Het pepsi max-gevoel

Alles hebben, niet zelden in tweevoud, en toch lijden. Aan het Pepsi Max- gevoel. ‘Been there… Seen it… Tried it… Experienced it…’ Een essay over de hedendaagse metafysische verveling en de jacht op ervaringen.
ER WORDEN MOORDEN gepleegd uit jaloezie, angst, razernij en schrik, maar het wekt enige verbazing wanneer iemand een medemens het leven beneemt vanwege een lichte irritatie, uit humeurigheid of desinteresse. Dat verveling aan de basis kan staan van een extreme daad als een moord is ondenkbaar. Een crime passionnel heeft zekere heroische, tot de verbeelding sprekende kwaliteiten en wordt vaak met een romantisch soort goedkeuring begroet. Maar iemand doden zonder dringende reden, instinctieve drift of tijdelijke ontoerekeningsvatbaarheid is regelrecht gruwelijk, want onbegrijpelijk. Waar angst en jaloezie plotseling in grote hevigheid kunnen opkomen, zijn irritatie, desinteresse of verveling stroperige, kabbelende emoties die we niet beschouwen als oorzaak van een extreme daad.

Ze staan bekend als de Stationsbende van Breda, zijn tussen de twaalf en de zeventien jaar oud en ontmoeten elkaar elke dag om vijf uur bij de bagagekluisjes van het station, na schooltijd. In de tijd dat ze wachten op de bus naar huis provoceren en terroriseren ze toevallige passanten. Op een dag pakken ze vijf meisjes van hun leeftijd en tuigen die genadeloos af, met bloedneuzen, gescheurde lippen en een gehoorbeschadiging als gevolg. Een andere keer wordt een twintigjarige vrouw eerst geintimideerd en bedreigd en vervolgens over het perron naar het spoor gesleurd. Door zich uit alle macht te verzetten kan de vrouw op het nippertje voorkomen dat ze onder de binnenrijdende trein terechtkomt. Als straf voor haar tegenwerking wordt ze grondig afgetuigd.
Deze bende bestaat uit vijf meisjes. De aanvoerster is een puber uit een keurige nieuwbouwwijk, die het goed doet op het VWO en heel aardig viool speelt. Wanneer zij en haar gang zijn opgepakt en zich moeten verantwoorden voor hun daden, verklaart ze: ‘We verveelden ons.’
Opvallender dan het geslacht van de jonge criminelen zijn hun goede komaf en nieuwbouwachtergrond - en het motief voor hun criminele daden. (Dat het zwakke geslacht zich moeiteloos even gewelddadig en wreed manifesteert als de sterke tegenpool is alleen maar goed. 'Gelijke kansen en gelijke rechten op elk gebied’ impliceert ook dit soort communicatie- en expressietechnieken.)
Onder het motto 'De mooiste verhalen vind je in de krant’ lees ik bij schooloptredens vaak een klein kranteberichtje voor. 'Drie jongens doden uit sensatiezucht willekeurige vrouw’ beschrijft hoe een veertigjarige verpleegkundige doelbewust werd vermoord omdat drie jongens besloten 'wegens de kick’ een willekeurig iemand de hersens in te slaan. Ze hadden niks te doen, vandaar, en zochten afleiding en opwinding.
VERVELING IS EEN ingrijpender aandoening dan op het eerste gezicht lijkt, en niet alleen sociologen onderkennen het verband tussen ledigheid en geweld of agressie. Nu de samenleving meer en meer verdeeld raakt in mensen die overbezet zijn ('druk, druk, druk’) en mensen die 'niets te doen’ hebben, is verveling een steeds vaker voorkomend verschijnsel. Maar dat hoeft niet altijd erg te zijn. Als het starre calvinisme dat verantwoordelijk is voor ons ouderwetse arbeidsethos eindelijk eens ter ziele gaat, kan verveling misschien een andere waarde krijgen dan uitsluitend een negatieve, en zelfs als een basis worden gezien voor creativiteit en nieuwe mogelijkheden die normaal gesproken niet worden opgemerkt.
