Essay: het paradijs van Narcissus

Het paradijs van Narcissus

In Nederland worden minder dan in het buitenland morele grenzen erkend. De maatschappelijke en politieke wereld is binnenstebuiten gekeerd. Er heerst het dogma van het antidogmatisme.

Er zijn twee manieren om Nederland te ontdekken: met eigen ogen of door het lezen van (liefst oude) boeken. Vandaag de dag verdient de tweede manier de voorkeur, dat is minder deprimerend. Neem daarom de rijkdom die te vinden is in het schitterende, uit 1948 daterende boekje The Netherlands van Sacheverell Sitwell. De auteur was gefascineerd door vraagstukken als de etnische afkomst – waren het Friezen? – van de Warangiaanse Garde die de Byzantijnse keizers omringde. Of door het karakter van de inwoners van Urk, over wie hij vertelt dat ze, na eeuwenlange inteelt, allemaal op elkaar lijken. Sitwell beweert dat het bijna-eiland een hoog percentage imbecielen of bijna-imbecielen telt. Wanneer een bezoeker vraagt waar deze of gene Urker woont, lezen we bij Sitwell, is het normaal dat de enige reactie bestaat uit een afwezige blik en het schudden van het hoofd. Het is, voegt hij eraan toe, niet overdreven te zeggen dat op Urk iedereen een ander op de een of andere krankzinnige manier haat, en dat de burgemeester ze allemaal haat. «Ik dronk bier met twee Urkers», zo besluit hij, «van wie werd gezegd dat ze gek waren. Daar leken ze zich enigszins zorgen over te maken, maar ze waren er niet door verrast.»

Wanneer hij nu zou kunnen rondkijken, zou de ouderwetse Engelse gentleman Sitwell waarschijnlijk concluderen dat inmiddels niet de Urkers maar de gehele Nederlandse samenleving lijdt aan een uiterst raadselachtig syndroom, terwijl het ons ook niet verbaast wanneer we worden geconfronteerd met de beslist zorgwekkende symptomen van de kwaal.

De betreffende aandoening is niet specifiek Nederlands, zeker niet als het om de algemene kenmerken ervan gaat. Toch zijn juist de symptomen van de Nederlandse versie niet mals. Hun oorsprong ligt in het verre verleden, maar is nog niet zo lang geleden helder voor het voetlicht gekomen, in de jaren zestig van de twintigste eeuw, met de provorevolte en soortgelijke bewegingen. Die vormden samen een soort schreeuw van narcistische extase. Natuurlijk, het ging hier om een revolte tegen de burgerlijke samenleving, maar het gevolg was – er werd beweerd dat dit het echte «nieuwe» links was – dat zowel de positie als de verwachtingen van de bestaande arbeidersbeweging werden ondergraven. Nu, veertig jaar later, heeft de Nederlandse samenleving inderdaad weinig andere verwachtingen dan een totaalversie van het project dat wel «Nederland ontmoet Narcissus» genoemd zou kunnen worden.

Het waren dus de provo’s die de weg ervoor vrijmaakten. In 1966 schreef Kenneth Rexroth in een krant uit San Francisco (in Californië was men bijzonder geïnteresseerd in Amsterdam, omdat men met Berkeley beschikte over een eigen equivalent ervan): «Net als de jeugd in de rest van de wereld (…) kan het de Provo’s niets schelen. Ze interesseren zich alleen voor directe eisen, niet voor geopolitiek. (…) Wat zijn de belangrijkste eisen van de Provo’s? Beheersing van het autoverkeer en het totaal autovrij maken van de binnenstad. Het hergebruik van de grachten als verkeersaders. Het door middel van drastische en effectieve maatregelen onmiddellijk stoppen van lucht- en watervervuiling. Het geven van informatie over en het vrij verstrekken van voorbehoeds middelen aan iedereen.» En ga zo maar verder.

