Soestdijk, eenvoudig huis van Oranje

Het ouderlijk paleis

Paleis Soestdijk heeft vele Oranjes zien komen en gaan, en draagt nog altijd de sporen van de koninklijke bewoners. ‘Daar werd gespeeld, huiswerk gemaakt - net als bij onze leeftijdgenoten thuis - en wij holden er door de gangen die overigens wel erg lang waren.’ Een gebouw met een eigen majesteit.

‘HET KWAM WEL EENS VOOR dat koningin Sophie haar man in het openbaar tegensprak’, zegt de rondleidster van de Rijksgebouwendienst met een ondeugende knipoog. Het groepje bezoekers van paleis Soestdijk dat zich om haar heen heeft geschaard, glimlacht verwachtingsvol. 'En dat bij een koninklijk paar, stelt u zich eens voor - dat kón natuurlijk helemaal niet.’
Wij stellen het ons niet alleen voor, we weten dat het niet ánders kon. Koning Willem III was kleinzielig, dom en opvliegend. Doordat hij ook nog stevig dronk werd de vorst allengs de 'schrik van zijn omgeving’, aldus zijn hofarts Greidanus, die in een gedenkschrift verhaalt hoe Willem eens een zilverknecht van Soestdijk zo ruw de kamer uittrapte wegens het binnenbrengen van de verkeerde soepterrine dat de arme man zijn stem verloor.
Willems eerste echtgenote Sophie von Württemberg was daarentegen een ontwikkelde, welbespraakte vrouw die bijdragen schreef voor de Revue des Deux Mondes en correspondeerde met Napoléon III. Zij huldigde 'moderne’ opvattingen en steunde de liberale voorman Johan Rudolph Thorbecke in zijn pogingen om haar boerse gemaal in het constitutioneel korset te dwingen. Bij haar levenseinde nam Sophie vernietigend wraak op haar onwaardige echtgenoot door zich te laten begraven in haar huwelijkskleed, ten teken dat haar leven ophield op de dag dat zij hem trouwde.
De onverenigbaarheid van hun karakters is een van die dynastieke drama’s waarvan dit paleis in zijn 350-jarig bestaan soms het toneel en bijna altijd getuige is geweest. Helaas besteden de rondleiding en begeleidende tentoonstelling meer aandacht aan de huiselijke omstandigheden van de laatste bewoners. De gekozen beelden en anekdotes wekken de indruk dat 'Jula’ en 'Bernilo’ hier gedurende 65 jaar voorbeeldig lief en leed hebben gedeeld. De nadruk op hun alledaags bestaan maakt sommige bezoekers blind voor de on-Hollandse charme van het gebouw, zijn kunstcollectie en zijn schitterende tuinen. Zij gaan achteloos voorbij aan exquise Chinese vazen of Nicaise de Keysers portret van Anna Paulowna. Pas de aanblik van de paleiskeuken met zijn bestekkasten, prikbord en granieten gootsteen ontlokt hun kreetjes van verrukking. Zo gewoon! Alsof zij zich voorstellen dat de laatste koningin hier tussen twee formatiebesprekingen door een boterhammetje kwam smeren.
Het introductiefilmpje bij de rondleiding wekt onbedoeld de lachlust, juist omdat het zo krampachtig wil vasthouden aan die zogenaamd oer-Hollandse eenvoud van de Oranjes. We zien een korrelig filmfragment uit 1928 waarin koningin-moeder Emma, gezeten in een houten (!) rolstoel in de paleistuin, het volk bedankt voor haar geslaagde zeventigste verjaarsfeest: 'Kraach vil iek oe allen bedanken…’ Even later zien we prins Bernhard de Engelse les van zijn dochter Beatrix overhoren: 'Haff yoo learnt ze lesson for tomorrow?’ Er is geen ontkomen aan en niet alleen voor genealogen: het Nederlandse vorstenhuis is van meet af aan een dépendance van de Duitse adel geweest.
