Kinderboekenweek

Het plaatje bij het praatje

Op 6 oktober begint de Kinderboekenweek. Vanwege het motto - de Grote TekenTentoonstelling - verschenen er veel nieuwe prentenboeken. Dat illustreren een ambacht is, bewijst Tekenaars van Joukje Akveld.

Joukje Akveld, Tekenaars. Kinderboekenillustratoren geportretteerd.€ 29,90

Een van Nederlands bekendste exportproducten is een plaatje: een heel eenvoudig plaatje van een rondhoofdig konijn in een rood jurkje, met twee zwarte stipogen en een kruisje als mond. In Japan luistert ze naar de naam ‘usako-chan’, in Portugal naar 'coelhino’, in Zuid-Afrika naar 'kleintjie’, in Turkije naar 'lâle’ en in China naar 'mi fei’. Wij, in Nederland, kennen haar als 'nijntje pluis’, al sinds 1955, toen haar geestelijk vader Dick Bruna - zich er geenszins van bewust dat hij een economische succesformule had bedacht - haar de wereld in stuurde.

Nijntje is niet de enige die buiten haar boeken om een eigen leven leidt. Ook de Britse Peter Rabbit van Beatrix Potter en Kikker van Max Velthuijs hebben zich succesvol in de snelle wereld van merchandising en commercie begeven. Natuurlijk, zonder alle slimme marketeers die medeverantwoordelijk zijn voor de vercommercialisering van de boekenwereld waren deze beestenfiguren wellicht nooit tussen de kaften van hun boeken uit gestapt en tot leven gekomen. Tegelijkertijd valt niet te ontkennen dat veel klassieke (kinder)boeken vooral bekend zijn geworden en gebleven dankzij hun prenten: een krachtig beeld blijft je soms beter bij dan een tekst. John Tenniels Alice uit Alice in Wonderland staat bij menigeen die de oereditie gelezen heeft scherper op het netvlies dan Lewis Carrolls tekst. Hetzelfde geldt voor Rupert Bear (Bruintje Beer) van Mary Tourtel, Winnie-the-Pooh van Ernest Shepard, Jip en Janneke en Pluk van de Pettenflet van Fiep Westendorp, de GVR (grote vriendelijke reus) van Quentin Blake en, van recenter datum, Superguppie van Fleur van der Weel: stuk voor stuk personages die dankzij de verbeelding van de illustrator bij velen een onuitwisbare indruk hebben achtergelaten.

Dat tijdens de Victoriaanse tijd illustratoren veel maatschappelijk aanzien genoten (Arthur Rackham, John Tenniel en E.S. Shepard publiceerden succesvol cartoons in het Britse maatschappijkritische satirische tijdschrift Punch) doet niets af aan het feit dat sinds de Tweede Wereldoorlog de positie van de illustrator geleidelijk op de achtergrond is geraakt. Volwassen boeken verschijnen tegenwoordig zonder prenten. Met als gevolg dat de Nederlandse boekillustrator bijna alleen nog maar voor kinderen werkt. En zelfs in zijn eigen wereld, die van de jeugdliteratuur, staat de tekst - het (letteren)woord verraadt het al - meestal centraal.

Zo werd Lola en de leasekat van Ceceli Josephus Jitta in 2007 wel bekroond met een Zilveren Griffel, maar niet met een Penseel, hetgeen hoogst merkwaardig is omdat prenten en tekst samen het ontroerende verhaal over ouderdom, dood, voorbije liefde en troost vertellen en goedbeschouwd niet los van elkaar kunnen worden gezien. En zo kon het gebeuren dat Het geheim van de keel van de nachtegaal vorig jaar alleen een Gouden Griffel voor Peter Verhelsts tekst kreeg, terwijl minstens de helft van Andersens sprookje wordt verteld door de onvergetelijk fraaie prenten van Carll Cneut, wiens artisticiteit het gelijk van Quentin Blake’s stelling bewijst dat 'illustraties voor kinderen de introductie tot de wereld van de kunst vormen’.