Afgezien van enkele details zijn dergelijke doelstellingen in onze tijd centrale elementen geworden van de gehele Nederlandse politiek, zowel ter linker- als ter rechterzijde. De provo’s, zo gaat het artikel uit 1966 verder, zijn pro cannabis en anti sigaretten, wat ook geldt voor alle recente Nederlandse kabinetten. Op de website van de Belgische Charta 91-groep is in een bijdrage die terugblikt te lezen: «De geest van de kabouter beweging en de Provo’s uit de late jaren zestig leek daar (bij progressief Nederland) nooit helemaal weg te zijn geweest. Later was er de kraak beweging (…). En natuurlijk had je er dat hele open maatschappelijke klimaat waarin bijvoorbeeld de wetgeving op abortus, euthanasie en het homohuwelijk tot stand is gekomen.»

Dit klimaat is door de meest recente gebeurtenissen niet wezenlijk verstoord. Integendeel. Interessant is wat de minister van Buitenlandse Zaken afgelopen januari zei op een jaarlijkse conferentie van alle Nederlandse ambassadeurs. Hij zei dat hij het dit jaar als zijn taak ziet «om de karikaturen over Nederland in het buitenland recht te zetten». Bot verwees vervolgens naar een Belgische politicus die Nederland onlangs «een poel van verderf» noemde, en naar de conservatieve Amerikaanse televisiezender Fox News, waar over Nederlanders was gesproken als «prostitueebezoekende, cokesnuivende kindermoordenaars».

Bot wil de diplomatie inzetten om die karikaturen recht te zetten. Maar de minister was waarschijnlijk een oud marketingprincipe vergeten: consumenten zijn vooral geïnteresseerd in wat jouw product anders maakt. Wat Amsterdam anders maakt, is dat het de reputatie heeft het drugs-Mekka van Europa te zijn. Luchtvaartmaatschappij Transavia begreep dit bijzonder goed en besloot haar vluchten op Amsterdam aan te bieden met een illustratie van een wietblad. Veel van de andere zaken die Nederland heeft te bieden, en die op zich uiterst waardevol zijn, kun je ook elders krijgen. Maar waar Nederland in uitblinkt, waarin het andere landen ver achter zich laat, is beslist haar narcistische sociale beleid. En hier zal Nederland bekend om blijven, hoewel dit narcisme tegenwoordig, na de recente politieke moorden en de verbittering van het sociale klimaat, ook een nieuwe en bedreigende extreem-rechtse variant heeft voortgebracht.

Deze recente ontwikkelingen zijn geen toevallige uitwassen die beleidsmatig kunnen worden omgebogen. Alle beroepspolitici die nu driftig debatteren over de toestand van het land leveren veel geschreeuw en weinig wol. Het debat is tot mislukken gedoemd, omdat het zich richt op de symptomen, niet op de oorzaak. Daardoor zijn beleidswijzigingen of politieke pendelbewegingen niet meer dan het aarzelen tussen verschillende varianten van hetzelfde onderliggende probleem.

Tijd dus om iets te zeggen over dat probleem. De belangrijkste politieke verschijningsvorm ervan is wat we tegenwoordig wel het neoliberalisme noemen. De belangrijkste elementen uit deze stroming van het sociale en politieke denken zijn het individualisme, het rationalisme en het antidogmatisme. De neoliberale ideologie zoekt, met andere woorden, voor haar politieke en sociale beleid een legitimatie in wetenschappelijke en bestuurlijke rationaliteit, in individuele rechten en – als het uitkomt – in democratische besluitvormingsprocedures. Deze neoliberale ideologie – in dit opzicht is ze een soort erfgenaam van de Verlichtingstraditie en blijft ze trouw aan idealen als menselijke vrijheid en rede – erkent geen enkel dogma of taboe. Een vergelijkbaar antidogmatisme werd reeds op komische wijze (als je tenminste van dat soort humor houdt) geuit in de provo-achtige bewegingen en hun opvolgers. Maar de invloed van het antidogmatisme strekt veel verder.

