Rugby verenigt geweld en schoonheid

Het perfecte vermaak voor de mens

In Australië strijden de laatste vier landen om de titel in het wereldkampioenschap rugby, het derde grootste sportevenement na het WK Voetbal en de Olympische Spelen. Rugby verenigt twee schijnbaar tegenstrijdige elementen: geweld en schoonheid.

Het verhaal begint als de speler met nummer tien op zijn rug de bal hoog de lucht in trapt. Een scrimmage ontstaat. Hoofden stoten tegen elkaar; het eerste bloed van de wedstrijd vloeit. Dan verschijnt de bal bij de aanvallende scrumhalf. Met een duikslag passt hij hem naar de nummer tien, de fly-half, die met een schijnbeweging aftrapt met zijn rechtervoet, zijn balans verplaatst naar zijn linkervoet, zodat hij als een geest onaangeraakt door een gat in de verdediging glijdt en met de bal onder zijn arm over de doellijn van de tegenstanders duikt. Vijf punten. Dan de conversie. Hij stelt de bal op een kicking-tee, doet vijf stappen achteruit, kijkt naar de twee rechtopstaande doelpalen, treedt naar voren en treft de eivormige bal precies goed: op de wreef en ongeveer acht centimeter van de onderste punt. Het stadion juicht. Nog twee punten.

Een gedroomd scenario dat de essentie van rugby bevat. De sport verenigt namelijk twee schijnbaar tegenstrijdige elementen: geweld en schoonheid. Tegenover de kracht van de voorspelers in de scrum staat het lyrische van de snelle achterspelers. Bepalend is vooral de mythologie van de fly-halfheld. Net als de centrale aanvaller in het voetbal is in het rugby de fly-half een speler die de toeschouwer overrompelt met avontuurlijk spel dat zich kenmerkt door kracht, moed en talent. De fly-half is als een held in een klassiek epos: hij heeft ogenschijnlijk bovenmenselijke krachten terwijl hij ook de gewone mens representeert. Hij is een nationale held die het karakter van een volk weerspiegelt. Odysseus, Beowulf of meer modern Frodo in The Lord of the Rings of Neo in The Matrix zijn de archetypen van de rugby fly-half.

Neem een beroemde fly-half als de Welshman Phil Bennett die in 1973, spelend voor de Barbarians tegen de All Blacks uit Nieuw-Zeeland, aan de wieg stond van een van de mooiste try’s aller tijden. Bennett kreeg de bal diep in zijn eigen helft. De verstandige uitweg zou zijn geweest de bal zo ver mogelijk weg te trappen. Maar Phil Bennett begon te dansen. Klein als hij was, als een Frodo, nam hij het op tegen de reuzen van de tegenpartij. Tot drie keer toe ontweek hij tackles van de All Blacks. Het gevolg was een try door de Barbarian scrumhalf Gareth Edwards nadat vrijwel het hele team de bal had gehanteerd.

Of de Zuid-Afrikaan Naas Botha, die zich gedurende de helft van zijn carrière in de marge van de rugbywereld bevond wegens de in sportboycots resulterende apartheidspolitiek van zijn land. Midden jaren tachtig zag ik Botha spelen in de bekerfinale van de Zuid-Afrikaanse competitie. In die tijd waren deze wedstrijden enorm populair door de afwezigheid van een internationale competitie. Meer dan zestigduizend mensen woonden de finale bij in het beroemde stadion Ellispark in Johannesburg, waar Zuid-Afrika in 1995 na het afschaffen van de apartheid het WK won.

