Profiel: Het theater van de familie Tarenskeen

Het pad van de leeuw

Moeder Moniek Kramer is scenarioschrijver, vader Boudewijn Tarenskeen is componist. Lag het altijd voor de hand dat zonen Bo en Kasper ook voor het theater zouden kiezen? ‘Als je theater gaat maken moet er een soort arrogantie in je zitten: “Ik ga dit gewoon kunnen.”’

De familie Tarenskeen: Nadia Babke, Kasper, Jolanda van den Berg met Baruch, Bo met Ama, vader Boudewijn en moeder Moniek

Dit is hoe Bo Tarenskeen het vertelt: hij studeerde internationale betrekkingen en filosofie in Berlijn, hij haalde achten, soms negens, meestal zevens – ‘maar voor Indo’s tellen zevens wel zo’n beetje als cum laude’ – en zijn ouders begonnen zich zorgen te maken. Toen er zoiets als een aandrang naar een academische carrière ontstond, hield zijn vader het niet meer en sprak hij hem erop aan: ‘Leuk en aardig, dat gestudeer, maar wanneer ga je nou eens theater maken?’

In elke andere familie zou dit de omgekeerde wereld zijn, maar niet in de familie Tarenskeen. Bo en zijn jongere broer Kasper groeiden zo’n beetje op in de Stadsschouwburg, waar hun vader Boudewijn Tarenskeen de vaste componist was toen Gerardjan Rijnders de scepter zwaaide bij Toneelgroep Amsterdam. Nog geen honderd meter verderop schreef hun moeder Moniek Kramer de eerste lunchvoorstellingen voor Theater Bellevue, die nu zijn uitgegroeid tot een theatertraditie.

Inmiddels maakt Boudewijn gewichtig, modern muziektheater, zoals een eigen versie van Schuberts bekende Winterreise-cyclus. Moniek stapte over naar de filmwereld, schreef scripts voor films als Zadelpijn en Lucia de B.

En hun zoons zijn keurig in de rij aangesloten, kun je zeggen. Je kon de afgelopen jaren moeilijk Frascati, aan de Amsterdamse Nes, binnen lopen zonder een affiche van een van hun toneelstukken te zien. Bo’s stukken zijn filosofische essays in theatervorm, beheerste portretten van kwaadaardige denkers, zoals Speer, Kissinger en Heidegger. Die van zijn broer Kasper zien er eerder uit alsof iemand vijf emmers verf tegen een doek gooit. De hyperverbale personages in Buut, de naderende dood, ASSAD en La pretenza hebben geen idee hoe ze zich moeten verhouden tot de veranderende wereld – en of ze dat wel willen.

Bo, 38, is een goede om mee te beginnen. Hij werkt aan de Haarlemmerdijk, twee smalle trappen op. In de ene kamer staan boekenkasten – Heidegger, Wittgenstein, Arendt: zo’n beetje de hele canon. Een andere kast staat vol met de brandende kampongs van Rémy Limpach, met Couperus, Tjalie Robinson, en andere Indische geschiedenissen.

De andere kamer is nagenoeg leeg; alleen een tafel en stoel, beide ontworpen door zijn grootvader, Friso Kramer, dit jaar overleden.

Stel hem een vraag over zijn familie en hij barst los, in kalme volzinnen. Hij heeft namen, plaatsen en jaartallen paraat. Via zijn vaders kant is er een lange Indische geschiedenis, vol ontheemding. Via zijn moeder woont hij al zes generaties in Amsterdam – hij kan door de stad fietsen en de panden aanwijzen waar zijn voorouders woonden en werkten. Kunstenaars, architecten, ontwerpers. ‘Totale stadsadel – terwijl ik eruitzie als een allochtoon.’ Als dat al zo zou zijn, dan een allochtoon die het liefst in slank gesneden zwarte pakken loopt, en kreukloze overhemden. Hij moet heel goed kunnen strijken.