Een dogma is, om kort te gaan, een sacrosancte waarheid. Zij die dogma’s afwijzen beroepen zich op het beginsel van openheid en redelijkheid. Maar dat is niet zo’n eenvoudig of onschuldig principe als het misschien lijkt. Om precies te zijn komen enkele van de belangrijkste versies van rationaliteit, volgens Sigmund Freud althans, voort uit vijandigheid jegens de «vaderlijke wet». Verzet tegen deze wet wordt gevoed door narcisme. Verschillende commentatoren hebben erop gewezen dat de westerse samenleving steeds narcistischer wordt. In zijn The Culture of Narcissism (1979) heeft Christopher Lasch een heldere hoewel soms oppervlakkige versie van deze these verwoord. Volgens hem zijn we tot op zekere hoogte allemaal narcisten, maar pas als sociaal-politieke factoren ons narcisme aanmoedigen, komt ze helemaal tot volle wasdom. De voortdurende expansie van neoliberale instituties is zo’n factor. Freud schreef over de narcistische fase in de ontwikkeling van de individuele mens. In deze fase beschouwt het kind zichzelf als het middelpunt van het universum (omdat de wereld, en vooral zijn moeder, hem ook zo behandelt). Hij ziet zichzelf als soeverein over alles wat hij onderzoekt en is aan niets en niemand trouw verschuldigd. Hij is, schreef Freud, «het middelpunt en de kern van de schepping – Zijne Majesteit de Baby, zoals we ons dat allemaal hebben voorgesteld». Zodoende heeft het narcisme reeds in beginsel een «politieke», om precies te zijn een «monarchistische» dimensie: iedere narcist is zijn eigen soevereine autoriteit, een kleine, onafhankelijke «ministaat», met uiteraard zijn eigen persoonlijke gereedschapskist vol fundamentele rechten. Als principiële antipaternalist is de narcist ook de vijand van alle taboes.

De rechtshistoricus Pierre Legendre suggereert in het belangrijke Law and the Unconscious (1997) dat «de eigentijdse variant van de ideologie van het contractdenken» verantwoordelijk is, binnen het algemene liberale kader, voor die terugval naar het narcisme. Want in dat contractdenken is iedere volwassene, van hoog tot laag, ervan overtuigd dat hij zelf de legitieme bron en oorsprong is van al zijn «voorkeuren» en «keuzes», op basis uiteraard van zijn zelf gekozen «waarden». Zodoende is hij op geen enkele wijze verplicht om welk dogma dan ook te respecteren, noch om rekening te houden met welk taboe ook.

Deze situatie is uiterst problematisch. Het klinkt misschien wat abstract, maar de functie van het dogma is met name om, via een heilige waarheid, biologische individuen en sociale instituties met elkaar te verbinden. Het dogma speelt een essentiële rol in opvoeding en onderwijs, eigenlijk in het voortbestaan van de menselijke samenleving. Het was juist deze essentiële functie van het dogma waartegen de provo’s in opstand kwamen. En het is een soortgelijke verzetsgeest die de neoliberalen bezielt. Maar wanneer het sociale bindweefsel uiteen begint te vallen, als gevolg van het hedendaagse contractdenken, vallen de verdedigingslinies weg die voorkomen dat we, zoals Legendre het noemt, opnieuw worden geconfronteerd met de «sociale fantasieën van de absolute macht», die uit onze kindertijd stammen. Want als niets meer heilig is, waar liggen dan de grenzen?

Zodoende neigt het inmiddels overal heersende contractdenken, dat uitgaat van een radicaal beginsel van individuele vrijheid, vreemd genoeg tot het afschaffen van alle beperkingen – ook de beperkingen aan de macht van de staat. Het opheffen hiervan leidt, volgens denkers als Aleksandr Zinovjev of Jean-Pierre le Goff, tot een nieuwe vorm van totalitarisme, het westers totalitarisme, of tot een post-totalitarisme als spiegelbeeld van het kwaad waar het zich tegen verzet. Terwijl het officiële (maar niet altijd werkelijke) doel de versterking van de individuele vrijheid is, worden de wetboeken dus steeds dikker en vermenigvuldigen zich de middelen om het individu te beheersen en te controleren (zoals, naast tal van andere recente maatregelen, de invoering van de identificatieplicht). De overblijfselen van de provo-droom het gezag te vernietigen, vormen langzaam maar zeker de nachtmerrie die deze droom in potentie altijd al was.

Het contractdenken is een bijzonder oud idee: de theorieën over een sociaal contract (te sluiten in een denkbeeldige verleden tijd, door denkbeeldige deelnemers) gaan op z’n minst terug tot de Middel eeuwen. Maar veel recenter is de situatie van na het einde van de Koude Oorlog waarin geen enkel noemenswaardig verzet meer bestaat tegen de metafoor van het contract, waarvan wordt aangenomen dat het een universeel geldige blauwdruk vormt voor de menselijke samenleving. Vanzelfsprekend zijn er individuen en groepen die met een heel andere bril naar de wereld kijken, maar zij hebben geen werkelijke invloed en ze hebben de Zeitgeist tegen zich.