Terug naar de donkere dagen: in de bekerfinale speelde Botha voor Noord-Transvaal tegen Transvaal. Mijn team, dat zich tegenwoordig de Gauteng Lions noemt, was straten beter. Maar de tegenpartij, nu de Northern Bulls geheten, had Botha… Hij, die met het blonde haar, die een genie was, als Johan Cruijff, Maradona, Pele of de beste voetballer die ik ooit heb gezien, Marco van Basten. Als een generaal controleerde Botha de bekerfinale op Ellispark. Het leek wel of hij de goden aan zijn kant had. Dat hij bovennatuurlijke krachten bezat, stond vast. Met fenomenaal spelinzicht en techniek liet hij mijn team alle hoeken van het veld zien. Eigenhandig won hij de beker. Ik haatte hem toen. Terugkijkend sta ik versteld van zijn magie.

De geesten van Botha en Bennett zijn nog altijd voelbaar in de internationale rugby wereld, ook nu het WK Rugby in Australië een climax bereikt. Afgelopen weekend rekende de gedoodverfde winnaar — de All Blacks — af met de Springbokken uit Zuid-Afrika. Komend weekend nemen de All Blacks het op tegen Australië. In de andere halve finale speelt Engeland tegen Frankrijk. Deze teams hadden gewonnen van respectievelijk Wales en Ierland.

Het WK Rugby is het derde grootste sportevenement na het WK Voetbal en de Olympische Spelen. Hoe is de groeiende populariteit van de sport te verklaren? Marketing speelt een grote rol; er gaan miljarden om in het rugby sinds het een professionele sport is geworden. Maar er is een diepere reden, en dat heeft te maken met het feit dat geweld en rugby hand in hand gaan — beide zijn deel van de psychologische opmaak van de mens.

Aan de vooravond van het WK Rugby schreef Thomas Kenneally, de auteur van Schindler’s List, in The Sydney Morning Herald: «Nu komt het: zes weken van vuistgevechten, bottenbrekende aanvallen, vingers in ogen, knieën in nieren, armen om nekken, het grijpen naar jockstraps in stinkende scrums. ‹Rugby! Rugby!›, zingen de hemelse koren. ‹Prijs de heer en laten we ons storten op de scrimmage›, zingen de engelen. Oké, rugby is onze geschiedenis. Rugby is de robuuste herhaling van eeuwige territoriale oorlogen. Rugby is het theater waarin de mens zijn vijandigheid jegens zijn medemens herhaalt sinds het moment dat God de planeet aarde in de afgrond stortte, ons vergat en ons alleen liet om erachter te komen hoe wij onszelf kunnen vermaken op de meest perfecte manier.»

Perfect vermaak, inderdaad. Maar Kenneally’s observaties doen weinig recht aan het feit dat rugby niet alleen schoppen en slaan is. Het is ook een hoogst technische sport waarbij dertig spelers strijden om bezit van de bal. De regels, versimpeld: een speler pakt de bal, rent naar de doellijn van de opponenten en passt de bal naar een medespeler in het geval van een tackle. Men scoort een try (vijf punten) wanneer hij de bal over de lijn op de grond achter de vijandige doellijn neerzet. De kicker kan nog twee punten voor zijn team verdienen door vervolgens de bal tussen de doelpalen door te trappen.

Het fundamentele verschil tussen rugby en voetbal is dat je in rugby de bal met je handen mag aanraken. Toch zijn beide sporten historisch gezien onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Bovendien leert de geschiedenis dat de moderne voetbalsport is gebaseerd op een misverstand, namelijk dat het ontoelaatbaar is de bal met de handen aan te raken. Zo bezien is het rugby veel authentieker dan het voetbal.

Beide sporten ontstonden meer dan tweeduizend jaar geleden in China ten tijde van de Han-dynastie. In Europa speelden de Romeinen een afgeleide ervan, «harpastum» geheten. De sport ontwikkelde zich vooral in de tijd van Julius Caesar. Een officier van zijn leger die zich een bekwame speler van harpastum toonde, wachtte een gouden toekomst. Onder de heerschappij van Caesar vond harpastum ingang in Groot-Brittannië. In harpastum moesten twee teams een «bal» — een stuk leer gevuld met veren — tot over de doellijn van de tegenstanders dragen. Hierbij was alles toegelaten, ook het aanraken van de bal met de handen.