‘Op mijn achttiende wilde ik naar de kleinkunstacademie. Mijn vader lachte me uit: “Aaah, ga je grapjes maken? En liedjes zingen?” Ook mijn moeder vond dat te min.’

Uiteindelijk ging Bo naar de regieopleiding in Brussel. Hij maakte onder meer voorstellingen met psychiater Damiaan Denys (Wat is angst?, 2013), schreef voor Nasrdin Dchar Voor ik vergeet, dat op 4 mei 2016 werd opgevoerd in Carré in het kader van Theater Na de Dam, dat hij mede-oprichtte. En hij maakte zijn serie over ‘het kwade denken’: EICHMANN (2015), KISSINGER (2016), HEIDEGGER (2018) en SPEER (2019).

‘Dit waren mannen die intelligent waren en het kwaad beoefenden en dat kwaad voor zichzelf met rationele argumenten wisten te staven. Hun kwade beslissingen werden niet in kroegen genomen, of in donkere stegen. Maar op kantoren, ’s ochtends, met koffie. Ze staan voor een vraag die we nooit hebben kunnen beantwoorden. Hoe kan iemand als Kissinger, die als kind voor de nazi’s is gevlucht en als Amerikaanse soldaat bij de bevrijding van concentratiekampen was, zelf overgaan tot het laten bombarderen van honderdduizenden onschuldige burgers in Vietnam en Cambodja?’

‘Mijn stuk HEIDEGGER kwam eruit voort – dat Heidegger in zijn vroege werk zo mooi schrijft over ersein: hoe we in de wereld staan en met elkaar verbonden zijn op een pre-rationeel, pre-cerebraal, pre-linguïstisch niveau, maar dat hij toch losgezongen raakte van moraal. Daar heeft hij geen plek voor. Moraal gaat over denken en principes, terwijl je bij Heidegger denken kan zien als een defect. Je doet het alleen als iets kapot is en opgelost moet worden. Hij geeft het voorbeeld van houthakken: als het goed gaat dan “hakt het”, zoals “het regent”. Er komt geen “ik” aan te pas. Pas als je bijl kapot gaat moet je nadenken, er woorden aan geven en woorden bij hem zijn eigenlijk iets oneigenlijks. Ik denk dat je bij Heidegger iemand zo diep in zijn eigen denken ziet vallen, dat hij er niet meer uitkomt.’

Wat zeggen deze denkers over hemzelf? Het is niet een vraag waar hij uit zichzelf op in gaat. Zijn familie doet dat wel, in latere gesprekken. Zo herinnert zijn vader Boudewijn zich het gesprek over ‘dat gestudeer’ net even anders.

Boudewijn: ‘Ik vond niet dat hij zijn tijd verdeed op de universiteit. Maar Bo kan zich opsluiten in de theorie, verdwijnen in het cerebrale. Ik wilde dat hij zijn kennis en zijn nieuwsgierigheid naar filosofie en ideeën met ons zou delen op een manier dat wij er iets aan hadden. Kom nou uit dat donkere Duitsland en ga je ideeën nou eens vormgeven zodat wij weten wat je aan het doen bent. Als je er toneel van maakt worden die theorieën zacht, kwetsbaar en sensueel.’

Alle familieleden schetsen Bo als iemand die in het cerebrale kan verdwijnen. Toen hij als kind eens viel zei hij: ‘Geeft niet, het is maar mijn lichaam.’ Zijn vriendin, Jolanda van den Berg, met wie hij twee kinderen heeft, zegt dat toen ze hem net kende, Bo’s moeder vertelde dat hij als klein kind eens tegen zijn oma zei, out of the blue: ‘Gek hè Titi, ik ben Bo en ik besta.’

Bo: ‘Natuurlijk is elk kunstwerk een autobiografie. Ik denk dat al mijn stukken uiteindelijk gaan over afstand en toenadering: wat is contact, wat is intimiteit, hoe laat je iemand toe.’

