Het paperclipmysterie

VORIGE WEEK verscheen het boek Leiden in last, waarin vijf auteurs het opnemen voor René Diekstra, de Leidse psycholoog die vorig jaar, na een spraakmakende reeks artikelen in Vrij Nederland, als plagiator werd ontmaskerd. De rector van de RU Leiden stelde een onderzoekscommissie in, bestaande uit de Groningse hoogleraar psychologie Hofstee en de Leidse hoogleraar staats- en bestuursrecht Drupsteen. Deze commissie kwam tot de bevinding dat Diekstra in zijn populair-wetenschappelijke werk verschillende malen plagiaat had gepleegd en constateerde één geval van plagiaat in een wetenschappelijk werk. Kortom: ‘De Commissie komt tot de slotsom dat de positie van prof. Diekstra als hoogleraar niet houdbaar is.’ Diekstra nam op 8 december zijn ontslag als hoogleraar.

Bijna een kwart van de bundel Leiden in last wordt ingenomen door een artikel van emeritus hoogleraar klinische psychologie Jan Dijkhuis. Dijkhuis waagt zich aan een partijtje moddergooien dat een weinig waardig beeld geeft van een emeritus hoogleraar. Met name prof. dr. G.A. Kohnstamm, ook klinisch psycholoog te Leiden en voormalig collega van Diekstra, moet het ontgelden. Dijkhuis citeert bezorgde privé-faxen van Kohnstamm aan Nelly Diekstra, de vrouw van. Verder suggereert Dijkhuis er zo op los: samen met zijn vrouw Rita, hoofdredactrice van het blad Psychologie, moet Kohnstamm in het complot hebben gezeten om, via een bevriende journaliste van VN, de zo succesvolle en dus gehate Diekstra ten val te brengen. Hoog boven al die rancuneuze, kleinzielige slechtigheid aan de Leidse universiteit zweeft de begaafde onderzoeker Diekstra, populair onder de studenten: ‘Hij heeft een naïviteit die mij charmeert, maar ook telkens weer verbaast.’ De engel René moest omlaag, zo ziet zijn vriend Dijkhuis het.
OVER HET PLAGIAAT in het populair-wetenschappelijke werk buigt zich ook drs. Marten Hofstede, die met veel omhaal van woorden vaststelt dat het geen plagiaat genoemd moet worden, maar 'het niet regelen van auteursrecht’. Dat is dus alsof een advocaat zou stellen dat zijn cliënt niet gestolen had in de winkel, maar alleen was vergeten bij de kassa af te rekenen.
Zowel Hofstede als Dijkhuis gaan echter wel serieus in op het geval van wetenschappelijk plagiaat, waar de onderzoekscommissie op stuitte. Het is een ingewikkelde geschiedenis met dat wetenschappelijke plagiaat. In 1988 verscheen het artikel 'Suïcide in 24 Europese landen, 1972-1984’ in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. De daarin genoemde auteurs zijn Diekstra en dr. A.J.F.M. Kerkhof. Uit het rapport van de onderzoekscommissie: 'De beschuldiging luidt dat dit artikel een overname en een aanpassing aan de Nederlandse situatie vormt van een manuscript van dr. S. Platt.’ Na Kerkhof en Diekstra gehoord te hebben, concludeert de commissie: 'Aangezien niet wordt bestreden dat grote delen van het artikel zijn overgenomen, dat de auteur een ander was, en dat geen bronvermelding heeft plaatsgevonden, luidt de conclusie dat de beschuldiging van plagiaat standhoudt.’
Een duidelijk geval van jatten dus. Met twee dieven: Kerkhof en Diekstra. Toch? Niet helemaal. Nogmaals het rapport van de onderzoekscommissie: 'Prof. Diekstra zou bij de bewerker Kerkhof de indruk hebben gewekt dat het om een manuscript van zijn (Diekstra’s) hand zou gaan. Nadat het oorspronkelijke manuscript in bewerkte vorm in 1988 onder Platts naam in een boek verscheen, heeft de bewerker prof. Diekstra geconfronteerd met de overeenkomsten tussen hun tijdschriftartikel en dit hoofdstuk. Prof. Diekstra heeft toen een verklaring voor de gang van zaken gegeven, die inmiddels na navraag door Kerkhof door dr. Platt van de hand is gewezen.’
