Vijftig jaar na ‘Het onbehagen bij de vrouw’

‘Het paradijs breekt nooit aan’

Terwijl alles om hen heen beter en vrijer en leuker leek te worden, werden vrouwen in de jaren zestig nog steeds niet gezien als zelfstandige personen met eigen ambities. Maar toen publiceerde Joke Smit Het onbehagen bij de vrouw…

Medium essay bijgesneden  tn

Zelden is in Nederland een tekst gepubliceerd die eenzelfde iconische waarde heeft gekregen als ‘Het onbehagen bij de vrouw’ van Joke Smit (1933-1981). Vaak wordt ernaar verwezen als iemand wat noten wil kraken over verschillen in kennis, inkomen en macht tussen mannen en vrouwen. Meestal wordt dan geconstateerd dat de vrouwen van nu heel wat soevereiner zijn dan de vrouwen van toen. Ze zijn minstens even goed opgeleid als mannen, krijgen kinderen als ze daaraan toe zijn, en staan er in hun huisgezin niet meer alleen voor nu er steeds meer vaders zijn met een wekelijkse papadag. Doorgaans wordt daaraan toegevoegd dat er desondanks nog een lange weg is te gaan om het ideaal van een relaxte wereld waarin mannen en vrouwen zich even gemakkelijk bewegen dichterbij te brengen, en dat het een schandaal is dat een van de onderwerpen die Joke Smit in 1967 nog als ‘kortebaanprobleem’ beschouwde nog steeds niet is geregeld: gelijk loon voor gelijke arbeid.

Jonge feministen maken gewoonlijk een beleefde buiging naar die oude tekst van die oude feministe. Niet zozeer omdat ze ’m met rode oortjes hebben gelezen, maar omdat-ie symbool staat voor de generatie vrouwen die voor hen het pad effende naar een vrijer leven dan hun moeders en grootmoeders hadden. Ook weten ze feilloos op te sommen wat ze missen in het essay dat de geschiedenis in ging als startsein van de Tweede Feministische Golf in Nederland. Joke Smit schreef niet expliciet over klasse-, cultuur- en etnische verschillen tussen vrouwen. En ze had het nauwelijks over seks. Zelfs niet over vormen van seksuele intimidatie waarvan we ons sinds #MeToo afvragen waarom dat onderwerp pas nu een hype is geworden. Er gaapt nogal een generatiekloof tussen Nederlandse feministen die in de jaren zestig ‘wij vrouwen’ gingen zeggen om in verenigingsverband te ijveren voor gelijke rechten en gelijke kansen, en hedendaagse feministen die tot wasdom kwamen in tijden van globalisatie, ‘eigen identiteit’, de aanbidding van individueel succes, en het op Facebook luchten van je hart als actiestrategie.

***

In sommige opzichten is er weinig veranderd sinds Joke Smit een halve eeuw geleden optekende wat haar zoal dwarszat aan de ongelijke behandeling van mensen die als meisje zijn geboren. Ook toen waren er vrouwen die zeiden dat zij nergens last van hadden, en ook toen reageerden mannen die doorgingen voor origineel denkende individuen met flauwe grapjes als het onderwerp ter sprake kwam. Bij het zeskoppige herenclubje dat in 1967 de redactie van De Gids vormde schijnt het er melig aan toe te zijn gegaan toen ze besloten dat in het themanummer over ‘hedendaags onbehagen’ een stuk mee moest van een emancipatorisch bevlogen vrouw. Naast bijdragen van mannen als Anton Constandse (‘Onbehagen in de politiek’) en Joop den Uyl (‘Onbehagen was het haartje aan je pen’) wilden ze een leuk verhaal over ‘het vrouwenvraagstuk’.

De Gids was een sjiek literair tijdschrift dat van harte meeging met de toenmalige roep om maatschappelijk engagement. De oorlog in Vietnam, de kernwapenwedloop, het geweld van de Amsterdamse politie tegen provo’s, discriminatie van zwarte inwoners van Amerika – het kwam allemaal vanzelfsprekend aan de orde. De gedachte dat er misschien ook iets zou schorten aan de sekseverhoudingen nam geen van de redacteuren helemaal serieus, maar het was ze niet ontgaan dat een toenemend aantal dames zich tekortgedaan voelde in het nieuwe tijdperk van naoorlogse welvaart. Dat die dames na verschijning van De Gids 9/10 1967 in groten getale opstoomden naar boekhandels en bibliotheken omdat ze via-via enthousiaste verhalen hadden gehoord over het stuk van mevrouw J.E. Kool-Smit (Joke Smit was nog getrouwd en gebruikte nog braaf de achternaam van haar echtgenoot) was iets wat de schrijfster net zo overviel als de redactie.