Kasper Tarenskeen, 31, komt verregend en een klein beetje te laat binnen in een aangenaam koffietentje aan de Amstelveenseweg. Hij moest op de loodgieter wachten. Er is iets aan de hand waardoor zijn riool elke zoveel weken ophoest wat erin is gestort. ‘Heel erg humbling’, zegt Kasper.

‘Als kind zat ik in de zaal bij de voorstelling van mijn ouders en zelfs toen al vond ik het imposant. Je zit in de zaal te kijken en alle andere mensen gaan na afloop weg, door de deur, en jij mag het toneel op, als enige.’

‘Het was ook weirde shit. Mijn vader maakte supermoderne, onbegrijpelijke muziek. Dan keek je uren naar Dark Lady met Ramses Shaffy – ik had geen idee wie dat was toen – waarbij mensen eindeloos over het toneel dolen en er opeens een groen geverfde guy rondloopt met een takkenbos op zijn hoofd en een geel geverfde lul. Daar wen je niet aan. Maar je denkt wel: dit kan dus, dit mag, je kunt alles maken.’

Vanaf zijn zesde speelde Kasper viool, al was hij te dromerig om lessen te nemen. Uiteindelijk wilde hij gaan drummen – maar zijn hypermobiele polsen begaven het. Toen ging hij maar zingen. Niet dat hij dat ooit had gedaan, maar ‘uit een vreemd soort millennial entitlement’ dacht hij dat hij het kon. Zijn vader koppelde hem aan een bevriende zangleraar, en vervolgens werd hij toegelaten tot het conservatorium: ‘Ik was een saaie, brave rebel without a cause daar. Ik droeg een petje, ik luisterde hiphop, paste er niet bij. Ik leerde mijn theorie nooit – en niet eens op een coole, superieure manier. Elke week zat ik op mijn fiets op weg naar een tentamen en dacht: mijn god, ik weet niks. Erop terugkijkend kun je vast theoretiseren dat ik niet wilde werken omdat ik dan ook niet kon falen. Maar ik weet het niet, ik heb geen idee waar ik in die tijd mee bezig was.’

‘In de videotheek werd ik gescout door iemand van een modellenagentschap – Bo ging mee naar mijn auditie, omdat hij bang was dat ik in de handen van een internationaal pedofielennetwerk zou komen, maar nee, het bleek een echt professioneel modellenbureau. Een tijdlang deed ik af en toe een domme klus. Ik zou naar Milaan gaan voor de fashion week en ik kreeg van tevoren een kapsel door dat ik moest laten knippen. Een soort opgeschoren neonazikapsel. Prompt kreeg ik een blindedarmontsteking en in plaats van in Milaan belandde ik in het ziekenhuis. Ik dacht dat alle verpleegsters naar me keken en dachten: wie is deze Hitlerjugend?’

Het pad naar een diploma was te lang, en niets voor Kasper. Zijn modellenwerk zagen zijn docenten als een teken dat hij meer in die wereld thuishoorde dan in die van het conservatorium.

‘Als je je ideeën vormgeeft, er toneel van maakt, worden die ­theorieën zacht, kwetsbaar en sensueel’

‘Mijn vader vond het heel mooi dat ik op het conservatorium zong. Dus ik gaf hem de brief dat ik er vanaf was gestuurd en ben meteen weggegaan. We hebben elkaar een paar dagen niet gesproken. Uiteindelijk wilde hij afspreken in het Amstel Hotel. Geen idee waarom daar, maar hij zei toen tegen me: “Kas, wat jij nu gaat doen is jouw pad volgen, zonder hulp, en dat is het pad van de leeuw.” Mijn vader is niet echt een kletskous, maar dan opeens zegt hij zoiets. Het pad van de leeuw. Wat hij bedoelde was dat ik geen scholen meer moest opzoeken, ik moest het zelf doen. En daar had hij gelijk in.’

In de tussentijd was hij bevriend geraakt met Jan Hulst, die de regieopleiding deed. Een van de dingen die Hulst en hij gemeen hadden was een zekere afkeer voor het theater – voor de sociale mores, de keurigheid, de canon. Dus toen ze samen een eerste voorstelling maakten, voerden ze een relatiedrama van David Mamet op, maar dan met een acteur ingesmeerd met klei, als een naakte Vikingkrijger, ergens op de achtergrond.