In de twaalfde eeuw, volgens The Ultimate Encyclopedia of Rugby (Carlton Books, 1997), was iedereen in en om Londen gek van foote balle. Hele dorpen streden tegen elkaar. Het speelveld strekte zich kilometers ver uit. Wedstrijden duurden dagen lang. Het spel was bloeddorstig. Schering en inslag was het gebruik van botte voorwerpen bij het veroveren van zowel terrein als bal. Het doel van het spel was om de bal terug te brengen naar een centraal punt in het dorp, bijvoorbeeld een plein of een waterput. Volgens sommige bronnen symboliseerde de bal het hoofd van de koning of dat van een wild dier. Behalve het schoppen en het dragen van de bal kon je hem ook verplaatsen door met een stok te slaan. Velen verloren hun leven, bijvoorbeeld door tijdens het spel in een rivier te verdrinken. Rust kwam alleen ’s avonds als het donker werd.

Algauw verspreidde de sport zich over heel Europa, maar de extreme gewelddadigheid ervan noopte Engelse, Schotse en Franse monarchen foote balle te verbieden. Immers, de veldslagen om de bal weerhielden de mannen van meer nuttige bezigheden, zoals het boogschieten oefenen.

Het mocht niet baten. In de achttiende eeuw was het «voetballen» een gevestigde sport in beroemde scholen als Winchester College en Eton College. Hierbij diende zich de kernvraag aan welke versie van de sport te spelen. Mocht men de bal oppikken en ermee rennen? En hoe zat het nu met dat gebruik van de vuist om een opponent uit te spelen? In 1839 richtte Arthur Pell, een oud-leerling van de Rugby School in het Engelse stadje Rugby, een rugbyclub op aan Cambridge University. Tijdens een wedstrijd tussen de club van Pell en die van Eton waren de Etonians verbijsterd toen ze zagen dat de Rugbyers de bal met de handen aanraakten. In Eton was men er namelijk allang aan gewend de bal alleen met de voet te schoppen.

Het geharrewar over de regels kon niet langer. In 1863 vergaderden ondersteuners van de «schopregels» en pleitbezorgers van de «draagregels» in Londen om een compromis uit te hameren. De «schoppers» vielen vooral over de eis van de «dragers» dat het mogelijk moet blijven tegen het scheenbeen van de opponent te trappen, hem ten val te brengen en de bal met de handen te pakken en ermee te rennen. De schoppers stormden uit de vergadering. De eerste en doorslag gevende breuk tussen het rugby en het voetbal was een feit.

In de jaren daarna ontwikkelde het rugby zich vooral in de koloniën van het Britse Rijk. Deze landen vormen vandaag de dag het machtscentrum van het moderne rugby: Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland. De andere sterke rugbylanden zijn Engeland, Frankrijk, Wales, Ierland en Schotland. Vooral Engeland maakt de laatste jaren een spectaculaire comeback. Het land bekleedt nu de eerste plaats op de internationale rugbyranglijst.

Het succes van Engeland is evenwel tekenend voor een verontrustende ontwikkeling in het rugby. De macht van Engeland, en in mindere mate die van de andere rugby reuzen, is vooral gebaseerd op geld. Gevolg: het WK Rugby is voor het grootste deel een spectaculair kluchtspel. Want van de in totaal 48 wedstrijden doen er in werkelijkheid slechts acht toe. Van tevoren stond namelijk al vast dat de acht grote rugbylanden zouden doordringen tot de laatste rondes van de competitie. De sloebers die in de voorrondes tegen deze reuzen moesten spelen, komen veelal uit arme werelddelen: de Stille Zuidzee (Fiji, Samoa en Tonga), Oost-Europa (Roemenië) en Afrika (Namibië). De rugbyers uit deze landen zijn kerkratten vergeleken met supersterspelers die zwemmen in de miljarden die men in de sterke landen in de sport pompt. Deze miljarden vloeien direct uit de opbrengst van uitzendrechten verbonden aan grote internationals. De genoemde arme landen krijgen vaak geen cent. De situatie is nu zo erg dat ten minste één land, Samoa, heeft gezegd wegens gebrek aan geld wellicht in zijn laatste WK te hebben gespeeld.

