John Steinbeck, De druiven der gramschap

Het paradijs was een hel

In ‹The Grapes of Wrath› beschreef John Steinbeck in 1939 de mensonterende armoede onder Amerikaanse oogstmigranten. De roman werd nauwelijks geloofd, maar Steinbeck overdreef niet. De Nederlandse vertaling is sinds kort weer verkrijgbaar.

Daar rijden ze in een gammele vrachtwagen over Route 66 naar het Westen, de familie Joad, pachtboeren uit Oklahoma op de vlucht voor de Vooruitgang. De Joads zijn verdreven van huis en haard door de rups tractoren die het akkerland veel efficiënter bewerken en daardoor de pachters van het land werken en de banken binnenhalen. De Joads zijn de snelweg — hun tijdelijke habitat — opgedreven en reizen naar het paradijselijke Californië. Want daar hangen de druiven aan de struiken te wachten tot zij, de landverhuizers, die komen plukken voor een menswaardig loon. Het sap zal van hun kin lopen in dit beloofde land van overvloed. Dat is hun verteld in strooibiljetten. Maar er zijn er honderdduizenden die in de crisis jaren vlak voor de Tweede Wereldoorlog de trek naar het Westen ondernemen. En waar weinig plukwerk of seizoenarbeid is en veel wanhopige werklozen, daar dalen de lonen. Het is een economische wet van ijzer, niet te breken door solidariteit, agitatie of stakingen. Het stillen van de honger en het lessen van de dorst overstijgen elk principe en alle altruïsme. Knorrende magen hebben niets aan humane overtuigingen.

Dit is de wereld die John Steinbeck in The Grapes of Wrath (1939) schetst, een klassieke roman over ontstolen en beloofd land, over de mensonterende armoede onder Amerikaanse oogstmigranten. Die uitvoerig gedocumenteerde roman werd door veel lezers nauwelijks geloofd en zelfs obsceen bevonden. Dat gezicht van Amerika was onbekend. De schrijver kreeg het etiket «rooie» opgeplakt, zijn boek was slechts linkse propaganda. Maar Steinbeck, een keurige New Deal-aanhanger en Roosevelt-stemmer, overdreef niet. Het paradijs bleek een hel. Hij had de Californische ellende onder werkzoekers in clandestiene kampen met eigen ogen aanschouwd; hij kende de repressieve verdeel-en-heersmaatregelen tegen potentiële oproerkraaiers van de Californische staatspolitie.

Na het commerciële succes van Of Mice and Men en Tortilla Flat schreef Steinbeck op uitnodiging van de San Francisco News in mei 1936 zeven artikelen, The Harvest Gypsies, met aangrijpende foto’s van Dorothea Lange. Daarop volgden een stakingsroman, In Dubious Battle, en een pamflet, Their Blood is Strong, met op de voorplaat een dakloze moeder die met de moed der wanhoop haar kind zoogt.

Niet alleen Steinbeck stortte zich, geassisteerd door fotografen, op de journalistieke documentaire. Erskine Caldwell en Margaret Bourke-White (You Have Seen Their Faces), Sherwood Anderson (The Face of America) en James Agee en Walker Evans (Let Us Now Praise Famous Men) werkten aan vergelijkbare projecten die een ander, minder paradijselijk gezicht van Amerika lieten zien.

Even leek de journalistiek in het Amerikaanse Depressie-decennium de moeder van de literatuur. In een brief toont Steinbeck zijn ambivalente gevoelens: «Wat kan ik over de journalistiek zeggen? Die heeft de grootste deugd en het grootste kwaad in zich. Die is de eerste sector die de dictator controleert. Die is de moeder van de literatuur en de producent van troep. In veel gevallen is dat ons enige verhaal, en toch is het het middel van de slechtste mensen. Maar over een lange periode bekeken en omdat het een product van zovelen is, hebben we niets anders dat zo zuiver is. Eerlijkheid steekt vroeg of laat toch de kop op, ook al was dat niet de bedoeling.»