De stukken van Hulst & Tarenskeen zijn, om een vreselijk woord te gebruiken: hip. Ook al heeft Kasper de gewoonte al te veel duiding van zijn stukken te vermijden, kun je die wel degelijk vinden, zegt Nadia Babke. In Buut, de naderende dood (2017) speelde ze een meisje dat liever het ideaal van een onvervulde liefde heeft, dan de liefde zelf. Na de voorstellingen kreeg ze een relatie met Kasper.

‘Er zit heel veel randomness in de stukken van Kasper; rare uitweidingen, liedjes, dingen die zonder reden lijken te gebeuren. Maar er zit een rode draad in. Die zit misschien niet direct in wat de personages uitspreken, maar wel in hoe de personages met elkaar omgaan. De hoofdpersoon van Buut wordt na het eten van een rare vliegtuigmaaltijd langzaam geel, maar niemand van de andere personages ziet het. Buut gaat over hoe we zozeer in onze bubbel zitten dat we het grotere geheel niet meer zien.’

De stap van muziek naar theater had meer met zijn broer te maken dan met zijn ouders, zegt Kasper: ‘Bo nam me mee naar voorstellingen waarvan hij vond dat ik ze moest zien, leerde me dingen, bracht theater veel dichterbij. Ik weet nog heel goed dat Bo me aan vrienden voorstelde en zei: “Dit is mijn broer.” Niet “broertje”. Ik was toen zestien en ik dacht: hee, hier is ineens iets heel erg veranderd. Dat is het moment dat hij besloot dat we gelijkwaardig waren.’

Hij vervolgt: ‘Volgens mij heeft ons werk juist wel heel veel met elkaar gemeen. Inderdaad, bij mij is het chaos, bij Bo orde. Bo heeft het over filosofie, ik over narcistische millennials. Bo denkt na en schrijft een zin. Ik schrijf veertig zinnen en lees ze terug en denk: wie ben ik in godsnaam? Maar het uiteindelijke doel is hetzelfde. Wat wij – en onze vader – gemeen hebben, is dat het nooit afgerond mag zijn; gedachten moeten in de lucht blijven hangen, geen statement maken. Ons publiek mag niet te veel handvatten krijgen, het moet zelf blijven nadenken. We verzetten ons tegen plot, want plot maakt het mysterie kapot. Voor mij is het leuke van theater dat je zelf geen mening hoeft te hebben. Want ik weet het niet. Ik ben een brok twijfel. Ik weet niet hoe de wereld werkt, ik zie alleen hoe hij verandert en ik wil personages bedenken die in die verandering mee moeten stromen.’

Tijdens het gesprek met zijn moeder, Moniek, zegt ze: ‘Als je theater gaat maken moet er een soort arrogantie in je zitten die zegt: “Ik ga dit gewoon kunnen.” Hoe je aan die arrogantie komt? Geen idee.’

Over iets soortgelijks begint ook Kasper, als het gesprek zo goed als afgelopen is. Hoewel hij voor de komende jaren meerdere afspraken heeft, wil hij er ook een tijdje uit, misschien in een restaurant werken: ‘Weet je wat het is? Ik ben al die tijd zo ontzettend arrogant geweest. Zo ongelooflijk blasé. Dat heb ik wel van huis uit meegekregen: natuurlijk stond je op toneel, natuurlijk maakte je stukken. Nooit doen alsof het eng is. Ik heb me zo lang overal doorheen gebluft, gedaan alsof ik wist wat ik deed. De laatste vijftien jaar ben ik alleen maar omgegaan met mensen die theater maken. Ik moet weer eens de echte wereld in.’