De Gids verscheen doorgaans in een kleine oplage, vanwege dat vrouwenverhaal werd besloten het onbehagennummer te herdrukken. En dat terwijl er niets aan was gedaan om juist dat verhaal onder de aandacht te brengen. In het voorwoord van redacteur Harry Mulisch – ‘De onderwerpen strekken zich uit van een beschouwing over de Schepping tot een stuk over de dood van de onsterfelijke Che Guevara’ – werd er met geen woord over gerept, in geen van de tijdschriftenrubrieken waarin De Gids werd gerecenseerd werd het genoemd.

Sommige vrouwen die ‘Het onbehagen bij de vrouw’ lazen, wisten vele jaren later nog precies hoe het hun sluimerende ontevredenheid deed omslaan in actiebereidheid. Marijke Harberts – destijds huisvrouw in Amstelveen – schreef erover in haar boek Afscheid van Joke Smit: ‘Op een avond, toen de kinderen in hun bedden lagen, fietste ik naar de Openbare Bibliotheek op het Gelderlandplein, ging aan de leestafel zitten met het laatste nummer van De Gids en las het artikel. Verpletterend, anders kan ik het niet noemen, verpletterend was de indruk die het op me maakte. Dit stuk ging over mij. Hier stond alles wat ik altijd onbewust had gevoeld, alles wat ik vaag wist en waar ik me innerlijk tegen verzette. Ik was dus toch niet gek. Enigszins verwezen fietste ik door de regen terug. Dit stuk zou mijn leven veranderen.’

Vrijwel alle onderwerpen waarvoor feministen vanaf eind jaren zestig actie gingen voeren passeren in ‘Het onbehagen bij de vrouw’ de revue. Van abortusvrijheid tot en met kinderopvang, en van ‘roldoorbrekende opvoeding’ tot en met arbeidstijdverkorting. Zoals de Leidse hoogleraar vrouwenstudies Joyce Outshoorn tegen me zei toen ik aan de biografie van Joke Smit werkte: ‘Het is een prachtige probleemanalyse. Er staat wat eraan schort, waar de schuld ligt en wat er moet gebeuren.’

Joke Smit wist precies hoe het kwam dat steeds meer vrouwen knorrig werden terwijl alles alleen maar beter en vrijer en leuker leek te worden. De individuele vrijheid die door en voor velen werd opgeëist werd zelden van toepassing verklaard op vrouwen. Nederlandse vrouwen kampten met allerlei geschreven en ongeschreven regels waardoor ze vroeger of later opgesloten raakten in hun eigen privé-leven. Van kindsbeen af werden ze behandeld als (potentiële) huismoeders, niet als zelfstandige personen met eigen ambities. Daaraan was weinig veranderd sinds Aletta Jacobs en de haren in 1919 het kiesrecht binnenhaalden.

Ook een aantal belangrijke wetswijzigingen uit de jaren vijftig hadden geen cultuuromslag veroorzaakt, zoals in 1956 de afschaffing van de wet die gehuwde vrouwen ‘handelingsonbekwaam’ verklaarde en in 1957 de aanvaarding van de motie-Tendeloo, waardoor vrouwelijke ambtenaren niet meer op staande voet ontslagen mochten worden als ze gingen trouwen. Omdat het gezin werd beschouwd als de ideale eindbestemming van elke vrouw werd het doorgaans verspilling gevonden om meisjes te laten doorleren, omdat ze daardoor een onderwijsachterstand hadden waren ze meestal aangewezen op banen die in het verlengde lagen van het huishoudelijke werk dat ze vanzelf al deden. Het was een vicieuze cirkel die leidde tot instandhouding van een historisch gegroeide apartheid tussen de seksen die tot op de dag van vandaag doorwerkt.