Voor de duidelijkheid: in het contractdenken worden de partijen gezien als kleine, soevereine ego’s. En die zijn enorm trots op zichzelf: «Ik heb mijn rechten!» benadrukken ze voortdurend. Hun wil is immers de oorsprong en bron van de wet.

Het is een narcistische opvatting, een visioen van almacht, ook wel het Canute-beginsel genoemd, naar de koning van Denemarken en Engeland, Canute de Grote, die verbaasd was dat hij, met al zijn koninklijke gezag, de vloed niet kon tegenhouden. In deze opvatting bestaat er geen gezag dat boven de individuele contractpartijen staat en dat grenzen kan stellen aan wat een samenleving kan beslissen en doen – die grenzen zou de consensus geringschattend «dogmatisch» noemen. Bij ons zwaaien rede en rationaliteit de scepter; een bevolking vol Canutes breekt er taboe op taboe mee, op volle ramkoers.

Met Canutes beginsel wordt een compleet ideologisch pakket bijeengebracht. Elk westers land heeft zijn eigen versie van dit pakket, Nederland ook. Een dergelijk ideologisch pakket bestaat uit clichés, maar dan wel clichés die werken op de manier van een beproefde en geteste reclameslogan. De Nederlandse versie kan worden geraadpleegd in elk hedendaags overheidsdocument en in de beginselprogramma’s van de grote politieke partijen.

In de huidige neoliberale, ook «postmodern» genoemde Nederlandse samenleving zegt men wel dat «niemand meer ergens in gelooft». Maar dat is niet waar. Mensen worden aangemoedigd om in zichzelf te geloven. En dat geloof blijkt heilig; men gedraagt zich er ook naar. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, zelfs inspirerende tegenvoorbeelden, zoals de communisten van Finsterwolde en de leden van bepaalde kerkgenootschappen en nog meer. Maar dat zijn minderheden.

Alle recente Nederlandse regeringen en alle politieke partijen van enige omvang gaan uit van een principe van individuele hoogmoed: elk individu wordt aangemoedigd om, in bijbelse termen, op zijn «eigen inzicht» af te gaan. (Maar zie Romeinen 11:25: «…ik wil voorkomen dat u op uw eigen inzicht afgaat».) Dit is de politiek van «geen taboes». Een minister kan gemakkelijk scoren door zo’n taboe aan te wijzen en vervolgens wetgeving te maken om het taboe uit de weg te ruimen. De oppositie kan net zo gemakkelijk scoren door te beweren dat de regering «niet ver genoeg gaat».

In zijn commentaar na de moord op Pim Fortuyn vatte BBC-correspondent Angus Roxburgh de situatie samen met de opmerking dat Fortuyn «het onbespreekbare bespreekbaar maakte en taboes doorbrak». Simon Kuper van de Financial Times schreef dat Theo van Gogh «altijd op zoek was naar taboes om te doorbreken». Er wordt vaak op gewezen dat in Nederland «prostitutie geen taboe is», maar een «gewoon beroep». Dat geldt ook voor het homohuwelijk, dat in andere landen «nog taboe is». Op dit gebied moeten de immigranten zelfs enigszins worden geholpen. Het programma Twee Vandaag meldde onlangs dat «de meeste moslims homoseksualiteit afwijzen». Om het taboe te doorbreken en de discussie aan te zwengelen, heeft het homoblad Expreszo posters gemaakt waarop zoenende moslimhomoseksuelen te zien zijn. Een in 2001 gepubliceerd boek van de journalist Lourens Looijenga heeft als titel Over de drempel: Euthanasie van taboe tot wet. Volgens de militante website www.actieve-euthanasie.nl is «euthanasie nog steeds deels taboe in Nederland. Klik hieronder door naar onze site en help ons dit taboe te doorbreken.» Hetzelfde geldt voor abortus. De Stichting Samenwerkende Abortusklinieken Nederland herinnert ons eraan: «Door het taboe op abortus stond de ontwikkeling van goede medische technieken nagenoeg stil.» Op de website van de fortuynisten schrijft iemand: «Hoewel ik ook wel eens mijn bedenkingen heb tegen Hirsi Ali, heb je dit soort mensen wel nodig om taboes te doorbreken.»