Overigens doet Moniek Kramer, 65, wel een suggestie waar bij haar die arrogantie vandaan kwam om zomaar te denken dat ze theater kon maken: ‘Misschien via mijn vader?’ Daarmee heb je meteen nogal een onderwerp beet. Toen Boudewijn Tarenskeen die ochtend de deur uitging, zei hij nog lachend tegen zijn vrouw: ‘Je gaat het toch niet over je vader hebben hè?!’

Maar dat doet Moniek Kramer dus mooi wel. Ze zit in de keuken van een intens gezellig huis vol kunst en boeken, twee doorgebroken dijkwoningen aan de Hoogte Kadijk. In de achtertuin loopt een kip en ergens verstopt zit een egel.

Die vader is Friso Kramer – decennialang een van de meest gerenommeerde ontwerpers; hij had solo’s in het Stedelijk, door hem ontworpen straatlantaarns stonden door heel Nederland. Begin dit jaar overleed hij, 97 jaar oud. Op zijn beurt was Friso weer de zoon van Piet Kramer, de ontwerper van de Haagse Bijenkorf en prominent vertegenwoordiger van de Amsterdamse School.

Ze vertelt er lachend over, alsof ze ook zelf verbaasd is: ‘Mijn ouders woonden in bij “tante Bep”, in een huis aan de Amsteldijk, naast Zorgvlied, met een boomgaard, een kippenren en overal water. Er hing een Cézanne aan de muur, er was een wijnkelder. Er kwamen kunstenaars over de vloer, schrijvers, ontwerpers; Ed van der Elsken schoot een lantaarnpaal stuk omdat-ie voor een foto last had van het licht. Toezicht was er nauwelijks; we zijn allemaal weleens bijna verdronken in de sloot en er allemaal door toevallige voorbijgangers uitgevist.’

‘Tante Bep kookte als een driesterrenchef, ze was de structuur in ons huis, streng, een baken. Mijn ouders zaten in sociëteit De Kring, hadden affaires. Mijn ouders hebben zulke vreselijke dingen uitgehaald; ze brachten ons naar een kindertehuis en zeiden: “We komen over tien minuutjes weer terug!” en gingen dan drie weken op vakantie.’

‘Mijn vader sprak in monologen – of niet. Een gesprek was niet mogelijk. En als hij over ontwerp sprak, over waarom een stoelpoot precies zo moest zijn en niet zo, verwachtte hij je totale interesse, hoe klein je ook was.’

‘Zijn persoonlijkheid, denk ik, is het meest beïnvloed door de scheiding van zijn ouders, mijn opa en oma. Piet moest naar een congres in Londen en toen hij terugkwam was het huis leeg en had mijn oma hun zes kinderen in zes verschillende huizen ondergebracht. Het werd een totale vechtscheiding.’

‘Pas veel later ben ik erachter gekomen dat mijn vader zijn vader de laatste tien jaar van zijn leven niet meer heeft willen zien: “Ik ben die man allang voorbijgestreefd.” Maar op het laatst, als ik mijn vader bezocht in zijn slaapkamer, hingen er twee grote foto’s: een van hemzelf en een van zijn vader. Niet van de kinderen, of kleinkinderen. Hij was – met zijn gemiste vader – het middelpunt van zijn eigen universum.

De geschiedenis herhaalde zich. Toen ze tien was gingen haar ouders uit elkaar. Weer een vechtscheiding; de kinderen weer als kanonnenvoer. Als tiener vluchtte ze het Amsterdamse toneelleven in. Het waren de jaren na Aktie Tomaat. Toneel werd opnieuw uitgevonden, overal werden nieuwe gezelschappen opgericht: Het Werkteater, Baal, het Publiekstheater. Op de regieopleiding maakte ze met onder meer Marlies Heuer, Vonne van der Meer en Gerardjan Rijnders het stuk Rien-va plus, waar ze Petra Laseur speelde als een hysterische zelftwijfelende actrice, die in de rol van Julia (van Romeo) werd geregisseerd door Hans Croiset (gespeeld door Gerardjan).