***

Dat Joke Smit met geen woord repte over de specifieke problemen van zwarte vrouwen, vrouwelijke vluchtelingen en migranten kan gedeeltelijk worden verklaard uit het feit dat Nederland in 1967 nog maar weinig mensen uit warme landen telde. Het is echter de vraag of zij, als zij tijd van leven had gehad, was meegegaan met het idee dat vrouwenlevens evenzeer worden bepaald door hun etnische, culturele of klasse-identiteit als door hun sekse. In haar analyse maakte ze nauwelijks onderscheid tussen fabrieksmeisjes, onderwijzeressen en vrouwelijke studenten aan de universiteit: zodra ze zwanger waren konden ze een actieve rol in het openbare leven vergeten. Werkende moeders werden beschouwd als ontaarde moeders en het waren de uitzonderingen die hun schouders ophaalden over dat ingesleten idee: ‘Wie vindt dat de gangbare ideeën op dit gebied wel eens vanuit een andere gezichtshoek bekeken mogen worden, namelijk vanuit het belang van de moeder en niet vanuit het belang van het kind, bedrijft weinig minder dan blasfemie en vindt een eensgezind en angstig front tegenover zich.’

Smits opvattingen sloten aan bij de ideeën van Simone de Beauvoir, die in Le deuxième sexe stelde dat meisjes niet als vrouw worden geboren maar tot vrouw worden gemaakt. Ook Smit verdedigde de aanname dat nurture doorslaggevender is dan nature. De kracht van haar tekst zat ’m echter vooral in de toon. De onderkoelde woede die Smit hanteerde doet inmiddels erg beschaafd aan nu we gewend zijn aan de scheldpartijen die via Twitter en Facebook tot ons komen, maar de woorden die ze koos om lucht te geven aan wat zij haar ‘privé-inventaris’ noemde vormden een breuk met de afstandelijk-wetenschappelijke taal die tot dan toe werd gehanteerd in artikelen over ‘de vrouw’.

‘Eindelijk wordt de vrouw losgekoppeld van de konijnen’, schreef ze over de introductie van de anti­conceptiepil

‘Eindelijk wordt de vrouw losgekoppeld van de konijnen’, schreef ze over de introductie van de anticonceptiepil. Het werd een van de meest geciteerde zinnen uit ‘Het onbehagen’.

In 1967 was het nog ronduit revolutionair dat zij pleitte voor een ‘pil plus abortusgarantie’: ‘Zolang de vrouw degene is die kinderen draagt, baart, zoogt, verzorgt en grotendeels opvoedt, kortom degene is die een flink stuk van haar leven in deze bezigheden investeert, hebben anderen niet het recht haar te maken tot de gevangene van hun moraal, levensbeschouwing en vooroordelen.’ Smit vond wat in Nederland zo’n beetje gemeengoed is geworden: ‘Het aanleren van een doeltreffende anticonceptiementaliteit moet even vanzelfsprekend worden als het inpompen van de tafels van vermenigvuldiging.’

Joke Smit was 34 jaar en moeder van twee kleine kinderen toen het essay werd gepubliceerd waaraan ze haar roem als feministisch voorvrouw heeft te danken. Voordat haar artikel in De Gids uitkwam, schreef ze naast haar baan bij het Instituut voor Vertaalkunde in Amsterdam voornamelijk over Franse literatuur, onder meer als recensent voor de Nieuwe Rotterdamse Courant en Het Parool. Na ‘Het onbehagen’ wijdde ze zich tot haar vroege dood in 1981 aan de vrouwenbeweging en citeerde zelfs haar lievelingsschrijvers Proust en Stendhal alleen nog als ze van pas kwamen in een feministisch betoog. Voor haar was er een leven vóór en een leven na ‘Het onbehagen’, maar dat gold ook voor de vrouwen die zich herkenden in het essay waarin ze het toen al dominante idee dat de emancipatie van de vrouw zo’n beetje was voltooid aan flarden schreef. Op ‘Het onbehagen’ ontving ze zoveel reacties van vrouwen die ‘iets wilden doen’ dat ze samen met Hedy d’Ancona besloot een feministische organisatie op te richten.

Man Vrouw Maatschappij ( mvm ) was de eerste actiegroep van wat de Tweede Feministische Golf zou worden, en in vergelijking met de vele clubs en clubjes die daarna kwamen een tikkeltje saai. De strategie die Joke Smit voorstond had weinig weg van het ludieke actievoeren waarmee Dolle Mina korte tijd later furore maakte, noch met enig verlangen naar kladderadatsj. Haar analyses waren radicaal, maar ze was geen revolutionair. Ze riep niet op tot het saboteren van mannen, huwelijk, gezin en kapitalisme, maar tot een lange mars door de instituties.

