Migrantenmuseum  

Het pistool

In Alkmaar is Lange Herman tot op de dag van vandaag bekend. Elke woensdag en vrijdag staat de 77-jarige man op de markt en brengt kaas aan de man. Hij hoorde van een klant van hem dat het Migrantenmuseum was geopend en heeft ons toen meteen gebeld. Hij wilde om vijf uur in de ochtend afspreken met mij. ‘Waarom om vijf uur in de ochtend?’ vroeg ik hem uiteraard. Hij antwoordde: ‘Ik was een zeer jonge man, een twintiger, toen ik het kraampje overnam van mijn vader. Die gastarbeider kwam in het jaar dat mijn eerste zoon werd geboren te voorschijn. Hij verscheen elke woensdag en vrijdag, precies om vijf uur in de ochtend op de plek waar mijn kraampje staat. Ik wilde geen buitenlander in dienst nemen. Hij bleef komen, werkte de hele dag en vroeg niet eens om geld. Na anderhalve maand nam ik die Niyazi met zijn O-benen maar in dienst. Kom dus ook om vijf uur in de ochtend, zoals Niyazi twintig jaar lang heeft gedaan.’
Het was miezerig weer toen ik op een vrij-
dag, precies om vijf uur in de ochtend op de markt in Alkmaar stond. We gingen op fruitkistjes zitten naast zijn kraampje. Het schemerlicht was nog niet verschenen, het was koud, de regendruppels sijpelden op de grond langs de zeiltjes die de kraampjes bedekten. Lange Herman draaide een
shagje, stak het op, hoestte bij de eerste trek, haalde een pistool uit zijn binnenzak en zei: ‘Dit moet ook in het Migrantenmuseum staan. Neem dit mee naar je museum.’
Niemand weet waar Niyazi uithangt tegenwoordig. Vertoeft hij in Zweden? Is hij naar Duitsland uitgeweken? Ligt hij in het ziekenhuis in Nederland? Of kijkt hij vanuit de verte stiekem naar ons terwijl ik met Lange Herman over hem praat?
Ik nam het pistool in ontvangst en verstopte het onder mijn jas. Lange Herman vertelde verder: ‘Ik vroeg hem wel eens waarom hij nooit op vakantie ging naar zijn moederland. Na tien jaar heeft hij het verteld. Nadat de kraam opgeruimd en in de wagen gezet was luchtte hij zijn hart en huilde de hele tijd. Soms kwam hij op het werk met die verschrikkelijke, vermoeide ogen. Na die dag wist ik waarom. Het kwam door de nachtmerries.’
De kaaskopers in Alkmaar kochten jarenlang kaas bij de kraam van Lange Herman waar die buitenlandse gast ook werkte. Ze wilden de beste kaas hebben, vroegen om informatie over de nieuwe merken, sommigen dongen af als ze grote aankopen deden en gingen dan weer weg. Zonder te weten wat er in het hoofd van die ijverige gastarbeider met de O-benen omging.
‘We waren de kraam aan het opzetten toen hij een keer een pistool uit zijn zak haalde en het aan mij gaf. Hij zei dat de nachtmerries steeds vaker voorkwamen. Die jongen verscheen bijna elke dag om hem te zeggen dat hij door hem zonder vader was opgegroeid. Niyazi had dus een moord op zijn oom gewroken, was naar Nederland gevlucht en wist dat hij op elk moment vermoord kon worden door de zoon van de man die hij had omgelegd. Maar die dag gaf hij mij het pistool, zei dat die jongen in zijn droom gelijk had en dat hij zichzelf niet wilde verdedigen als hij zijn leven kwam opeisen. Hij gaf het pistool aan mij en ging weg. Hij kwam nooit meer terug. Niyazi vond dat hij gedood moest worden door de wees.’
Het begon heviger te regenen in Alkmaar. De regendruppels die op de kramen vielen veroorzaakten een hels kabaal. Lange Herman was eigenlijk uitgepraat. Ik vroeg hem of hij Niyazi miste. ‘Moet je luisteren’, zei hij, ‘hij was wel een goeie gast. Ook al had hij in koelen bloede een moord gepleegd. Ik hoop dat hij rust heeft gevonden nadat hij had besloten om zijn ziel te schenken aan die wees.’
Kaas werd uitgepakt. Lange Herman nam weer plaats achter de kassa. De markt was klaar voor het volk. De eerste klanten begonnen te komen. Niemand wist van het verhaal van de gastarbeider die ooit op deze markt werkte. Ik had een pistool op zak.