EEN DIEF DUS, concludeert de commissie. Daar zijn emeritus hoogleraar Dijkhuis en drs. Hofstede het niet mee eens. Na een ogenschijnlijk geslepen betoog concludeert Dijkhuis: 'Aan dat ene geval van wetenschappelijk plagiaat is Kerkhof niet minder schuldig te achten dan Diekstra; zelfs, naar we langzamerhand moeten aannemen, is hij alleen daaraan schuldig.’ En Hofstede omschrijft Kerkhof als 'mede- en vermoedelijk hoofdverantwoordelijke’ van 'dit - zogenaamde - geval van wetenschappelijk plagiaat’. En dat is allemaal terug te brengen tot het mysterie van het voorblad.
De cruciale vraag is: bevatte het exemplaar van het manuscript dat Kerkhof onder ogen kreeg, het voorblad waarop de naam van de auteur Platt stond? Dijkhuis stelt dat Kerkhof dit voorblad wel gezien móet hebben. Dus Kerkhof is niet alleen een dief, hij liegt ook. Mevrouw N. Wielkens, secretaresse van de vakgroep Klinische en Gezondheidspsychologie, die het manuscript naar eigen zeggen getypt en bewerkt heeft, zou dit hebben bevestigd. Dijkhuis verwijst naar twee brieven die mevrouw Wielkens naar de onderzoekscommissie heeft gestuurd. De brieven zijn als bijlage in het boek opgenomen. In de zin waar het om draait schrijft mevrouw Wielkens: 'Uit verder onderzoek in mijn archief is gebleken dat het exemplaar van het backgroundpaper getiteld “Suicide in 24 European Countries, 1972-1984”, waaraan dr. Kerkhof mij in september 1986 verzocht heeft te werken, onder andere door het aanpassen van tabellen, volledig was. Dus: ook het voorblad bevatte.’ Wielkens schrijft dus expliciet niet: 'Kerkhof gaf mij een exemplaar met het voorblad. Dat exemplaar heb ik in het archief gedaan.’ Maar dat is wel wat Dijkhuis suggereert.
KERKHOF MELDT dat hij zijn eigen exemplaar niet meer bezit, omdat hij het na de publicatie weggegooid heeft. Die opmerking van Kerkhof zou weerlegd kunnen worden door een noot bij het artikel van Dijkhuis: 'Zij (mevrouw Wielkens) maakte mij er ook op attent dat op het gearchiveerde document aantekeningen van Kerkhof voorkomen.’ In dat geval zou Kerkhof zijn exemplaar van het manuscript naar Wielkens gestuurd hebben. Maar misschien ook gefaxt, waardoor er twee exemplaren met aantekeningen van Kerkhof bestonden, waarvan er een door Kerkhof weggegooid kan zijn en een ander in het archief is opgenomen. Het is niet ondenkbaar dat Wielkens het voorblad, afkomstig van het ook bij haar terechtgekomen archiefexemplaar van Diekstra, toegevoegd heeft aan de versie met de aantekeningen van Kerkhof en de rest van de dus oudere versie van Diekstra heeft weggegooid. Het voorblad is in de bijlage van Leiden in last opgenomen. Je ziet daarop de afdruk van een paperclip. Heel goed mogelijk dus dat er iets is losgemaakt en daarna vastgemaakt.
De onderzoekscommissie stuurde de brief van Wielkens met de bewuste, hierboven geciteerde zin naar Kerkhof. Uit een met de hand gemaakte notitie moet blijken dat Kerkhof de brief van Wielkens in overeenstemming vond met zijn versie van de feiten. Hij tilde er in elk geval niet al te zwaar aan.
Met name Hofstede trekt in Leiden in last naar aanleiding van deze aantekening alles in het absurde: 'Maar Kerkhofs erkenning dat mevr. Wielkens’ verklaring wel juist zal zijn valt alleen te rijmen met de door hem gewekte suggestie het voorblad niet gezien te hebben als we aannemen dat dat voorblad na Kerkhofs bewerking weer door Diekstra aan Platts paper was toegevoegd.’
Dat laatste is natuurlijk onzin, zoals ik aantoonde. Het kan iedereen geweest zijn die dat voorblad terugplaatste, inclusief Wielkens. Iedereen met een sleutel tot het archief en een goed motief. Hoe absurd zo'n geheimzinnige geschiedenis met dat terugplaatsen van het voorblad ook mag zijn, het pleit Diekstra niet vrij en het bewijst ook niet dat Kerkhof het voorblad wel gezien zou hebben.