Daarmee is niets ten nadele van de laatste gezegd. 'De Oranjes en de cultuur is een hoofdstuk op zichzelf, dat zijn belang echter niet aan zijn omvang ontleent’, schreven Jan en Annie Romein in Erflaters van onze beschaving. Door de gestage import van Duitse edellieden en hun gevolg te Apeldoorn, Baarn en Den Haag straalde althans iets van de glans van dichters en denkers, humanisme, modernisme en wetenschappelijke brille van onze oosterburen op de Oranjes af. Er mag een flessentrekker of syfilitische monocle-drager tussen hebben gezeten, maar de Duitse inbreng was ronduit zegenrijk, zo niet voor Nederland, dan toch voor zijn vorstenhuis.

TOT DE VERHUIZING van koningin-moeder Emma naar Soestdijk in 1901 was er in het paleis geen sprake van huiselijke idylle, Hollands of anderszins. De drie Willems die Nederland gedurende de negentiende eeuw in naam en bij vlagen metterdaad regeerden, waren erfgenamen van een Ancien Régime dat door Napoleon in het hart was geraakt maar zijn stuiptrekkingen lang wist te rekken. Ze hechtten niet bijzonder aan ons land en aan zijn volk, wel aan hun titel en hun dynastieke voorrechten. En bij die titel hoorde ook een rits paleizen.
Het buitenhuis aan de Zoestdijck was rond 1650 door Willem Post gebouwd voor de Amsterdamse burgemeester De Graeff. Het had meer dan honderd jaar aan de stadhouders toebehoord en was in de Franse tijd genationaliseerd. Koning Lodewijk Napoleon vatte het plan op om het te verbouwen tot lustslot. Het was een van de gelukkigste projecten van deze beminnelijke, verlichte Fransman. De beste Nederlandse architecten en ontwerpers, zonder uitzondering Prix de Rome-winnaars, kregen opdracht de zware deftigheid van het burgermanshuis te doorbreken en er ruimte, licht en vorstelijke allure in te brengen. En daarin zijn ze wonderwel geslaagd, al dreigde de kering der krijgskansen op het Europese toneel even roet in het eten te gooien.
Nadat Napoleon was verslagen, kreeg kroonprins Willem - de latere koning Willem II - het paleis van de natie ten geschenke als beloning voor zijn aandeel bij Waterloo. Hij was een krijgsheld van Europees formaat dankzij zijn gewaagde manoeuvre in Quatre-Bras waardoor de Franse opmars fatale vertraging opliep. Dat hij ook nog een prachtige partij vond in de persoon van tsarendochter Anna Paulowna was eerder te danken aan het congres van Wenen dan aan zijn prestige. Een koninklijke traditie van eigen bodem bestond echter niet.
Dat bleek dadelijk toen Willem II de gedenknaald voor zijn overwinning op Napoleon liet oprichten aan het einde van de Koningslaan, een lange kaarsrechte laan tegenover het paleis. De obelisk is ontegenzeglijk een Napoleontisch symbool en de Koningslaan doet denken aan de vergezichten vanuit kasteel Compiègne dat door Bonaparte in zijn geheel tot een spectaculair uitzichtspunt voor Marie-Louise was omgebouwd. Evenmin was het toeval dat de plannen uit de Franse tijd weer te voorschijn kwamen. De ontwerpers - architect Jan de Greef en meubelmakers als Pieter Horrix en Gerrit Noordanus - werden in genade aangenomen en in staat gesteld het werk af te maken.
Anna Paulowna hield zielsveel van haar echtgenoot, een uitzondering in een tijd en omgeving waarin huwelijken op louter financiële en diplomatieke gronden gearrangeerd werden. Beiden waren verknocht aan Soestdijk en wensten dat dit zomerpaleis zowel de statuur als de intimiteit van hun verbintenis zou weergeven. In nauw overleg met Anna voltooide De Greef de halfronde vleugels aan weerszijden van het hoofdgebouw, aan de voorkant doorbroken door bevallige zuilengalerijen - neo-Grecque was destijds de term - en afgepleisterd in wit, alles naar het voorbeeld van het paleis van Pavlovsk waar zij haar jeugd had doorgebracht. Het ceremoniële hart werd de Stuczaal, een nog altijd indrukwekkende grote zaal direct achter de vestibule waarvan het plafond bestaat uit vakjes met daarin schitterend gestucte rozetten. Willem II kreeg zijn eigen 'Waterloozaal’ met een wandvullende schildering van Jan Willem Pieneman waarop de prins te paard zijn troepen aanvoert tegen Napoleon.