‘Wij, als arrogante tomaatgeneratie, vonden dat soort toneel heel tuttig toen. Later regisseerde ik Petra zelf, in mijn stuk Noorderzon. Het duurde even voordat ze in haar rol kwam, maar ze ging net zo lang door tot ze het fantastisch te pakken had. Ik kreeg een oneindig respect voor haar. Daar zit het dus in, dacht ik toen: het talent bestaat eruit dat je door blijft vechten. Tot het wel lukt. Kunst komt voort uit kunnen.’

Pas nadat ze van de regieopleiding was gegooid (de stijl was haar te brechtiaans, een keurslijf) vroeg Elsje de Wijn, die toevallig zonder rol zat: ‘Hee Moon, heb jij niet nog een stuk liggen?’ En dat had ik. Ik gaf haar de tekst van Een totnogtoe onvervuld verlangen. Tot mijn verbazing werd het een hit. Ik was opeens schrijver en won er de Perspectiefprijs mee.’

En in de tussentijd had ze dus Boudewijn Tarenskeen ontmoet. Bij Vrede van Aristophanes was Boudewijn gevraagd om de muziek te componeren. Een heel stille jongen, al had hij, zegt Moniek, tegen de tijd dat zij bij het stuk kwam al met alle actrices een verhouding gehad. (Boudewijn zegt later, schamper lachend: ‘Nou ja, ik was ook de enige man in de productie.’) Hij belde haar op om haar te vragen te gaan eten, zij kreeg een eindeloze hoestaanval. Door de telefoon hoorde ze hem een shagje draaien. ‘Boudewijn kan dat: je opbellen en vervolgens bijna niets zeggen.’ Ja, ze wilde wel met hem eten.

‘Voor de voorstellingen van Bo en Kasper ga ik door de grond. Ik ben misselijk. Je kijkt naar iets dat je zelf hebt veroorzaakt’

Boudewijn: ‘Al haar eerdere vriendjes waren ouder en beroemd, schrijvers en theatermakers. We kregen iets maar ik dacht: ik ben niets. Ik heb je niets te bieden behalve wat gevoelige muziek.’

Moniek: ‘Mensen zeiden tegen me: wat moet jij nou met dat jochie? Maar voor het eerst in mijn leven had ik het gevoel dat ik niets hoefde te zijn. Er was geen rol die hij me oplegde. Net als ik kwam hij uit een familie met een raar trauma – bij hem de ervaringen van zijn vader in een jappenkamp. Ik kon mezelf zijn.’

Waar de arrogantie vandaan komt dat je theater kunt maken? Moniek: ‘Misschien via mijn vader?’

Aan dat woord ‘trauma’ wil Boudewijn Tarenskeen, 67, niet helemaal. Hij zit aan dezelfde keukentafel, een week later. Markante kop, indringende ogen. Hij gniffelt op dezelfde manier als Bo. Van tevoren zeggen zijn gezinsleden: ‘Ga je met Boudewijn praten? Nou, succes!’ Maar dat blijkt eigenlijk alles mee te vallen.

Toen hij Moniek leerde kennen, was hij nog geen twintig jaar in Nederland. Hij groeide op in Nieuw-Guinea, kwam in het najaar van 1962 naar Nederland – ‘de winter van Reinier Paping, winnaar van de koudste Elfstedentocht ooit, drie maanden min tien’ – was een doelloze puber in Wageningen, die zich opsloot in zijn muziek. ‘Een autistische fase’, zegt hij nu. Terwijl zijn vriendjes elpees van The Rolling Stones kochten, luisterde hij monomaan naar klassieke muziek. Vivaldi. Hij wilde zelfs naar het seminarium: ‘Het afgesloten kluizenaarsleven sprak me aan, het Latijn, je richten op iets dat boven je is. Heel onmaatschappelijk. Uiteindelijk ging ik – geen idee waarom ik dit vertel – op volksdansen. En dat vond ik geweldig. Balkanmuziek, Israëlische muziek. Het werd geleid door een paar heel linkse mensen die me maatschappelijk bewust hebben gemaakt, over Vietnam. Ik vond de maatschappij ineens reuze interessant.’