Mijn oma heeft zich nooit verveeld, zegt ze. Toen zij jong was, was er altijd wel iets te doen. En dat was maar goed ook, want ledigheid is des duivels oorkussen, jongen, dat weet je toch? Dat ze tegenwoordig wezenloos voor zich uit starend zit te luisteren hoe de geraniums groeien, kan haar er niet van weerhouden vreselijk te gaan sputteren als er weer zo'n jongere van tegenwoordig zucht dat hij zich te pletter verveelt. Hij heeft de oorlog niet meegemaakt, daar ligt het natuurlijk aan! Nergens interesse voor kunnen opbrengen is toch ongehoord! Vooral in deze verwende, overvloedig luxueuze tijd. De jongeman heeft alles wat zijn hartje begeert, en vroeger hadden we niets! Helemaal niets! Breien kon je, of samen zingen bij de houtkachel, of halma spelen, maar je vervelen… toe nou!
Dat oma zich nooit verveelde, was omdat men zich in haar tijd niet mocht vervelen. In het zweet zijns aanschijns moest de mens zijn brood verdienen, en het grootste deel van zijn leven ging daar inderdaad ook aan op. Soms zestien uur per dag, zes dagen in de week, stonden sterke mannen en een handjevol vrouwen zwoegend een arbeidsethos in stand te houden dat rusten alleen toestond als het quotum Gedane Arbeid was gehaald. Gelukkig zou dat eenzijdige leven - werken, werken en werken - uiteindelijk door de Allerhoogste Ploegbaas worden gecompenseerd met een Eeuwigdurende Vakantie op de Hemelse Hobbyzolder.
TOEN IK KLEIN WAS jengelde ik weleens tegen mijn 'ma- hamma’ dat ik me 'vervee-heelde’, en dan kocht ze een boek voor me of liet een zwembad aanleggen in de tuin. Daarmee was het probleem opgelost. Tegenwoordig heb ik geen seconde niet iets te doen. Net als mijn meeste kennissen ben ik niet in staat me te vervelen. Ik weet niet goed wat dat is, 'niets te doen hebben’. De verveling die ik ken is van een andere aard, en niet eenvoudig onschadelijk te maken door een activiteit in de plaats te stellen van de daadloosheid en lege tijd op te vullen. Mijn soort verveling zou je 'oververzadiging’ kunnen noemen. Of het Pepsi Max-gevoel.
Een paar jaar geleden werd alles opeens light, tot en met mijn favoriete badschuim. Toen ook de vlotte, geslaagde man de voordelen van suiker- en caloriearmheid ontdekte maar light weigerde uit angst voor mietje te worden aangezien, toverde Pepsi’s reclamebureau 'Pepsi Max’ te voorschijn: van dezelfde slanke samenstelling als Pepsi Light maar met een stoer etiket en een mannelijke uitstraling. Om die oude wijn in een nieuwe zak het publiek door de strot te duwen, sleepte men vier gezonde hyper-Amerikaanse surfknullen aan hun grunge-haren voor de camera en liet ze knauwend uitleggen waarom Pepsi Max toch echt heel erg nieuw, fantastisch te gek en een heuse uitdaging was. Die commercial vatte in een halve minuut genadeloos de verveling van de huidige tijd samen. Ongeinteresseerd maar oprecht getuigden de jongens dat ze alles wat de omnipresente amusements- en genotsindustrie te bieden heeft, weleens hadden geprobeerd en na die eerste keer niet meer interessant vonden: 'Been there… Seen it… Tried it… Done it… Experienced it… Tasted it… Jumped it… Surfed it… Aquadived it…’ Midden in een wereld tjokvol amusement, overspoeld door entertainment, waren ze nergens meer warm voor te krijgen, niet voor deltavliegen, bunjeejumpen, jetskien, oerwoudcrossen of survivallen, zelfs niet voor mountainbike-springen vanuit een vliegtuig… Maar gelukkig wel voor Pepsi Max!