De vernieuwde inrichting in Empirestijl was à la mode en kreeg een exotisch tintje doordat de vorstin een entourage van grootvorsten, orthodoxe popes en Petersburgse hofdames meebracht. Gedurende de zomer genoot de devote Anna hier de volle aandacht van haar held; de ijdele Willem genoot vooral van de bewondering van zijn vrouw. Hun omgang bleef vormelijk naar de eis van hun tijd. Anna’s toewijding weerhield Willem er niet van affaires aan te knopen met Franse hofdames te Brussel. Anna beschuldigde op haar beurt haar echtgenoot ervan dat hij haar juwelen achterover had gedrukt om zijn schulden af te kunnen betalen. De koning volhardde in alle omstandigheden in zijn manhaftige pose, zelfs op Soestdijk. In gedachten zie je hem onder de adorerende blik van zijn vrouw tussen de plafondhoge spiegels en marmeren wandtafels van de Stuczaal struinen, rusteloos aan zijn onafscheidelijke Manilla-sigaartje trekkend tot het moment dat de paarden gezadeld zijn: 'Je serai de retour bien après le diner!’ Zijn verkwistende levensstijl, gevoegd bij zijn meelijwekkende pogingen om de Franse troon in te pikken en zijn hartverscheurende incompetentie in de Belgische kwestie, gaf hem een aura van luchthartigheid waarmee pamflettisten wel raad wisten: 'Champagne çi, champagne ça/ Ik ben de koning tralala.’

INTUSSEN DANKEN we aan die Frans-Russische symbiose onder Willem II een schitterend zomerpaleis, ingebed in een buitengewoon rijke paleistuin, waar sindsdien alle vorsten en hun echtgenoten korter of langer gewoond, de zomers doorgebracht of ten minste nu en dan gejaagd hebben. De Engelse tuin die vader en zoon David Zocher tussen 1815 en 1820 rond het paleis aanlegden, is in grote trekken behouden gebleven. Hij is opgebouwd rond de hofvijver met zijn golvende oeverlijnen en zijn entourage van bloemdragende heesters en schitterende hoge boompartijen, doorstoken met rode beuken, die duidelijk gedurende honderd jaar onberispelijk zijn onderhouden. Het is zonder twijfel nog steeds een van de mooiste parken van Nederland.
Na Willems dood werd Soestdijk nog jaren door Anna Paulowna bewoond. Zij herschiep het tot een monument voor haar overleden echtgenoot, compleet met een tafel waarop zijn degen en maarschalksstaf lagen, een replica van het Leeuwenmonument bij Waterloo en tal van grote en kleine schilderijen die zijn daden roemden. Ze richtte zelfs een aparte 'Leuvenzaal’ in ter nagedachtenis van de Tiendaagse Veldtocht, voorzien van vergulde rijkswapens, protserige overwinningskransen en het onvermijdelijke portret van - alweer - Willem II als nationale held.
Die inrichting had niet enkel particuliere betekenis. Ze markeerde een verandering in de rol van het koningschap die zich in heel Europa voltrok. Vorstelijke macht moest niet meer enkel op een titel zijn gebaseerd, maar ook op een veronderstelde lotsverbondenheid tussen volk en vorstenhuis. Om die omslag in ons land te bewerkstelligen, was de hand van alweer een buitenlandse dame vereist. De piepjonge Emma von Waldeck-Pyrmont, te elfder ure binnengehaald om de troonsopvolging veilig te stellen, mag met enig recht de redster van de Oranje-dynastie heten. Zij schonk Willem III niet alleen de begeerde erfgename, ze was vanaf zijn dood in 1890 tot aan de troonsbestijging van Wilhelmina in 1898 bovendien regentes. In die hoedanigheid was zij het eerste consciëntieuze staatshoofd sinds Lodewijk Napoleon.
