Het Migrantenmuseum

Het plastic bord en de wijze spreuk

Nog niet zo lang geleden – in de achttiende, negentiende eeuw – was je geen groot leider als je niet zo nu en dan met een prachtige, wijze, zelfverzonnen spreuk kwam. Journalisten wachtten dagenlang op die ene zin om, wanneer die was uitgesproken, naar de krant te snellen om de nieuwste hersenprestatie van de leider persklaar te maken: mensen met goede vrienden hebben geen spiegel nodig… Eerlijkheid is de zon van de eeuwigheid, vroeg of laat zal die schijnen… Enzovoort. In het Migrantenmuseum hangt een wijze spreuk onder een plastic bord.
Maar nu eerst het verhaal van gastarbeider Osman, de man die met wat hij heeft meegemaakt het Migrantenmuseum niet één maar twee objecten cadeau heeft gedaan. Echte grote prestaties worden vaak geleverd door de dommen. Welk verstandig mens schrijft anders een eerste roman, zonder te weten of die gepubliceerd wordt? Een slimmerik vaart niet de onbekende oceaan op richting Amerika. Een schrander mens onderneemt nooit met risico voor eigen leven de reis naar de maan. Ook voor de reis naar Europa, als enige uit zijn dorp, zonder reisgeld, zonder werkvergunning, is de moed nodig die alleen aan de dommen is geschonken.
Osman was niet de slimste van het dorp. Door zijn dorpsgenoten werd hij doorgaans liefkozend ‘Osman de naïeveling’ genoemd. Deze Osman presteerde het onmogelijke. Hij bereikte Nederland, slenterde door de straten van Nijmegen als illegale migrant, smeekte om werk, sliep in parken, kwam na zes maanden aan de bak en ontving een jaar later zijn werkvergunning.
Zo blij als een kind was hij toen hij in de zomer van 1967 cadeautjes ging kopen voor familie en kennissen in zijn dorp. Hij wilde niet zomaar iets meebrengen, maar iets dat de dorpelingen versteld zou doen staan. Toen zag hij de borden van plastic. Ze leken op gewone borden, maar waren in zijn ogen sensationeel omdat ze onbreekbaar waren. De opwinding in het dorp was groot omdat deze naïeve Osman niet in een stinkende bus, maar in een taxi die alleen hém vervoerde het dorp kwam inrijden. De volgende dag gingen de koffers met de borden open. Met trots introduceerde Osman de naïeveling de borden. Hij pakte een bord en smeet het op de vloer. De ogen van de dorpelingen werden groter. Het bord brak niet, Osman glunderde. ‘Deze borden komen uit Europa, ze breken niet’, kondigde hij aan.
De nietsnutten van het dorp grepen deze mogelijkheid meteen aan om de draak te steken met de trotse Europaganger:
Hoe kan een bord nou niet breken, Osman?
Geloof je het niet? Hier, nog een bord tegen de vloer!
Osman, ik smeek je, gooi die mooie borden niet meer op de vloer. Straks breken ze!
Ik zei toch dat ik ze in Europa heb gekocht. Hier, nog eentje tegen de vloer!
De jongemannen hingen aan de armen van Osman, smeekten hem om deze waanzin te stoppen. De rest giechelde stiekem. Osman baadde in zweet. Hij was uitgeput en sliep een zachte slaap die nacht.
Tijdens het ontbijt met vers gebakken brood vertelde zijn moeder dat hij in het spelletje van de jongens was getrapt en dat ze hem hadden uitgelachen. Moederlief was boos dat zelfs Europa geen einde aan zijn naïviteit had gemaakt.
Osman vertrok een paar weken later naar Nederland, bracht nooit meer geschenken mee voor de dorpelingen, huwde zelfs geen meisje uit het dorp en beantwoordde geen enkele smeekbrief van zijn dorpsgenoten die ook naar Europa wilden en daarbij de hulp van Osman goed konden gebruiken.
Osman haalde later zijn moeder naar Nederland en schreef zijn dorp af.