Het gevoel van oververzadiging was voor hen geen reden lethargisch te worden en bij de pakken neer te zitten. Ze bleven zoeken naar opwinding, naar iets 'nieuws’, naar een volgende 'uitdaging’ - het toverwoord van deze tijd. Verveling vormde in hun geval een onontgonnen vlakte waarop nieuwe wegen konden worden aangelegd, of nieuwe huizen gebouwd.
De platte verveling van; niets te doen hebben, niet weten hoe de tijd moet worden gevuld, zal er altijd zijn. Dat hoort bij de mens, als hoop, blijdschap en angst. Die andere soort verveling, die voortkomt uit oververzadiging, is een cultuurverschijnsel. De lusteloosheid en inertie die uit de coffeshops walmt en van uitgezakte tweezitsbanken druipt, heeft een pendant in de kunst, waar de laatste jaren (weer) een toename zichtbaar is van door verveling geinspireerd of de verveling thematiserend werk.
In de popmuziek doorbrak Amerika de hegemonie van Engeland met de grunge, het rauwe, agressieve en blanke antwoord op de zwarte hiphop en rap. Bands als Pearl Jam, Buffalo Tom, Alice in Chains, Soundgarden en Nirvana gaven begin jaren negentig een generatie jongeren een stem. Het credo van de over het algemeen goed opgevoede, niet onbemiddelde stadsjeugd was die dreinende regel uit Nirvana’s jeukende song 'Smells Like Teen Spirit’: 'Here we are now, entertain us.’ Grunge was voor de popmuziek wat de bratpack voor de literatuur betekende: de cynische tegenstem van een illusieloze, antiburgerlijke generatie die de vinger legde op de zere plek van de vooruitgang.
In de cinema was die onder andere terug te vinden in het werk van veelal jonge regisseurs die werden gefascineerd door de (innerlijke) leegte die leek voort te vloeien uit de overvolheid van de kapitalistische, technologische maatschappij. Soms kwam daar extreem en 'zinloos’ geweld aan te pas, waarbij moraliserend commentaar uitdrukkelijk achterwege bleef. Geweld betekent in de huidige samenleving net zo veel of net zo weinig als regen. Schokkender dan de meedogenloze moorden was voor veel kijkers het totale gebrek aan motivatie bij de daders. Veel (serie)moordenaars die hun daden moesten verklaren kwamen niet verder dan een gemompelde variant op het thema 'Ik verveelde me’.
IN DE LITERATUUR waren het de Amerikaanse bratpack-schrijvers die een stem gaven aan de cynische lusteloosheid en maatschappelijke desinteresse van de generatie die na 1960 was geboren. Jay McInnerney, David Leavitt, Tama Janowitz en vooral Bret Easton Ellis overrompelden met hun romans en scherpe cultuurkritiek de literaire wereld. Ze brachten een boodschap die het establishment liever niet wilde horen, maar die intelligent en confronterend genoeg was om miljoenen jongeren te overtuigen en inzicht te geven in de tijd waarin ze leefden. Met de geboorte van de bratpack, halverwege de jaren tachtig, werd het levensgevoel van een generatie manifest, niet alleen in Amerika maar in de hele westerse samenleving.
Sinds de uitvinding van de marathon is bekend dat het riskant is om een slechte boodschap over te brengen, vooral als de waarheid die je verkondigt verontrustend is. Er werd dan ook vilein gereageerd op die 'stroming’ van dat grimmige conglomeraat Amerikaanse (en later ook Europese) schrijvers. Verwende adolescenten waren het, die het in hun hoofd haalden om de achterkant van de vooruitgang te laten zien, de bordkartonnen facade van de consumptiemaatschappij een halve slag te draaien en hem met de groezelige, aangevreten rug naar het publiek te zetten. Maar hun boeken werden gelezen en nog meer gelezen, en niemand kon dat tegenhouden, omdat het literatuur was waarin de tijdgeest werd beschreven zoals veel jonge mensen hem ervoeren.