Gelukkig is in 2006 de Max Velthuijs-prijs in het leven geroepen: een driejaarlijkse oeuvreprijs voor Nederlandse kinderboekenillustratoren, waaraan een bedrag van zestigduizend euro is verbonden. Ook kent de Universiteit van Amsterdam sinds eind 2007 een Bijzondere Leerstoel Illustratie, naar de wens van Fiep Westendorp en dankzij haar Foundation. Deze wordt bekleed door kunsthistorica Saskia de Bodt, die onderzoek doet naar illustraties in hun historische context en hartstochtelijk pleit voor 'een rehabilitatie van het plaatje’. En tot slot is Nederland de komende Kinderboekenweek 'één Grote TekenTentoonstelling’, met ruim aandacht voor beeldtaal.

Gevolg van dit thema is dat de boekenwereld de afgelopen maanden met een vloedgolf van prentenboeken is overspoeld. Tussen al die kleurige covers met vrolijke prentenboektitels valt één boek opvallend uit de toon, vanwege zijn sobere uiterlijk - een zwarte band en helemaal witte cover met daarop een gele inktvlek - en bijzondere inhoud voor volwassenen.

Tekenaars, zoals de rechttoe-rechtaan-titel luidt, bevat negentien levendige portretten in woord en (foto)beeld van Nederlandse (kinderboeken)illustratoren die allemaal na de Tweede Wereldoorlog hun eerste boek maakten. Journaliste Joukje Akveld bezocht ze in hun ateliers en sprak met ze over 'techniek, drijfveren, ambitie en inspiratie’ onder het motto: 'een goede tekening voor kinderen is niet alleen goed voor kinderen, maar is gewoon een goede tekening’. Daarom, betoogt Akveld, 'verdient de illustratiekunst een groter podium dan de rugbreedte van een prentenboek’. Het resultaat is een mooie leidraad voor de moderne tekstgerichte lezer in de wondere wereld van de illustratiekunst: niet een uitputtende cultuurgeschiedenis, maar een boeiende kennismaking met een betrekkelijk onbekend vakgebied.

Want dat illustreren een vak is, een ambacht, daarover zijn bijna alle negentien het eens. Mance Post, Dick Bruna, Thé Tjong-Khing, winnaar van de Max Velthuijs-prijs dit jaar, Ingrid en Dieter Schubert, Jan Jutte, Sylvia Weve en Fleur van der Weel, een van de jongere tekenaars: allemaal benadrukken ze dat ze illustrator zijn en geen kunstenaar.

Wellicht zijn ze te bescheiden, door het besef van hun positie op de onderste sport van de artistieke ladder, 'ver onder de vrije kunstenaars’. Wellicht tonen ze realiteitszin, want volledige artistieke vrijheid kun je je als illustrator simpelweg niet veroorloven. 'Je kunt jezelf’ - in tegenstelling tot je vrije werk - 'niet onbeperkt de losse teugel geven’, vertelt Wim Hofman treffend, 'het beeld moet toch bij het verhaal passen’.

Met ijver, zorg en uiterste precisie wordt aan die beelden gewerkt, zoveel blijkt wel uit Akvelds boek. Toewijding is wat de illustratoren onderling verbindt. Allemaal streven ze ernaar vanuit hun eigen verbeeldingskracht het verhaal (mee) te vertellen, met daarbij altijd ruimte voor de fantasie van het kind. De variatie in techniek is ongekend; de eigenheid daardoor groot, al lopen er evengoed diverse onzichtbare lijntjes tussen de tekenaars.