Dit is een verlichte visie, zou je kunnen zeggen, maar er schuilt hier ook een probleem. Alleen maar meer Verlichting is geen recept. Het beginsel van het taboe is namelijk wat ons in leven houdt, het maakt het behoud van een beschaving mogelijk. Het beginsel van het taboe is het beginsel van differentiatie. In een interview met Le Monde merkt Legendre op dat voor elke samenleving «de norm moet zijn dat ‹nee› geen ‹ja› betekent en dat ‹ja› geen ‹nee› betekent; een man is geen vrouw (we zouden eraan toe kunnen voegen: een dier is geen mens); de positie van kinderen is niet die van hun ouders, de positie van ouders is niet die van hun kinderen. (…) Maar op het niveau van de droom of de fantasie is alles mogelijk – tijd, negatie en het werkelijkheidsprincipe doen er niet toe. (…) Het is de scheiding tussen deze twee terreinen, tussen werkelijkheid en fantasie, die leidt tot beschaving. (…) Ingaan tegen deze wet betekent dat de wereld binnenstebuiten wordt gekeerd.»

Met de institutionalisering van het narcisme, de aandoening waarbij «geen morele grenzen» worden erkend, is de maatschappelijke en politieke wereld van Nederland inderdaad binnenstebuiten gekeerd.

Tot overmaat van ramp gelooft de politieke elite van Nederland dat de wereld steeds «rationeler» wordt. Deze overtuiging ligt in feite ten grondslag aan het gehele beleid van de overheid en tal van andere organisaties.

Maar helaas klopt het niet. Het rationaliseringsproces zoals Max Weber dat heeft beschreven, functioneert niet meer. Dat wil zeggen: het keert zich tegen zichzelf. Het levert tegenwoordig uiterst contraproductieve resultaten op, omdat het de grenzen van de redelijkheid overschrijdt, omdat het eigenlijk «zonder limiet» is. Evenals de neuroticus die duizend keer per dag zijn handen wast, kan onze hyperrationele maatschappij, onder het politieke mom van zogenaamde «verantwoordelijkheid», niet meer ophouden met het ontwikkelen van steeds geraffineerdere instrumenten om zichzelf duizend keer te meten en te controleren. Hierdoor betekent elke afzonderlijke beleidshandeling een volgende stap in de richting van de zelfwurging. Deze stappen hebben weliswaar dikwijls absurde gevolgen, maar volgens de logica van het systeem zijn ze toch niet tegen te houden.

Binnen de bestaande maatschappelijke structuren kan er weinig worden gedaan om deze situatie te veranderen, hoe catastrofaal de gevolgen ook zijn. Alle noodkreten van leden van de politieke klasse zijn tot mislukken gedoemd; alle wanhopige, tijd-, energie- en geldverslindende hervormingen die door (soms goedbedoelende) bestuurders worden doorgevoerd; alles is tevergeefs. In feite voeren ze de Nederlandse samenleving zelfs nog verder het drijfzand in.

Uitgaande van de narcismetheorie van Otto Kernberg zou deze maatschappelijke neurose zelfs een psychose kunnen worden genoemd, omdat ze gepaard gaat met een verlies aan werkelijkheidszin. Het gaat hier om al de in het managersjargon ingepakte beleidsdiscussies en -initiatieven, die dikwijls weinig te maken hebben met werkelijke problemen en oplossingen.

Natuurlijk, de deelnemers aan de maatschappelijke processen zijn zich wel bewust van de «absurde en perverse gevolgen» van deze ontwikkelingen. In feite gaat zelfs een groot deel van hun tijd op aan het klagen over die gevolgen en aan pogingen de ergste excessen te temperen. Inmiddels leven we echter in een neoliberale variant van het oude sovjetsysteem: net zoals het complete sovjetbeleid van boven naar beneden en in alle sferen van het maatschappelijke leven draaide om «het streven naar socialistische opbouw» en het toepassen van de geschikte criteria en technieken – socialistische planning, socialistische wedijver en dergelijke – zo draait in onze maatschappij alles om de toepassing van de criteria en technieken die bij de ideologie van de politiek-als-management horen: marktwerking, winstgerichtheid, deregulering, doelmatigheid en wat niet al.