Emma respecteerde nauwgezet de grondwettelijke orde. Zij reisde het land af om de monarchie weer een gezicht te geven, zette zich in voor zieken en minstbedeelden en beantwoordde eigenhandig brieven van onderdanen. De strenge, 'mannelijke’ opvoeding die zij haar dochter gaf, valt ongetwijfeld terug te voeren op haar Pruisische achtergrond, maar moet ook worden verklaard uit Emma’s scherp besef dat er na al die losbollen een robuuste persoonlijkheid op de troon moest komen. Tegelijk introduceerde Emma het 'huiselijke’ Oranje-aura dat we later met Juliana en met de typisch Nederlandse constitutionele verhoudingen zijn gaan associëren. En niet te vergeten met Soestdijk, want nadat zij ten gunste van Wilhelmina was teruggetreden, wijdde Emma zich aan de modernisering en openstelling van haar favoriete zomerpaleis.
Er werden gas, licht en stromend water aangelegd en Willems dronkemansgestamp maakte plaats voor zonlicht, muziek en goede manieren. De naargeestige Gotische Kamer van Anna Paulowna werd omgetoverd in een Empire Salon waar Emma graag een handwerkje deed met uitzicht op de hofvijver. Zij had een zeer burgerlijke voorkeur voor intieme 'zitjes’ met zelfgeborduurde kussens en wanden en tafels vol familieportretten, maar ze gunde schoonzoon Hendrik een art deco betegelde badkamer en ging zich zelfs te buiten aan een lichtzinnige rij palmpotten in de vestibule (die er altijd zijn blijven staan). De zuilengalerijen werden van glas voorzien zodat de omlopen als gewone gangen dienst konden doen. De enfilade (opeenvolging van kamers met de deuren in één lijn) was doorbroken, elke kamer kreeg een eigen bestemming. Daarmee deed de huiselijkheid zijn intrede in Soestdijk. Om de toegankelijkheid van de macht te benadrukken werden op sommige hoogtijdagen de buurtbewoners van hoog tot laag naar het paleis genood, op andere dagen bezocht de vorstin hen thuis. Ook de tuinen werden nu opengesteld. Het reglement dat de koningin-moeder liet opstellen, eiste slechts dat de wandelaars voor vorstelijke passanten opzij gingen en zich onthielden van oneerbiedigheden of onnodig lawaai.
Als regentes was Emma dik, kordaat en tamelijk ongenaakbaar geweest. Op Soestdijk slankte zij uit eigen beweging af en verkreeg zij de frêle gestalte die de oudste generatie zich herinnert van vooroorlogse bioscoopjournalen. En wellicht van persoonlijke ontmoetingen, want Emma zette de trend voor koninklijke verrassingsbezoeken, vooral in de ziekenzorg. Haar dochter en kleindochter hebben getracht dit paternalisme dieper te verankeren dan in louter liefdadigheid. Zij maakten graag aanspraak op morele superioriteit en een persoonlijk contact met 'het hogere’, zoals Wilhelmina het noemde. Het resultaat was, paradoxaal genoeg, dat Soestdijk een weinig vertrouwenwekkende stoet mystieke mompelaars, handopleggers en ongewassen fakirs voorbij zag komen. Ook voor het verjaardagsdéfilé op Soestdijk, dat onder Juliana een nationale gebeurtenis werd, legde Emma de grondslag.
'Wij beschouwden u als Moeder van ons groote huisgezin, het Nederlandsche volk’, sprak de echtgenote van oud-vice-president van de Raad van State Van Leeuwen in 1929 bij de overhandiging van het Geschenk der Nederlandsche Vrouwen aan Emma op het bordes van Soestdijk: 'En evenals een moeder hare kinderen begrijpt en met warme, liefdevolle belangstelling haar leven en arbeid volgt, zoo heeft Uwe Majesteit ons allen begrepen en uw geheele persoon gegeven om zich te verdiepen in hetgeen ons ter harte gaat.’ Emma’s ontspannen omgang met haar onderdanen maakte een onuitwisbare indruk op kleindochter Juliana, die bij zulke gelegenheden naast haar ouders op het bordes mocht staan. De koningin-moeder betuigde zich overigens die dag in haar antwoord 'innig dankbaar’ en 'diep getroffen’, een emotionele woordkeus waarin we moeiteloos die van Juliana uit later jaren herkennen.