Haar soort feminisme concentreerde zich op het omvormen van politieke partijen, vakbonden, onderwijs- en overheidsinstellingen tot bondgenoten in de vrouwenstrijd. Je moest er veel voor vergaderen, nota’s schrijven en in commissies plaatsnemen. En dat dan weer samen met veranderingsgezinde – liefst invloedrijke – mannen, want ze wilde niet alleen de vrouwen bevrijden uit het perpetuum mobile van huishouden en kinderverzorging, maar ook de mannen meer perspectief geven dan het binnenbrengen van geld alleen. Bij mvm waren van het begin af aan mannen betrokken. Dat was nog zo’n keuze waardoor ze zich niet populair maakte bij de snel groeiende groep feministen die vonden dat mannen geen feminist konden zijn, en dat vrouwen hun vrijheid het best konden bevechten door in kleine groepjes bijeen te komen.

De institutie die zijzelf samen met Hedy d’Ancona bestormde was de pvda , de partij van de door haar bewonderde sociaal-democratische voorman Henri Polak met wie ze een inmiddels bijna vergeten verheffingsideaal deelde. Zoals Polak van de arbeiders zelfbewuste socialisten met belangstelling voor kunst, cultuur en wetenschap wilde maken, was Smit ervan overtuigd dat onderwijs, (culturele) vorming en scholing vrouwen meer gevoel van eigenwaarde zouden geven. Zij vond: ‘Wie iets wil veranderen kan niet zonder politiek. Wie meer wil dan geweten spelen heeft een grote partij nodig. Bij de pvda moest ik wezen: die was tegen ongelijkheid en kwam op voor de underdogs.’

Small hh 3046089
Joke Smit, 1978 © Hans van den Bogaard / HH

Ten tijde van het kabinet-Den Uyl kregen D’Ancona en zij best vaak hun zin. Er begon zich een Kamermeerderheid af te tekenen voor haar ‘pil plus abortusgarantie’, er kwamen vormen van volwasseneneducatie om de onderwijsachterstand van vrouwen weg te werken en ook haar plannen voor het opzetten van feministische instituties werden gehonoreerd. Het zijn instituties die inmiddels bijna allemaal weer zijn opgeheven, net als de vrouwengroepen van de politieke partijen die destijds floreerden, maar tien jaar na ‘Het onbehagen’ was er een Emancipatieraad die de regering adviseerde, overal in het land had je gesubsidieerde emancipatiebureaus, en een door Smit bedacht plan voor een apart bewindspersoon voor Emancipatiezaken werd zelfs zo ruimhartig omarmd dat het werd overgenomen door het kabinet-Van Agt/Wiegel.

Het nam niet weg dat ze rond het tienjarig bestaan van Man Vrouw Maatschappij aan het somberen sloeg. Haar trouwe aanhang bij mvmbestond grotendeels uit leden van de pvda en d66 die nog maar nauwelijks waren bijgekomen van de klap die ze kregen toen er een cda/vvd-regering aantrad en geen tweede kabinet-Den Uyl. In plaats van op de peptalk waarnaar ze snakten, werden ze door hun voorvrouw getrakteerd op een gelegenheidsartikel met de kop ‘Is het feminisme ten dode opgeschreven?’ Smit richtte haar pijlen niet op ‘rechts’ maar op de anarchistische tegencultuur die door grote delen van de feministische beweging was omarmd.

In de jaren die verstreken sinds de oprichting van mvm waren er talloze clubs bij gekomen. In 1978 had je overal vrouwenhuizen, vrouwencafés, vos-cursussen, Blijf-van-mijn-Lijfhuizen en andere feministische hulpverleningsinstanties. En er waren heel veel actiegroepjes die ergens tegen waren, of propageerden dat het aanmeten van een lesbische identiteit de enige weg was naar vrouwenbevrijding.

De jaren zeventig waren de jaren van ‘het persoonlijke is politiek’. Over de uitleg van die slogan werd verschillend gedacht. Smit bleef erop hameren dat vrouwen politiek actief moesten worden om ‘Den Haag’ mee te krijgen met plannen waardoor de levens van mannen en vrouwen meer op elkaar zouden gaan lijken. Er waren echter steeds meer feministen die vonden dat in groepsverband ‘werken aan persoonlijke bewustwording’ of praten over seksuele problemen al een politieke daad was. In zekere zin waren zij de voorlopers van het ‘microactivisme’ dat jonge feministen van nu bedrijven door op sociale media kond te doen van hun persoonlijke ervaringen. Elke vrouw die hardop vraagtekens plaatst bij de ingesleten sekseverhoudingen heeft een ontregelende invloed op haar omgeving en daarmee op de maatschappij, is ook hun idee. Smit vond dat niet genoeg. Ontwikkelingen die mede door haarzelf in gang waren gezet, zoals het opzetten van praatgroepen en vormingscursussen, waren volgens haar doorgeslagen: ‘De nieuwe werkstijl sloeg zo aan dat naar ik schat nu 95 procent van het feminisme werkzaam is in de bewustwordingsnijverheid. Met de opkomst van de praatgroep begon ook de neergang van de beweging.’