Dick Bruna is een groot stilist: duidelijk beïnvloed door de Stijl en - zoals ook Jan Jutte en Fleur van der Weel - het (grafische) werk van boekdrukker, expressionistisch kunstenaar en verzetsstrijder Hendrik Werkman (1882-1945). De van oorsprong Chinese Indonesiër Thé Tjong-Khing daarentegen, die met Harry Geelen het tekenen in de Marten Toonder Studio’s leerde en zijn carrière als striptekenaar begon, maar ook de in Frankrijk geboren Charlotte Dematons en het oorspronkelijk Duitse echtpaar Schubert kiezen voor een fijnere potlood-, pennen- en penseelstreek die zich goed lijkt te lenen voor sprookjesachtige vertellingen, met veel sfeer, spel met licht en donker en - toont Dematons in haar onvolprezen tekstloze Sinterklaasboek - minutieuze details en knipogen naar andere grote kunstwerken.

'Khing is een koning’, vindt Dematons. En daarin heeft zij gelijk. Hij was op de Rietveldacademie niet alleen haar leraar, maar stond in zekere zin ook aan de wieg van de carrières van Marit Törnqvist, Annemarie van Haeringen en de recalcitrante Philip Hopman die op zijn beurt de jonge Martijn van der Linden doceerde.

Een beeld zegt meer dan duizend woorden. Dat heeft Akveld zich goed gerealiseerd. Met zorg heeft zij veel fraaie platen groot en klein uitgekozen om het werk van de door haar geportretteerden tot leven te wekken. Daarin is zij goed geslaagd: de prenten zetten zich op je netvlies vast, laten je anders naar de werkelijkheid kijken en prikkelen je het boek waaruit ze afkomstig zijn ter hand te nemen, zoals de school rozerode vissen van Sylvia Weve uit Ik leer je liedjes van verlangen en aan je apenstaartje hangen, gemaakt met vulpeninkt en computer, voor Weve 'een extra verfdoos’. Deze unieke bundel met 47 verdichte dierverhalen van Bette Westera bewijst niet alleen dat Weve qua creativiteit haar hoogtijdagen beleeft, maar ook dat schrijver en illustrator elkaars muze kunnen zijn en dat prenten, hoe ambachtelijk ook gemaakt, zeker naar kunst neigen. De humor van Westera, die in haar gedichten knap gebruik maakt van de inwisselbaarheid van dierlijke en menselijke eigenschappen, passen geweldig goed bij Weve’s behoefte aan overdrijving. Illustratief is bijvoorbeeld de volle vaart waarmee Weve Westera’s door wisselende stemmingen geplaagde lemmingen massaal in een bulderende zee laat storten.

Jammer dat Akveld niet ook Vlamingen als Carll Cneut, Klaas Verplancke en Gerda Dendooven heeft geportretteerd. Hun experimentele werk getuigt van durf en vrijheid en heeft een hoog artistiek niveau dat internationaal veel lof oogst. Maar, het is slechts een kleine kanttekening: Tekenaars draagt ontegenzeggelijk bij aan meer waardering voor 'het plaatje bij het praatje’. 'Beeld is directer dan taal’, merkt Joke van Leeuwen terecht op. Het leidt tot minder misverstanden en de universele zeggingskracht is groot. Stel je voor dat nijntje Fins, Chinees of Turks had moeten leren. Dan was ze nooit zo ver gekomen.

Kinderboekenweek: van 6 t/m 16 oktober. Mirjam Oldenhave schrijft het Kinderboekenweekgeschenk. De illustraties zijn van Rick de Haas. Het Prentenboek van de Kinderboekenweek is van Daan Remmerts de Vries en Philip Hopman: Stimmy of het oerwoud in de stad

SYLVIA WEVE (PRENTEN) & BETTE WESTERA (TEKST)

IK LEER JE LIEDJES VAN VERLANGEN EN AAN JE APEN-STAARTJE HANGEN, 47 VERDICHTE DIERENVERHALEN

Gottmer, € 19,95

JOUKJE AKVELD (TEKST) & AMBER BECKERS (FOTOGRAFIE)

TEKENAARS, KINDERBOEKEN-ILLUSTRATOREN GEPORTRETTEERD

Hoogland & Van Klaveren, 230 blz., € 29,95