Dat is een tragedie, temeer omdat de verstoorde machtsverhouding tussen de kleine en de grote rugbylanden steeds meer lijkt op die tussen een meester en een slaaf. In de augustuseditie van het Pacific Magazine valt te lezen dat witte rugbyscouts uit vooral Australië en Nieuw-Zeeland de eilanden in de Stille Zuidzee overspoelen op zoek naar veelbelovend talent. In dit proces gedragen de scouts zich als de slavendrijvers van destijds.

De Samoaan en oud-speler van de All Blacks Michael Jones stelt dat jonge Samoaanse spelers ongewild verstrikt raken in het rugbysysteem van Nieuw-Zeeland. Volgens de regels van de Internationale Rugbyraad mag een Samoaan die eenmaal heeft gespeeld voor een Nieuw-Zeelands team nooit meer voor Samoa spelen. Hetzelfde geldt spelers uit Fiji en Tonga. Het tegenargument, namelijk dat een jonge speler een mooie toekomst wacht als professionele rugbyer in Nieuw-Zeeland of Australië, gaat niet op, vindt het blad. «Dat argument staat gelijk aan de glazen kralenketting die de slavendrijvers destijds gebruikten om jonge Samoaanse mannen aan boord van de slavenschepen te lokken», aldus het artikel.

Het talent van met name de Samoanen en de Fijianen was juist dit jaar evident op het WK. De razendsnelle Fijiaan Rupeni Caucaunibuca heeft meer natuurlijke aanleg voor het rugby dan de meeste andere deelnemers aan het WK. Ironisch genoeg is dat juist de reden waarom de kans vrijwel nihil is dat hij over een maand nog voor Fiji zal spelen. Geld is de allesoverheersende macht in het hedendaagse rugby.

En toch: het rugby heeft iets puurs, iets spiritueels. Het is in zekere zin als kunst. Auteur J.M. Coetzee schrijft: «Het rugby is als een verhaal. Het spel belooft betekenis te geven aan een tijdruimte. Het vervult deze belofte dikwijls genoeg om de toeschouwer keer op keer te laten terugkeren. Voor postreligieuze mensen wier leven is ondergedompeld in chronos, die zichzelf voelen sterven terwijl zij nog leven, is het rugby een transcendentale belevenis. Wanneer het proces zich vaak genoeg herhaalt, krijgt een zaterdagmiddag iets meer betekenis dan een zondagochtend.»

Behalve het spirituele — het euforische gevoel bij de toeschouwer als zijn team punten aantekent — ligt de ware betekenis van het rugby in de geschiedenis van de mens. Zoals auteur Kenneally stelt: op een abstract niveau is de sport een heropvoering van oude territoriale oorlogen. Het WK in Australië is een «oorlog» tussen landen. In het conflict zijn er helden: spelers als de All Black Carlos Spencer, die betovert met zijn kracht, elegantie en vaart. En er zijn schurken: de Zuid-Afrikaanse aanvoerder en voorspeler Corne Krige, die in een scrum probeert het been van een opponent te verbrijzelen terwijl de bal nergens te zien is.

Je blijft kijken, je blijft dezelfde Krige aanmoedigen als hij vijf minuten later een magistrale tackle uitvoert. De schoonheid van al dat geweld laat je schrikken, zeker wanneer de herhaling in slowmotion komt. De verrukking is er niet minder om, want dan pakt de held de bal en hij danst en pirouetteert en scoort, zodat de overwinning een feit is en het verhaal goed afloopt.

De halve finales van het WK Rugby zijn op 15 en 16 november rechtstreeks te zien op de zenders TV5 en France 2