‘Iedere nieuwe situatie brengt nieuwe misstanden en je moet maar hopen dat er een nieuwe voorhoede is die die misstanden tijdig ziet’
***

Joke Smit was niet de enige die zich eind jaren zeventig begon te ergeren aan de stand van zaken in de vrouwenbeweging. Net zoals de linkse partijen onevenredig veel energie besteedden aan het uitvechten van broedertwisten leken feministen vaak meer begeestering op te brengen voor het afbranden van vrouwen die volgens hen bij een verkeerd kamp hoorden dan voor het bedenken van een gezamenlijke strategie. Ook was Joke Smit niet de enige met weerzin tegen de nadruk die was komen te liggen op het verwerken van persoonlijke ervaringen en het aanmeten van een of andere feministische levensstijl.

De meest spraakmakende bijdrage aan het debat over hoe het verder moest, kwam van de radicaal-feministische uitgeverij De Bonte Was, waar Smits vroegere mvm-vriendin Anneke van Baalen en haar partner Marijke Ekelschot destijds de grote aanjagers waren. In het eerste nummer van Feminist maakten ze niet alleen gehakt van de emancipatiebureaus en andere instituties waarvoor Smit juist had geijverd (volgens De Bonte Was leidden die instellingen tot inkapseling en het creëren van een bovenlaag van betaalde functionarissen die voornamelijk vanuit eigenbelang opereerden), ook de vertherapeutisering en verpsychologisering van het feminisme kregen de volle laag.

In ‘De emotioneel-erotiese revolutie’ werd uitgelegd hoe de eens zo opgewekt begonnen vrouwenbeweging een mentale aanpassingsmachine dreigde te worden voor vrouwen die leuk en interessant en sexy en op een eigentijdse manier koesterend wilden zijn voor mannen. Meegenomen werd dat een flink deel van de linkse mannen die tien jaar eerder ook nog wilden dat alles anders werd zich inmiddels eveneens liever met hun privé-besognes bezighielden dan met politieke actie. ‘Immers, iedereen die in de jaren zestig een of ander ideaal had, is gefrustreerd. (…) Ze proberen nu het persoonlijk leven prettig te maken, omdat de maatschappij te vast op haar grondvesten bleek te staan. Ze hebben de buitenwereld inderdaad buitengesloten. Ze hebben behoefte aan gevoel.’

Joke Smit las dat eerste nummer van Feminist met belangstelling. Misschien heeft ze zelfs een beetje gelachen om het Feministies Manifest 1977 waarmee het tijdschrift opende, bijvoorbeeld om de constatering dat ‘het gebruik van ondeugdelijk schoeisel en make up’ weer toenam. Of om het lijstje met gedragingen die volgens De Bonte Was niet vanzelf leidden tot vrijheid, gelijkheid en zusterschap. ‘Denk niet dat we al zo ver zijn’, staat erboven, gevolgd door onder meer:

‘als je naar het vrouwencafé gaat
- als je in een praatgroep zit
- als je van je man ook buitenshuis mag werken
- als je naar diskussieavonden in het vrouwenhuis gaat
- als je een groep huisvrouwen les geeft
- als je je man naar MVM stuurt als hij de afwas heeft gedaan
- als je op een vrouw stemt
- als je je moeder aardig gaat vinden
- als je mannen nog maar tot op zekere hoogte aardig vindt
- als mannen emotioneel gaan doen
- als je in radikale therapie bent
- als je lesbies bent
- als je nu naast je man een vriendin hebt
- als je de vriendin van je man begrijpt
- als je de vriendin van de vriendin van je man bent’

Want: ‘Je bent geen feminist als je eigenlijk alleen een moderne vrouw bent: een beetje zelfstandiger, een beetje seksueler, een beetje politieker.’ En: ‘Je bent geen feminist als je niets doet om de positie van alle vrouwen te verbeteren.’ Met die laatste opmerking kon Joke Smit zeker meegaan, aan het perspectief dat de radicaal-feministen gaven om het feminisme een duw richting nonconformistisch protest te geven had ze net zo’n hekel als aan de opmars van de gefeminiseerde mens (v/m) die zich voornamelijk om zichzelf bekommert.