Dit systeem – het heet ook governance – is gebaseerd op wat we het «dogma van het antidogmatisme» kunnen noemen. Er werd vroeger gezegd dat er geen sovjetbestuurder was die ook maar een moment geloofde in de slogans die hij zonder mankeren moest toejuichen, al verdenk ik sommigen ervan dat ze er wel degelijk adepten van waren. Zo is het ook moeilijk voor te stellen dat de hedendaagse managers maar een moment geloven in het jargon dat ze onophoudelijk gebruiken en toepassen, al zullen sommigen dat inderdaad doen. Waar het echter om gaat, is dat dit er niet toe doet. Voor het functioneren en de expansie van het systeem is het niet nodig dat je er van overtuigd bent, passieve acceptatie of cynische afstand is voldoende.

In zijn satirische roman over het dagelijkse leven in de Sovjet-Unie, Gapende hoogten (Meulenhoff 1976), vroeg Aleksandr Zinovjev zich af of het voor iemand verstandig was een carrière in het sovjetapparaat te ambiëren. Het antwoord was dat dit in Rusland best mogelijk was, maar uitsluitend op basis van persoonlijke middelmatigheid, dit bij voorkeur in combinatie met een hoge mate van cynisme.

Wat is de stand van zaken in het hedendaagse Nederland? De Nederlandse maatschappelijke structuren, zoals die zich hebben ontwikkeld in de afgelopen decennia, in de jaren dat afscheid werd genomen van een socialistisch alternatief, zijn niet gebaseerd op waarlijk ondernemerschap, als dat trouwens al ooit de bedoeling is geweest. Evenmin zijn ze waarlijk verlicht.

Jonathan Israel had helemaal gelijk toen hij in zijn Pierre Bayle-lezing van 2004 beweerde dat «het Nederlandse volk niemand anders dan zichzelf iets kan verwijten» voor de ongelukkige situatie waarin het zichzelf geplaatst ziet. Terecht wees Israel op «een vorm van culturele zelfmoord», die «ministers van Onderwijs en politici in het algemeen elk recht ontzegt krokodillentranen te huilen om de plotselinge opkomst van een nieuwe barbarij, filisterij en fanatisme».

De door Sitwell beschreven gekte van de Urkers was nog van de amusante soort. Van het huidige Nederland kan wellicht niet hetzelfde worden gezegd. Het is de vraag of de Nederlanders (behalve op de zeventiende eeuw, waarover je in die oude boeken kunt lezen) nog iets hebben waar ze zich op kunnen oriënteren. Een Nederlandse variant van die fiere Warangiaanse Garde en haar Friezen kun je bijvoorbeeld vergeten. Al zou er zoiets bestaan, dan zou het op het punt staan te worden geprivatiseerd. Een paar weken geleden besloot de gemeente Weert «taken van de politie aan een particulier bedrijf uit te besteden». Persbureau ANP meldde: «Minister Remkes heeft daar ontheffing voor verleend. Weert is de eerste gemeente waar dat is gebeurd.»

De eerste, maar zeker niet de laatste. De Nederlandse overheden, de Nederlanders in het algemeen, blijken immers niet meer te snappen waarom het onderscheid tussen de publieke en de private sfeer zo cruciaal is. Ze lijken niet te begrijpen dat het bij dit onderscheid in wezen gaat om het veilig stellen van de broze scheidslijn tussen realiteit en fantasie. Ze denken waarschijnlijk dat het alleen maar gaat om… efficiency!

Arm Rijk der Nederlanden.

Dit is een ingekorte versie van een essay in Nederland op scherp: Buitenlandse beschouwingen over een stuurloos land (Bert Bakker), samengesteld en ingeleid door Pieter van Os, correspondent van De Groene Amsterdammer in de VS. Het boek wordt 2 mei om 17 uur in De Balie in Amsterdam gepresenteerd. Daarna vindt een discussie plaats over «de buitenlandse blik», met Lousewies van der Laan, Joris Luyendijk, Maarten van Rossem, Said El Haji, Grahame Lock zelf en anderen.

Vertaling: Rob Hartmans