterlijk dichter bij de mensen te brengen. Met name de programmering zal met zo’n nieuw aan te boren publiek rekening moeten houden. Het orgelpark in Amsterdam vind ik een goed voorbeeld van hoe je het orgel in het reguliere muziekleven zou kunnen inpassen. Een nadeel is en blijft dat er aan een instrument altijd een gebouw vastzit.’

Dus een missionaris ben je wel.

‘Steeds meer. Ook in Berlijn, waar ik lesgeef. Daar is de situatie namelijk hetzelfde als hier.’

Hier valt het toch wel mee? In Nederland heb je nog een harde kern van orgelfreaks, meestal licht zonderlinge types, maar wel mannen die alles weten.

‘Ja, dat klopt wel een beetje. Albert de Klerk, mijn leraar, had er een mooie anekdote over. Hij geeft een orgelconcert in Nordhorn, dat voor de radio wordt uitgezonden. Na afloop gaat meteen de telefoon. De man aan de lijn zegt dat hij het concert gehoord heeft, en vraagt vervolgens: “Wat was het mensuurbeeld van de prestant?” Heel boeiende vraag natuurlijk, maar het gaat in zo’n geval toch om de muziek.’

Leo van Doeselaar, Vlaams Radio Orkest, Yoel Levi (dirigent), 11 en 12 juli, Concertgebouw Amsterdam. www.robecozomerconcerten.nl