‘Zand in de machine! Lach de mannen uit!’ vonden de opstellers van het Feministies Manifest 1977. Maar ook: ‘Feministen zijn we als we de banden met mannen verbreken en de onderlinge verschillen overwinnen. Als we ons vertrouwen in de mannelijke samenleving opzeggen en de mannen onze liefde onthouden.’ Voor dat verbreken van alle banden met mannen kregen ze bij De Bonte Was net zo weinig bijval als Joke Smit voor haar oproep juist meer met mannen samen te werken, maar de reuring die de radicaal-feministen zo nu en dan veroorzaakten was heel wat vrolijker dan het bestoken van vakbonden en politieke partijen dat Smit bleef aanmoedigen.

***

Joke Smit bleef tot het einde van haar leven proberen alle feministische neuzen haar kant op te krijgen. Als sociaal-democratisch feminist was en bleef zij gefocust op een eerlijke verdeling van kennis, inkomen en macht tussen mannen en vrouwen. Zij droomde ervan dat iedereen met ook maar een beetje verlangen naar seksegelijkheid zich zou gaan inzetten voor arbeidstijdverkorting. Vrij naar een pamflet van de oude socialisten waarin de achturendag werd gepromoot kwam zij met een affiche waarop tien voordelen van een vijfurige werkdag werden opgesomd, waaronder: ‘Bij een 5-urige werkdag wordt de ongelijkheid tussen vrouwen en mannen minder’; ‘Bij een 5-urige werkdag kunnen verbintenissen tussen mensen hechter en gezonder worden; partners in een gelijke positie begrijpen elkaar beter’; ‘Bij een 5-urige werkdag kunnen kinderen evenwichtiger opgroeien; mannen hoeven in de opvoeding niet langer afwezig te zijn.’

Het was een plan waaraan nooit veel meer dan lippendienst is bewezen, en dat bovendien nog maar weinig zeggingskracht heeft nu steeds meer mensen (v/m) zijn aangewezen op flexibele arbeidscontracten of een onzeker bestaan als zzp’er. En eigenlijk had ze wel gelijk toen ze vreesde dat haar soort feminisme zo’n tien jaar na ‘Het onbehagen’ al weer op z’n retour was. Een aantal belangrijke gelijkheidsprincipes werd daarna nog wel wettelijk vastgelegd, maar het streven naar een maatschappij waarin zorgzaamheid evenveel waarde zou hebben als economische ontwikkeling dolf vanaf eind jaren zeventig het onderspit tegen een neoliberale wereldorde waarin het ieder-voor-zich hand in hand ging met een focus op persoonlijk gevoel en individueel succes.

Wie ‘Het onbehagen bij de vrouw’ gebruikt als checklist ziet meteen waar het nu aan schort. Op een happy few na gaan mannen omdat zij het meeste geld verdienen juist meer uren buitenshuis werken als ze vader worden. Vrouwen doen doorgaans hun best parttime werk te combineren met de zorg voor hun dierbaren. En er zijn heel veel vrouwen die burnt-out raken of aan de antidepressiva gaan omdat het ze niet lukt de powervrouw uit te hangen die ze denken te moeten zijn. Interessant is dat Smit zich in ‘Het onbehagen’ al afzette tegen de nieuwe opvattingen over erotiek waarin een gelukkig seksleven de norm werd: ‘Men stelt zich een ideaal dat even moeilijk bereikbaar is als de all-round deugdzaamheid van vroeger.’

Kort na verschijning van haar beroemde Gids-artikel liet ze in een interview weten dat zij niet geloofde in een toekomst zonder onbehagen. ‘Goddank of helaas, het paradijs breekt nooit aan. Iedere nieuwe situatie brengt nieuwe misstanden en je moet maar hopen dat er een nieuwe voorhoede is die die misstanden tijdig ziet.’


Marja Vuijsje is schrijfster. Haar boek Joke Smit: Biografie van een feministe werd genomineerd voor onder andere de Grote Geschiedenis Prijs en de Erik Hazelhoff Biografieprijs. De herziene versie verschijnt deze weekbij uitgeverij Atlas Contact (496 blz., € 19,99)*