Hij ging naar het conservatorium in Den Haag, waar hij les kreeg van Peter Schat en Louis Andriessen, rolde het muziektheater in, maakte filmmuziek voor Leon de Winter en Rudolf van den Berg, leerde Gerardjan Rijnders kennen, met wie hij al snel intensief samenwerkte. Boudewijn: ‘Het theater vond ik veel spannender dan de muziekwereld. Je werkt lang en intensief met elkaar samen. Je daagt elkaar uit, maakt ruzie. Acteurs vliegen elkaar in de haren. In mijn familie werd – daarom voelde Moniek zich er zo thuis – nooit ruzie gemaakt.’

Hij vervolgt: ‘Mijn oudste herinnering is paasnacht. Ik zat in een kathedraal in Nieuw-Guinea, in het pikkedonker. Ik was vijf of zes. Drie priesters in witte onderjurken lieten zich op de treden van het altaar vallen. Muziek zwol aan in de kathedraal, er werd gregoriaans gezongen. Die priesters bleven daar liggen. Het was zo archaïsch. Het gaf me een klap die ik nog steeds voel, daar heb ik mijn beroep aan te danken.

Mijn ouders woonden op Java, voor de oorlog. In 1946 of 1947 waren ze op verlof geweest in Nederland. Mijn vader ging eerder terug naar Indië dan mijn moeder, en vervolgens kreeg mijn moeder tijdens haar terugreis, op de boot ergens voorbij het Suezkanaal een morsebericht van mijn vader: “Kom maar niet. Ga maar linksaf naar Nieuw-Guinea.” Het was te gevaarlijk, tijdens de politionele acties. Ze zag haar thuisland niet meer terug.

Tijdens de oorlog belandde zijn vader in een jappenkamp. Dirk Willem. Hij smokkelde medicijnen, werd gepakt. Hij vertelde er nooit over, het bekende verhaal van het Indische zwijgen. Pas na zijn dood ontdekten we dat hij was gemarteld en in een dodencel had gezeten.

Ooit zat hij bij Soekarno in de klas, in Bandoeng. Hij was civiel ingenieur. Hij bouwde havens en stuwdammen. Toen hij besloot te vertrekken heeft Soekarno hem nog gevraagd te blijven, om het nu onafhankelijke Indonesië te helpen opbouwen. Hij weigerde; hij zei dat hij liever tweederangs burger was in Nederland dan tweederangs burger in het land waar hij was geboren.

Misschien ben ik het aan het ontkennen, maar ik voelde niet veel van een trauma. Eerder een trots. Toen mijn vader uit Indië vertrok is hij eerst nog langs Japan gegaan. Hij wilde de mensen daar leren kennen, terwijl die wonden nog vers waren. In Nederland duurde het lang voordat hij werk kreeg op het niveau dat hij had gekend; hij klaagde nooit, was niet geborneerd. Hij viel ons niet lastig met zijn demonen.

Ik heb een keer een heel beslissende droom gehad. Ik werd achtervolgd in een oerwoud door mensen met wapens, iets demonisch. En toen werd ik gepakt en ik viel op de grond en voor één seconde was ik mijn vader. Ik wist dat heel zeker. Dat was een waanzinnig mooi gebaar. Alsof hij me even liet zien wat hem is overkomen, maar dan binnen een droom. Dat was heel troostend. Toen dacht ik: laat maar zitten, ik ga hier geen werk van maken. Ik ga niet graven in zijn verleden, ik laat het rusten.’

Misschien omdat er een generatie tussen zit, heeft Bo juist die Indische handschoen opgepakt, zegt Jolanda van den Berg. Ze is nu zeven jaar met Bo, ze hebben twee kinderen, Ama en Baruch. Vanuit hun woning kijk je uit op een kade in Amsterdam-West. In de boekenkast fraaie edities van A.F.Th.’s ‘Tandeloze tijd’-serie, Oswald Spenglers Ondergang van het avondland, Heideggers Zijn en tijd. Thee wordt geserveerd in fragiele kopjes op schoteltjes.

