Het perspectief van de verliezers

De Vlaamse schrijver Louis Paul Boon stierf in mei 1979, maar vergeten is hij niet. Uit een onderzoek van het Vlaamse weekblad Knack, uitgevoerd in 2008, bleek dat Boon wordt gezien als de belangrijkste schrijver van Vlaanderen en wel vooral door zijn meesterlijke roman De Kapellekensbaan. In datzelfde jaar zorgde hij ook nog voor ophef met zijn Fenomenale Feminatheek: een verzameling oude foto’s en prenten van schaars of geheel niet geklede dames. Het tentoonstellen van deze foto’s werd in Antwerpen verboden, waarna ze prompt in Gent werden getoond.
Boon was een linkse schrijver met een enorme productie met daarin als centraal thema de arbeidersklasse en het socialisme. Duidelijk kwam dit tot uiting in Pieter Deans, of Hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht. In dit in 1971 verschenen boek paste hij zijn favoriete methode toe: het zoveel mogelijk verzamelen van historische feiten en die vervolgens verwerken in een goed geschreven, boeiend verhaal.
Bij Boon gaat de geschiedenis leven. Dit geldt ook voor Het Geuzenboek, dat hij kort voor zijn dood voltooide. Het is een bijzonder boek, vooral voor Nederlanders, omdat hierin vanuit Vlaams perspectief over de Tachtigjarige Oorlog wordt geschreven; dat wil zeggen vanuit het perspectief van de verliezers. De noordelijke Nederlanden bevochten hun onafhankelijkheid op Spanje en beleefden hun Gouden Eeuw. Maar de zuidelijke Nederlanden, waar eveneens hard en bloedig was gestreden voor vrijheid, bleven onder het Spaanse juk. Boon schrijft in zijn slotzin: ‘En Vlaanderen was overwonnen en stierf, en alle Geuzen waren er uitgeroeid, amen en uit.’
In Het Geuzenboek schrijft hij natuurlijk ook over keizer Karel V, Filips II en Willem van Oranje, maar Boon wil toch vooral het verhaal vertellen van het gewone Vlaamse volk dat het calvinisme omarmde in de hoop op een menswaardig bestaan, en dat meedogenloos werd vervolgd door de Spaanse inquisitie. De vele Vlamingen die op de brandstapel stierven, geeft hij een naam.
Verder laat hij zien hoe in de strijd tegen Spanje klassentegenstellingen al een rol speelden. De opstand van de arme wolwevers in de Vlaamse Westhoek en de tapijtwerkers in Oudenaarde, die de Bosgeuzen vormden, was niet in het belang van de welvarende calvinisten in Antwerpen en Brugge, die het alleen ging om godsdienstvrijheid. Revolutie paste evenmin in het concept van Willem van Oranje. De Bosgeuzen voelden zich in de steek gelaten en Willem ‘werd overal in het zuiden als een verrader beschouwd’, schrijft Boon. Maar in het noorden werd hij de ‘vader des vaderlands’.

Louis Paul Boon, Het Geuzenboek, De Arbeiderspers, 1979