Less than Zero, het debuut van Bret Easton Ellis en het 'Smells Like Teen Spirit’ van de moderne letterkunde, verscheen in 1985, en de literatuur is nog steeds niet helemaal van die schok bekomen. Het was de opmaat voor een verzameling hard-realistische romans van jonge auteurs die zich, met beide voeten in de contemporaine wereld, lieten inspireren door de wrange en bizarre keerzijde van de maatschappij waarin ze waren opgegroeid. Tegen de achtergrond van het rijke Los Angeles laat Ellis de geschiedenis spelen van een groep jonge mensen die vanaf hun geboorte alles in overvloed hebben gehad, nergens voor hoefde te vechten. Was de ultieme consumptiemaatschappij voor hun ouders nog iets om trots op te zijn, het verdiende resultaat van een leven lang hard werken en investeren in de toekomst, zijzelf haalden er hun schouders over op. In plaats van blij te zijn over de materiele vooruitgang gaapten ze nog een keer en vroegen zich af wat ze nu weer eens zouden gaan doen. En die ouders kwaad natuurlijk…
Less than Zero is een roman die het moderne ennui haarfijn verbeeldt, net als Ellis’ derde roman American Psycho, waarover straks meer. De titel is afkomstig uit een nummer van Elvis Costello, die ergens zingt: 'Everything means less than zero.’ Voor Ellis’ personages heeft niets betekenis, of hoogstens van oppervlakkige of tijdelijke aard. Ze worden verteerd door verveling en apathische ontevredenheid, zijn gefrustreerd en bovenal machteloos. In hun verlangen nog iets te ervaren dat echt is, zoeken ze extremen. Jong, rijk en mooi als ze zijn verveelt alles ze tot in hun botten. Ze zitten gevangen in een eindeloos, onverdraaglijk heden, en zijn voortdurend op zoek naar een ervaring die indruk maakt, naar een werkelijkheid die helaas niet bestaat, een spirituele versie van Pepsi Max. Ze lijden aan een martelende honger te midden van de overvloed.
Dat alles voorhanden is, dat alles te koop is in hun kapitalistische, op eindeloos consumeren gebouwde wereld, is geen oplossing van hun probleem maar juist de oorzaak. Hun verveling is niet van materiele aard en kan dus niet worden 'verholpen’ door bezigheden in de plaats te stellen van de leegte. Ze lijden aan een kosmische of metafysische verveling. Het gaat niet om 'niets te doen’ hebben, maar om 'niets te ervaren’ hebben. Externe prikkels zijn niet krachtig genoeg.
LESS THAN ZERO - en postpunk-bratpack- proza in het algemeen - wordt, ondermeer door blank generation fiction-kenner Elizabeth Young, wel in verband gebracht met de ideeen van de Parijse situationisten, een revolutionaire politieke groepering die in 1957 werd opgericht. Zich baserend op marxistische theorieen stelden ze dat in de naoorlogse consumptiemaatschappij mensen niet alleen vervreemd zijn geraakt van hun werk maar ook van het eigen leven. Hun verlangens en hun genot bezitten ze namelijk niet langer zelf, want die worden hen als produkt verkocht door de amusements- en ontspanningsindustrie. Alles is een commodity, een handelsartikel, zowel in het sociale en het seksuele leven als op het gebied van kennis en cultuur. Dat proces waarin menselijke eigenschappen worden omgesmeed tot een commercieel item, heeft ons vervreemd van ons eigen bestaan. Wat het kapitalisme te bieden heeft, is allemaal buitengewoon verleidelijk, belooft al onze verlangens te bevredigen en onze dromen te doen uitkomen, maar de enige manier om dat paradijs te betreden is door te consumeren.