Een roman is geen krantenartikel, The Grapes of Wrath is geen agitprop, geen documentaire, geen politiek pamflet vermomd als matriarchale migrantenroman over een versplinterende familie. Steinbecks exodus vertelling wil uitstijgen boven de simpele boodschap die de geëngageerde verslaggever presenteert. Wat is vrijheid waard als je die niet kunt betalen? De mens in een Steinbeck-roman vecht tegen zichzelf. De tocht die de Joads maken en die ten oosten van de vermeende Hof van Eden (Californië) begint, is niet alleen een zucht naar het welvarende Westen, een odyssee of een rite de passage, maar ook een bijbels verhaal vol zonden en deugden waarin ook plaats is voor Walt Whitmans biologisch unanimisme en «en-masse», Ralph Waldo Emersons trans cendentalisme en Algeest en Jungs collectieve oerziel. Het Steinbeck-personage — dat zich vaak dierlijk gedraagt in zijn overlevingsdrift — gelooft niet zozeer in een zaak als wel in «de mens». Als de groepsmens in beweging komt verzint hij een principieel doel, of dat nu het heroveren van het Heilige Land, het vestigen van de democratie of het uitroeien van alle onrecht is. «Maar de groep geeft geen zier om het Heilige Land, of om democratie of communisme. Misschien wil de groep gewoon in beweging zijn, strijden, en gebruikt het die woorden eenvoudig om de individuele mensen geestelijk op hun gemak te stellen» (In Dubious Battle).

In The Grapes of Wrath treft de lezer soortgelijke overpeinzingen aan. In een van de algemene filosofisch-politieke hoofdstukken, waarin Steinbeck uitzoomt en afstand neemt van de exemplarische Joad-familie, bagatelliseert hij de komende en gaande wereldbeschouwingen en beziet hij de mens als enig levend organisme in het heelal dat boven zichzelf kan uitstijgen en kan veranderen: «Wanneer de nauwe donkere paden van nationale religieuze en economische ideeën groeien en uiteenvallen, streeft de strompelende mens voorwaarts, hoe pijnlijk en desillusionerend het soms is.»

Het is ex-dominee Jim Casy, niet toevallig met dezelfde initialen als de Verlosser aan het Kruis, die als aartstwijfelaar en zondaar op zoek is naar een nieuw gemeenschapsgeloof. In een geïmproviseerd gebed vlak voordat hij met de Joads naar Californië vertrekt verwoordt hij zijn verwarring en verlangen: «En ik begon te denken, alleen was het geen denken, het ging veel dieper dan denken. Ik begon te denken hoe heilig we waren toen we één waren, en hoe de mensheid heilig was toen ze een eenheid was. En ze wordt alleen maar onheilig als één rampzalige kleine mens een ander de brokken uit de mond wegpikt, ermee vandoor gaat, om zich heen slaat en ruzie zoekt. Zo iemand vernietigt de heiligheid. Maar als ze allemaal samenwerken, niet één mens voor een ander maar één iedereen als het ware in het gareel voor het hele spul — dat is goed, dat is heilig.»

Wat zegt de kleine messias Jim Casy? Is hij een religieuze socialist die vooruitloopt op zijn latere Californische rol als stakingsleider — een rol die hij met de dood moet bekopen? Houdt hij een pleidooi voor het ego als onderdeel van het verzamelde groeps ego dat de «groeiende gramschap» tegenover het maatschappelijk onrecht kanaliseert en organiseert? Zo analytisch is The Grapes of Wrath niet geschreven. De woede van de Joads, en met name van ex-gedetineerde Tom Joad, is niet politiek getint maar komt voort uit een rudimentair verzet tegen vernedering, uit een instinctief gevoel voor menselijke waardigheid.

Heel bewust laat Steinbeck in de slotzin van zijn roman om de lippen van Roos, net bevallen van een dood kind, een mysterieuze glimlach spelen wanneer zij een uitgemergelde man zoogt. Dat is geen «obsceen» tafereel maar een steinbeckiaans slotbeeld dat laat zien hoe ver de mens kan gaan om te overleven en de ander te laten overleven.