DE PASGETROUWDE Juliana en Bernhard betrokken in 1937 de Baarnse vleugel terwijl Wilhelmina tot haar troonsafstand in 1948 de Soester vleugel behield. Nu werd duidelijk hoezeer Juliana Emma’s eenvoud en toegankelijkheid had verinnerlijkt. Zij dacht in Soestdijk 'op een dorp’ te wonen waar haar kinderen 'zoveel mogelijk een normale jeugd zouden hebben’. Inderdaad hebben Beatrix en haar drie zusters op Soestdijk een naar omstandigheden normale en beslist gelukkige jeugd doorgebracht. Beatrix was 'Trix’, ook voor het personeel. Op foto’s van hoffotografen als Paul Huf en Max Koot, maar ook van Bernhard zelf, is te zien hoe de zusjes op blote voeten door de tuin hollen, met kaplaarsjes aan in de plassen op de oprijlaan springen of onder de kerstboom cadeautjes uitpakken (overigens een Duits gebruik). Margriet had zelfs een omafiets; zij reed jaren rond op de Fongers van Wilhelmina, die zich op de fiets altijd 'zoo heerlijk onafhankelijk’ had gevoeld. Het was echt 'ons ouderlijk paleis’, schrijft Margriet in het gedenkboek Paleis Soestdijk, drie eeuwen huis van Oranje: 'Daar werd gespeeld, huiswerk gemaakt - net als bij onze leeftijdgenoten thuis - en wij holden er door de gangen die overigens wel erg lang waren.’
Het gezin at tweemaal daags gezamenlijk. Om half één werd het 'noenmaal’ gegeten, om kwart voor acht de 'avonddis’, beide aan een ovale tafel in het souterrain, direct naast de keuken. Niet alleen de tijdstippen, ook de tafelregels van het diner waren Frans. Om half acht werd een gong geluid, daarna had elk kind precies een kwartier om fatsoenlijk gekleed en met gewassen handjes aan tafel te verschijnen. Wie te laat kwam, moest bij de kok een boterham halen en die op zijn kamer opeten.
Soestdijk is in 1971 verkocht aan de staat op voorwaarde dat het koningspaar er levenslang mocht blijven wonen. Na hun dood is het overgedragen aan de Rijksgebouwendienst, die het tot 31 december van dit jaar openstelt voor publiek in afwachting van een nieuwe bestemming. Drie jaar lang mochten bezoekers onder begeleiding en in kleine groepen de appartementen van Wilhelmina, de Leuvenzaal, de Waterloozaal, de werkkamers van Juliana en Bernhard en de eetkamer en aansluitende keuken bekijken. De persoonlijke bezittingen zijn goeddeels verwijderd, maar er valt nog genoeg te zien. Je ziet de groeistreepjes van generaties Oranjes die werden bijgehouden op twee meetlatten in de voormalige kinderkamer van Wilhelmina, je leert dat het paleis in 1948 een telefooncentrale kreeg (voordien nam de koningin zelf op) en dat het personeel het humeur van de hoofdbewoners kon afmeten aan het aantal kamerbelletjes dat tegelijkertijd afging.
Uitgerekend in de Soester vleugel, waar Juliana de Hofmans-jaren in afzondering doorbracht met het opstellen van haar roemruchte pacifistische redevoeringen, hangen nu tientallen portretten van de prins-gemaal in martiale poses. Bernhard in zijn uniform van generaal der Grenadiers. Bernhard als vliegenier in Engeland, als luitenant-admiraal van de Koninklijke Marine en als opperbevelhebber der Strijdkrachten. De foto van Bernhard in het uniform van de Reiter-SS ontbreekt. Die foto, ooit in bezit van het Niod, bleek op een dag spoorloos verdwenen; alleen het onderschrift is bewaard gebleven.