Raoul Vaneigem, een van de belangrijkste situationisten, vroeg zich af: 'Hoe kun je leven in een wereld waar je overal voor moet betalen?’ Doordat alles binnen een of andere life- style past en als commodity dient, wordt onze werkelijkheid een tweedehands realiteit. Het is dan niet langer mogelijk onderscheid te maken tussen het echte en het schijnbare, tussen waarheid en leugen.
Drie decennia later is die opvatting alleen maar onweerlegbaarder geworden. We zijn consumenten-tot-op- het-bot, en we dartelen vrolijk rond in de permanente koopavond die het leven in het Westen 1995 is. Bret Easton Ellis heeft dat perfect aangevoeld, en laten zien. Zijn personages zijn de ultieme consumenten, de belichaming van het gebrek aan diepgang, zingeving en betekenis van de postmoderne wereld. Mensen zijn gereduceerd tot persoonlijkheidloze nummers, passieve consumenten, wier verlangens nooit kunnen worden bevredigd omdat ze kunstmatig in het leven zijn geroepen, als assets in een markt van vraag en aanbod. Het verlangen naar ervaringen die authentiek zijn, wordt telkens opnieuw gefrustreerd, waardoor verveling ontstaat - verveling die niets te maken heeft met het wel of niet zinvol kunnen vullen van de tijd, maar alles met het wel of niet zinvol kunnen vullen van het eigen leven.
Ook in het recente werk van een aantal 'jonge’ Nederlandse schrijvers staat de verveling van deze tijd centraal. De 28-jarige Don Duyns laat zijn vermoeide held Job Zeeman (in de roman Een gelukkige jeugd) denken: 'Is het soms dankbaar om jong te zijn in een tijd waarin alle illusies als loos en naief zijn doorgeprikt? Waarin het verlangen naar verandering heeft plaatsgemaakt voor de zucht naar efficiency. Waarin mannen met grijze baarden en Palestinasjaals bepalen wat nieuw en revolutionair is, terwijl ze zelf al decennia geleden zijn ingedommeld.’ In de boeken van Joris Moens, Hermine Landvreugd, Erik Caspers, Arjan Witte, Jack Nouws, Ronald Giphart, Jerry Goossens en Tommy Wieringa zijn gelijksoortige gedachten te vinden. Te veel auteurs om nog van toeval te kunnen spreken plaatsen kanttekeningen bij de pragmatische geest van deze tijd en durven hardop te zeggen dat ze vaker dan wenselijk is worden overvallen door het Pepsi Max-gevoel.
EEN EEUW GELEDEN HEETTE het ennui, of spleen, en nu, wat prozaischer, gewoon verveling. Wat in de kunst en literatuur van de generatie van negentig een plaats heeft als 'oververzadiging’, 'illusieloosheid’, 'desinteresse’ of 'geestelijke leegte’ is vergelijkbaar met wat een eeuw geleden 'decadentie’ werd genoemd.
Met name in Frankrijk, Italie en Engeland bloeide een decadente sensibiliteit, die in het werk van Joris-Karl Huysmans, Gabriele D'Annunzio en Oscar Wilde een hoogtepunt bereikte. De kunstenaars van de decadentie bezongen de schoonheid van het kwaad, vonden Satan een stuk interessanter dan God en verzetten zich tegen de burgerlijke moraal. Aan het einde van de negentiende eeuw was het industrialisme de belangrijkste drijfveer, en de voornaamste waarde die daarbij hoorde was die van de produktiviteit. De maatschappij werd geregeerd door nut, moralisme, saaiheid, burgerlijkheid en middelmatigheid. Alleen een leven op de toppen van de zintuigen, morele verwording en excessen konden - volgens de kunstenaars - als tegenwicht dienen voor de rationele bedrijvigheid der nuttige burgers. Het boek dat de geest van die tijd het best illustreert is A Rebours van Joris-Karl Huysmans, het 'brevier der decadentie’.
