Het piepkleine lied

Enge woorden
Ik kan niet slapen van het woord nacht- merrie. Want hoe ziet zo'n dier eruit, vuil bleek en zacht met een verwarde vacht of kwaad en stakerig? Tot je de muil
ziet die barst van de hak- en snijtanden (denk ik) lijkt een nachtmerrie op een paard in de penarie, langs steile rotswanden
en dan draait hij de kop om en staart je aan. Hij grijnst. Uit zijn lege ogen druipt slijk (Wie heeft die enge woorden in mijn hoofd gedaan? Nu ben ik bang voor ‘monsterlijk’!)
Esther Jansma
In de pauze
ik had je een gedicht gestuurd omdat je zo ver weg stond op het schoolplein en steeds druk met je vriendinnen in de weer
ik wou dat je aan mij - alleen aan mij onrustig, dat je dacht, en niet kon slapen ik wilde dat je bij de telefoon
je tas leek voller toen je binnenkwam, die ochtend je was bijna te laat, en rood, gehaast zocht je je plaats, ik was er al, al vroeg
van schuin opzij keek ik naar je profiel je rode krullen, naar je hand, onrustig je keek niet op, dat hele uur niet, in de pauze zag ik je buiten, in de tweede pauze ook ik verfrommelde mijn tekst en hield de prop
een uur nog in mijn hand, ik kneep en kneep de letters weg, ik dacht je naam, je lach, je stem zei in mijn oor: waar is lokaal 3G? we zijn te laat
de gang was leeg de klas verdwenen ik kon niet opzij gaan voor je blik, je hand, er zweeft een hand voor mijn gezicht, ik wil, je bent
Maria van Daalen
Ei in ei
Als ik mij openpel, vind ik een kind in mij. Als ik dat kind dan open weer pel, zie ik weer mijzelf terug. Er zit niks in een groot mens dat niet in een kind zit, er zit niets in een kind, dat niet dat worden kan, dat & dat allemaal groot is.
Openpellen en natuurlijk groeien met dat binnenei, anders wordt niemand groot. Dóórgroeien tot je dan van binnen dat of dit bent. Dan komt er vanzelf een moment dat je je wilt openpellen. Eerst jezelf, dan jezelf in jezelf.
Ei in ei. Pellen. Straks. Gewoon doorgroeien.
Waarom ben ik zo groot een ei geworden, met een klein ei erin?
Arno II von Brechelhain
Winternacht
toen ik plotseling wakker werd was het tien voor half tien tien voor half tien in de morgen? tien voor half tien in de nacht
een reusachtige locomotief trok fluitend een wagen met spelende beren nee niet spelend maar op de mandoline
overal langs de kant stond het boordevol mensen met vlaggen van kauwgum heel langzaam gingen die vlaggen bijna net niet heen en weer
en op de top van een witte berg veel te ver stond een huis met rode pannen nee niet voor soep met een schoorsteen waar rook uit kwam en overal lichtjes
hoe hard ik ook liep ik kon die trein niet meer halen de beren zongen tsiedeliediem dag meisje lief dag meisje
toen ik plotseling wakker werd was er niets meer van ze te zien tien voor half tien in de nacht? tien voor half acht in de morgen
Doeschka Meijsing
Stoeltjeslied
Ik zit op mijn stoeltje heel vaak in de kring. Ik ken een leuk liedje dat ik zo graag zing. Waar gaat dat liedje over, dat piepkleine lied, waar gaat het dan over, je gelooft het haast niet.
Het gaat niet over dat nee, het gaat niet over dit, maar over het stoeltje waarop ik nu zit. Ik zit op mijn stoeltje en denk dan zo vaak: wat knap van die man die dat stoeltje heeft gemaakt.
William heet ie en als hij hier kwam, dan zei ik beslist 'Dank je wel, William’. Ik zit op zo'n stoeltje, heel vaak en heel graag. Het lied van de stoeltjes, dat zing ik vandaag.
Ed Leeflang
Ik had haar nog nooit gezien
'Blijf staan’, zei ze en ik bleef staan.
'Word verliefd op mij’, zei ze en ik werd verliefd op haar.
'Begrijp niets van jezelf’, zei ze en ik begreep niets, maar dan ook niets van mezelf.
Toon Tellegen
Anderen
Ze zien me. 'Je moet aardig zijn!’ roepen ze. Ze hollen me achterna, halen me in, grijpen me beet. 'Je moet aardig zijn voor iedereen!’
Ze gooien me tegen de grond, slaan hun vuisten op mijn gezicht, duwen hun knie in mijn buik. 'Heb je dat goed begrepen?’ sissen ze.
Dan trekken ze me overeind, geven me een zakdoek tegen het bloeden, en hun nieuwe schoenen. 'We hebben ons vergist’, zeggen ze. Ze buigen hun hoofd. 'Aardig zijn slaat nergens op.’
Toon Tellegen
Maagzang
Waar is de blanke top der duinen? De erwtensoep, de mandarijn? De pannekoek is weer verdwenen, het spek dat ging naar moeder toe. Bevende eieren nemen op een holletje de benen en verstoppen zich in de linnenkast
tussen de geurige lakens waar de appeltaart zich al te rusten had gelegd. Weense appeltaart! O Praagse prei! Waarom zo haastig de aftocht geblazen? Waarom bleef gij niet bij mij?
Anneke Brassinga
Schoolfoto
'Wat heb je vandaag gehad?’ Evolutie. En een foto van mezelf en van de klas
haar dat zit geplakt, een oog half dichtgezakt, een en al pijnlijkheden die lach… 'Al heel
volwassen sta je erop’, knikt pa en 'Leuk voor later’, aldus ma. Maar ik
ik schaam me rot. Waarom leven juist wij niet juist veel vroeger? Toen geen fotograaf
bestond en zelfs geen spiegelglas en we uit de bomen klommen om te drinken
aan een plas nadat we er weer bijgekomen waren van het lachen gieren brullen
om een ons telkens aangrijzende apenkop die van niets was dan waar water van was.
Huub Beurskens.
Wiebelen
Er wiebelt iets. Wat wiebelt daar? Een olifantje op een fiets.
Wat wiebelt daar? Er wiebelt iets. Misschien een manke ooievaar.
Er wiebelt wat. Wat wiebelt hier? Een sleutel in een sleutelgat.
Wat wiebelt hier? Er wiebelt wat. Een losse tand geeft veel plezier.
Wiel Kusters