Voor mij blijft The Grapes of Wrath — als De druiven der gramschap opgenomen in de Amerikaanse Bibliotheek van uitgeverij Contact — een roman met een dubbele leeservaring. Enerzijds is er de overlevingstocht van de Joads die niet vrij is van pathetiek en sentiment en voorspelbare tegenslag; anderzijds wordt die anekdotische vertelling om het hoofdstuk onderbroken door een verteller die vooruitloopt, terugblikt, beschouwt, filosofeert en de Vooruitgang, het weer, het land, het migrantenbestaan, de economie van productie en doordraaien, de mechanisatie en de auto als mobiel huis becommentarieert. Via die verteller zoomt de lezer in en uit, zodat het meeleven met de familiale kommer en kwel wordt afgewisseld met contemplatieve afstandelijkheid. Dankzij die kunstgrepen ondergaat het opgeblazen «naturalisme» van Steinbecks migrantenepos de nodige relativering. «De tijden veranderen» is een belangrijke running gag. De film van John Ford uit 1940 heeft die beschouwende gedeelten weggelaten, waardoor er een halfzachte Hollywood- huilfilm in zwart-wit overblijft met een veel te nette Henry Fonda als Tom Joad en met een slot waarin geen blote borst te zien is.

Een hoofdpersonage dat de lezer niet kan ontgaan is de «rollende oude rommel», oftewel de auto als symbool van de mobiele mens die de verschrikking achter zich denkt te laten maar die ook tegemoet rijdt. Al in Cannery Row brengt Steinbeck een hommage aan die beesten die over Route 66 naar Californië knorren, hoesten of pruttelen. Iemand, verzucht Steinbecks verteller, zou eens een essay moeten schrijven over de morele, fysieke en esthetische gevolgen van de Ford model T op de Amerikaanse natie. Al een paar generaties weten Amerikanen «meer van de Ford-condensator dan van de clitoris, meer van het planetaire versnellingssysteem dan van het sterrenstelsel». Met de Ford T veranderde het denkbeeld van persoonlijk bezit, omdat een combinatietang geen privé-eigendom meer was en een bandenpomp hoorde bij de man die hem het laatst had gebruikt. En wat betekende «thuis» nog toen de Ford T uitgroeide tot een huis «op weg» waarin zelfs baby’s ter wereld kwamen? Dat in Cannery Row verlangde essay wordt in The Grapes of Wrath geschreven en narratief uitgebuit: hoe onderhoud ik mijn auto? In de roman sukkelen «auto’s (…) langs de 66 als gewonden, hijgend en worstelend. Kokende motors, losse verbindingen, losse lagers, rammelende carrosserieën». Er wordt in de derdehands auto van de Joads gelachen, geleden en gestorven. Tot mijn verrassing heeft Steinbeck een meeslepende handleiding voor de vervanging van een zuiger en een drijfstang ingelast. De auto helpt de Joads vooruit, benzine is bijna vloeibaar goud. Go West! Tot je erbij neervalt, tot de motor oververhit raakt, tot de drijfstang het begeeft door een tekort aan olie.

«The times they are a changin’.» Die zin klinkt minstens drie keer op langs route 66. Vrouwen, zegt moeder Joad, zijn ontvankelijker voor verandering dan mannen, ze kunnen zich beter aanpassen. Zij krijgt dan ook het laatste woord in John Fords film; zij neemt in boek en film het heft in handen als leidster en hoedster van een familie die toch uit elkaar valt. Ook zij kan het maatschappelijk geweld en de wraak- en moordzucht niet keren. Zij pleit voor familiale harmonie, naastenliefde en het temperen van woede en gemeenheid. Maar vooral blijft zij in The Grapes of Wrath het vleesgeworden en onverstoorbare doorzettingsvermogen tegen alle zondvloeden in. Als The Grapes of Wrath een roman is over het «ik» dat opgaat in een «wij», verheft moeder Joad haar individuele stem tegen het patriarchaat.

Het komt allemaal goed omdat er overal verandering in de lucht hangt. «Vroeger kwam de familie eerst. Zo is het nu niet meer. ’t Is nu iedereen. Hoe slechter het ons gaat, des te meer helpen wij elkaar.» Zij biedt de ander de volle melkborst van haar dochter aan, zij blijft geloven in een land van melk en honing. Maar waar dat ligt? Moeder Joad zou het niet kunnen zeggen in Steinbecks matriarchale migrantenroman waarin Amerika een van honger verwrongen gezicht heeft.

John Steinbeck

De druiven der gramschap

Vertaald door Alice Snijder

Uitg. Contact, Amerikaanse Bibliotheek nr. 9, voorwoord Jan Donkers, 542 blz., € 29,50