Jean Les Floressas Des Esseintes, de laatste zoon van een vermoeid geslacht, keert zich van de wereld af om een kunstmatige wereld te creeren in zijn huis. Lijdend aan ennui en spleen vermijdt deze degenere elk contact met mensen, en omringt zich met kunstvoorwerpen die hem nog enigszins kunnen prikkelen. Hij experimenteert met zijn zintuigen. Uiteindelijk is een van zijn grootste uitdagingen het nuttigen van een morsige homp brood. Voor een man die de allerhoogste toppen van het esthetisch genoegen heeft beklommen, is alleen nog het meest verdorvene een kick.
'Wat hij ook aangrijpt, een immense verveling blijft hem terneer drukken. (…) Zijn uitgeputte zintuigen, verzadigd, omdat ze van al het denkbare hadden geproefd, raakten in een toestand van ongevoeligheid; Des Esseintes was nagenoeg impotent.’
Iemand die alles al heeft gezien, zal zich niet snel meer verbazen, zal niets meer voelen. Alleen aan de grens van het voorstelbare kan hij ervaren dat zijn zintuigen en emoties nog werken. Een dergelijk probleem speelt ook Patrick Bateman parten, nazaat van Des Esseintes, held van onze tijd en protagonist van American Psycho (1991), de derde roman van Bret Easton Ellis. Dat boek is even illustratief voor de hedendaagse tijdgeest als A Rebours dat was voor die van een eeuw terug.
Bateman begaat gruwelijke misdaden (of denkt die te begaan). Hij doet dat omdat hij alleen dan nog iets kan voelen, 'die allerzeldzaamste aller gebeurtenissen - een golf adrenaline’. Zijn 'ernstig verzwakte vermogens om iets te voelen’ zetten hem aan tot extreem geweld. Bateman lijdt aan een typisch decadente ziekte: zijn zenuwen zijn afgestompt. Hij heeft extreme prikkels nodig om nog iets te voelen. Hij leeft in de wereld van het teveel, een overvolle tijd.
Patrick Bateman is een aan spleen en ennui lijdende dandy, een eeuw na Des Esseintes, met een 'ongeneeslijke, diepe wond, het gevolg van oververzadiging, ontgoocheling en verachting in een verziekte geest, gekweld door het heden, walgend van het verleden, reeds verschrikt en ontmoedigd door de toekomst’. Hij heeft alles, waarschijnlijk in tweevoud, maar hij lijdt. Aan het Pepsi Max-gevoel.
'BEEN THERE… Seen it… Tried it… Done it… Experienced it… Tasted it… Jumped it… Surfed it… Aquadived it…’ Die grunge-knullen hebben het allemaal wel gezien. Alles is oninteressant geworden, tweedehands. Vervelend. En die verveling, veroorzaakt door oververzadiging, is een cultuurverschijnsel, een typisch symptoom van dit fin de siecle, een fenomeen dat met de vooruitgang is meegekomen, als een vogelspin met een lading bananen. Of een dodelijk virus in een fles Pepsi Max.
Die conclusie hoeft echter niet droevig te stemmen. Het Pepsi Max-gevoel is niet een conclusie, maar een premisse. De grunge-jongens vervelen zich. Dus gaan ze op zoek naar kicks, een moment van authentiek leven. Adrenaline. Opwinding. Iets om de verveling te verdrijven. Al doende openen ze misschien nieuwe wegen, ontdekken ze nieuwe mogelijkheden. Voor de kunstenaar geldt hetzelfde. Zoals romancier Joris Moens, geboren in 1962, het in een interview met HP/De Tijd formuleerde: 'Het hedendaagse vervelen is een staat van onbehagen, niet een zelfgenoegzaam gewentel in nietsdoen. Wij zijn geen Oblomovs. Alles is er, dat was voor de generaties voor ons een eindpunt, maar wij moeten daar een vertrekpunt van zien te maken.’