Het Migrantenmuseum

Het pak

Muhlis was een man die op de sneeuw wachtte om eens goed te wandelen buiten. Zolang het niet sneeuwde zat hij binnen kleren te maken of hij hield zich bezig met de dagelijkse dingen zoals eten en boodschappen doen. Niet dat hij bewust zat te wachten op de sneeuw zodat hij kon gaan wandelen. Maar het gebeurde soms dat het sneeuwde en Muhlis trok de door hem zelf gemaakte dikke jas aan en begon aan zijn wandeling.
Heeft een man met een hart dat verscheurd is door verdriet enige andere keuze dan beter en beter worden in zijn vak? Een meesterwerk is geen meesterwerk als het niet gestreeld is door het lijdende hart van zijn schepper. Welk brein is creatiever dan het brein dat de verzengende pijn wil vergeten?
Om een lang verhaal kort te maken: Muhlis leed en zolang hij bezig was de kleren te maken die beter waren dan de laatste die hij had gemaakt, vergat hij die pijn. Hij was een tengere man met kleine ogen. Een machtige snor droeg hij. Een man met een mooi gezicht, dat wel.
Deze Muhlis werd op een gegeven moment zo goed in het maken van mannenkleren dat migranten in de rij stonden voor jassen, broeken en bloezen die door de ‘kunstenaar’ Muhlis gemaakt waren.
Maar niemand wist dat zoals de opa van Pinokkio aan Pinokkio had gewerkt, Muhlis stiekem aan zijn eigen meesterwerk werkte. Hij werkte aan een mannenpak van glanzende stof. Een pak dat noch prins Claus noch zijn zoon Willem-Alexander ooit aan heeft gehad. Een pak dat elke vrouw zou willen aaien alvorens de minnaar er langzaam van te ontdoen. Een pak dat zou vertederen en van elke despoot een vergevingsgezinde engel zou maken. Want trok je eenmaal dit pak aan, dan zou je tot aan je botten voelen dat de zin van het leven liefde was. De liefde waarmee het pak was gemaakt zou namelijk langzaam naar het hart van de drager van het pak glijden.
Muhlis begon aan het naaien van dit pak toen hij wist dat hij er klaar voor was. Hij dacht aanvankelijk dat hij het karwei in drie maanden zou klaren, maar het heeft wel meer dan vier jaar geduurd. En toen hij klaar was, wachtte hij op de sneeuw. Het sneeuwde uiteindelijk in de eerste week van januari. Het jaar was 1987. Muhlis wandelde in de sneeuw dezelfde route als altijd. Na anderhalf uur wandelen kwam hij bij de tuin van het huis. Het pak had hij bij zich. De vrouw en de man keken uit het raam naar buiten. De vrouw zei: ‘Daar is hij weer.’ Haar man zei: ‘Zal ik de politie bellen?’ De vrouw antwoordde: ‘Nee, hij gaat wel weer weg zo.’
Binnen zat de jongen zijn huiswerk te maken. De jongen was al negen jaar oud en had de ogen en het haar van zijn vader die buiten met het pak in een plastic tas onder de sneeuw stond te wachten. De kleermaker was bezig met het meten van de twee soorten pijn. Was het pijnlijker om een zoon te zien die onder de hoede van een andere man opgroeide of was de pijn erger wanneer hij nu weer wegging, zonder het pak aan zijn zoon te geven? Hij heeft niet kunnen aanbellen die dag. De vrouw kreeg gelijk. Hij verdween weer in de sneeuw.
Het pak staat in het Migrantenmuseum. Om aan al die zonen en dochters te laten zien dat hun vaders van hen hebben gehouden. En hoe.
Nu zijn die jongens en meisjes, producten van gastarbeiderszaad, volwassenen geworden. Als geen ander weten ze waarom de kleermaker alleen wandelde als het sneeuwde. Zelf hebben ze het namelijk ook. De wolf in het lichaam huilt het beste wanneer het sneeuwt. Dat weten ze.
Soms komen ze naar het Migrantenmuseum om naar het pak te kijken dat door Muhlis is gemaakt. Eentje zei laatst: ‘De echte liefde is die van de vaders. De vrouw weegt en wikt te veel bij het liefhebben. Waarom denk je dat de mannen de grootste meesterwerken produceren? Het is omdat ze van hun kinderen houden.’
‘Heb jij het haar en de ogen van je vader?’ vroeg ik hem. Hij knikte bevestigend. ‘Net als de zoon van de kleermaker’, zei ik toen.