Vanaf de bank kijkt Baruch toe, acht maanden oud, met een blik alsof het hem helemaal niets bevalt. In dat fronsen lijkt hij nog het meest op zijn oom Kasper.

‘Die Indische stempel van de familie is niet iets wat continu besproken wordt, maar in de omgang is hij niet te missen. Als we met zijn allen bij elkaar komen, noemen ze dat een ‘kumpulan’, als we eten wordt dat sota ayam. Toen Baruch werd geboren stelde Boudewijn heel tevreden vast hoe donker hij was. “Het is er een van ons!” riep Titi.’

Sinds 2014 werkt Bo aan een toneelstuk over de familiegeschiedenis, met als voorlopige werktitel Het Indisch perspectief – hij kreeg er het TheaterTekstTalent-stipendium van het Prins Bernhard Cultuurfonds voor. Het stuk is ook het grootste crisismoment in hun relatie.

‘Bo en ik hadden het er een keer over dat de Indische gemeenschap, net zoals bijvoorbeeld de joodse, een eigen herdenking heeft, en op die manier een eigen plaats in de geschiedenis en in de tijd heeft. “En ik dan?” zei ik op de fiets. “Ik ben zo Nederlands als het maar kan en ik heb dus niets om me aan vast te houden.” Die zin kwam letterlijk terug in Het Indisch perspectief – de rol van de Nederlandse Belanda hangt aan elkaar van opmerkingen die ik in de loop van de tijd heb gemaakt, vanuit mijn naïviteit of verwondering over dat Indische verleden. Dus toen er een betaalde lezing van het stuk in de Stadsschouwburg kwam, wilde ik die rol van Belanda, de blanke outcast in een Indische familie. Mocht niet. Bo wilde het niet. Hij weigert in de positie te komen waarin hij mij moet regisseren. Hij wil werk en privé gescheiden houden. Maar die rol ben ik!’

Bo, vanuit de keuken, terwijl hij een tosti maakt: ‘Ja, jij moest dat toen even accepteren.’

Jolanda: ‘Ik heb het verdomme nog steeds niet geaccepteerd!’

Is het moeilijk om zelf theater te maken wetende dat je ouders alles met een professionele blik bekijken? Kasper: ‘Mijn moeder komt na afloop direct met een lange analyse. Meestal is ze laaiend. Bij Bo is het complexer – omdat zij persoonlijker op zijn stukken reageert. Bo’s solo’s zijn meer naar binnen geslagen. Zij wil dat bij hem openbreken, ze wil dat hij communiceert.’

Boudewijn: ‘Voor de voorstellingen van Bo en Kasper ga ik door de grond. Ik ben misselijk. Je kijkt naar iets dat je zelf hebt veroorzaakt. Natuurlijk wil je niet je eigen ambitie op je kinderen projecteren, maar je wilt dat ze goed terechtkomen.’

Nadia: ‘Ze zijn in de familie totaal fan van elkaar, maar ze kunnen heel oprecht met een mening komen die losstaat van hun persoonlijke band. Toen ik haar net kende, vroeg Moniek wat ik van een voorstelling van Kasper vond, waarop ik heel braaf zei: “Geweldig!” Ze keek me aan en zei: “Echt?”’ Jolanda, lachend: ‘Als ze het goed vinden moet iedereen dat weten. En als ze het niet goed vinden… dan moet ook iedereen het weten.’

Bo: ‘Maar het belangrijkste is: mijn ouders zijn altijd eerlijk. Ze zeggen nooit zomaar iets.’

Wanneer gaan de twee broers eens een toneelstuk maken? Het antwoord wordt altijd ironisch omzeild. Deze keer zegt Kasper dat hij vooral met Bo wil werken ‘omdat hij een heel vette maker is, en een intimiderende denker’. 2022, zegt hij. Bo: ‘Lijkt me een mooie datum.’