De rondleiding gaat aan dit alles voorbij en voert ons naar de werkvertrekken van het paar. Het lichte van Juliana in bescheiden art deco en met groots uitzicht op de tuin. En het donkere hol van Bernhard waar de muren ooit vol hingen met zijn eigen kiekjes en de tafels bezaaid waren met zijn collectie van zestienhonderd olifantjes uit alle windstreken. Bernhard rookte veel pijp en hoewel de kamer opnieuw is behangen, weet de rondleidster een hoekje van het oude behang te tonen. Daarop ontwaren we de contouren van het stuur van de Ford Lincoln waarmee de prins in 1937 bijna dodelijk verongelukte, een memento dat sindsdien in zijn kamer hing: 'Zo bruingerookt waren de muren.’
Spreekster laat onvermeld dat hier soms een wel heel zware pijp is gerookt. Bijvoorbeeld op 29 april 1956, toen Bernhard gezeten aan dit bureau een van zijn oudste vrienden, de Britse royalty-verslaggever Sefton Delmer, vertrouwelijk inlichtte over het plan om Juliana tot aftreden te dwingen en haar in een psychiatrische kliniek te laten opnemen. Een heuse paleiscoup, uitgebroed tussen die infantiele olifantjes, terwijl het beoogde slachtoffer aan de andere kant van de dunne scheidingswand achter haar Bruynzeel-bureautje de staatsstukken doornam - zoveel huiselijkheid kan de Nederlander nu ook weer niet aan.
Met Claus von Amsberg deed een nieuw verschijnsel op Soestdijk zijn intrede: een intellectueel. Sinds Sophie was er geen fatsoenlijk boek gelezen, sinds Anna Paulowna niet meer goed piano gespeeld. Wilhelmina herkende het volkslied enkel doordat iedereen tijdens het spelen opstond, Juliana deed graag een puzzeltje en voor Bernhard was het kruiswoordraadsel van De Telegraaf een onneembare horde. Opeens zat daar aan de avonddis een bescheiden jongeman die Schopenhauer op zijn nachtkastje had liggen en ook nog verstandig over hem kon praten, althans wanneer hij niet door Bernhard met een ferme klap tussen de schouderbladen van zijn apropos werd gebracht.
Het was ondenkbaar dat het jonge paar met zijn professionele instelling en levensbeschouwelijke ernst op Soestdijk zou blijven hangen. Beatrix en Claus vestigden zich in paleis Noordeinde en trokken de nationale aandacht en het meeste hoge bezoek naar zich toe. De gangen van Soestdijk werden stiller, de dagen fletser terwijl de zuinige Juliana en de kouwelijk aangelegde Bernhard om strijd de knoppen van de radiatoren lager en hoger draaiden. Nooit werd de plaatselijke slager meer op zondagmiddag gebeld met de vraag of hij tien blikken knakworstjes bij de dienstingang kon afleveren.
Juliana had zich tijdens de oorlog 'bandeloos gelukkig’ gevoeld als balling in Canada; ze bewoonde er een doodgewoon huis en leerde wassen, strijken, koken en bedden opmaken. Paleis Soestdijk is geenszins gewoon en na haar troonsafstand was het haar vele maten te groot. Van het personeel bleven alleen de kruiperigste oudgedienden achter, als troost restten alleen de hoge bomen rond het paleis. Het is tegelijk meelijwekkend en o zo begrijpelijk dat zij in haar schemerjaren soms in nachtjapon door de paleistuin doolde, als een kind verdwaald in haar eigen sprookje. Als op een dag de betovering van het koningschap definitief zal zijn verbroken, dan is dat niet in de laatste plaats te danken aan de opeenvolgende bewoners van Soestdijk. Dit huis heeft hen allen zien bezwijken onder hun ontoereikendheid en er genadiglijk over gezwegen. Het heeft zijn eigen majesteit en zal, mits goed onderhouden, zowel Oranjes als republikeinen overleven.