Het platteland zoekt een leider

Het waren provinciale verkiezingen, zodat het in de lijn der verwachtingen lag dat een bij uitstek provinciale partij als het CDA zou gaan winnen.
De triomfator was echter een Amsterdamse koopman, die zich op stadse vraagstukken had geprofileerd: de intellectuele merites van het nationalisme en de grenzen van het vreemdelingenbeleid.

Het CDA heeft in deze vraagstukken, ontredderd als deze partij is, voornamelijk de rol gespeeld van een verzameling kakelende, elkander met de snaveltjes bewerkende kippen. De partijleider bedacht dat asielzoekers het best met zwartkijkers kunnen worden vergeleken. De aanvoerster van de Eurofractie vergeleek de aanvoerder van de liberalen met de Vlaamse extremist Dewinter - een in het polemische verkeer op zichzelf oirbare strategie, die zich echter tegen zichzelf keerde doordat iedereen tegen iedereen excuses begon te maken, behalve tegen de beledigde partij, hetgeen zo halfslachtig oogde dat de christen-kiezers massaal de andere kant op werden gejaagd.
‘Het CDA wordt niks’, zeiden de opposanten van het verstandshuwelijk tussen gereformeerden, hervormden en katholieken toentertijd. Zij doelden op de genadeloos voortschrijdende ontzuiling en het feit dat de diverse bloedgroepen zich in het verleden traditioneel plachten te verketteren. Het CDA is niks, het heeft intellectueel en politiek niet meer te bieden dan holle praatjes over de zorgzame samenleving, gestalte gegeven door politieke voorlieden die voor dit soort hoge idealen niet de juiste woorden kunnen vinden.
Even is het beeld van de christen- democratie geflatteerd geweest omdat toevallig de juiste leiders voorhanden waren. Het was de narrige Van Agt, de andermaal gekruisigde Christus van de Heilige Land Stichting, die vaardig de antisocialistische sentimenten van de achterban wist te bespelen. Vervolgens was het Lubbers, aan wiens woorden weliswaar zelden een touw viel vast te knopen, maar die toch een soort gladde, rekenkundige degelijkheid uitstraalde. Het succes van het CDA was in die periode allang een personele, geen politieke kwestie. Zo gauw de alziende televisie-camera’s de contactarmoede van Brinkman registreerden, tuimelde het zaakje in elkaar. En dat de nette, maar brekebenige Heerma niet de man is om het tij te keren, is inmiddels wel gebleken.
Ook in de tijd dat de christen-democraten de dienst uitmaakten heeft het politieke niveau in dit milieu lager gelegen dan elders in het politieke spectrum, zowel ter linkerzijde als ter rechterzijde. Maar toen bechikte het CDA, met haar onschokbaar trouwe aanhang, nog over de meerwaarde van de macht. Nu wordt het CDA hardhandig met het feit geconfronteerd dat regeren heel wat gemakkelijker is dan opponeren. De partij betaalt de rekening voor het feit dat zij driekwart eeuw lang de democratische wijsheid negeerde dat elke serieuze partij van tijd tot tijd in de oppositiebanken hoort te zitten.
Nu het in Nederland eindelijk zo ver is, lijkt het of die hele CDA-fractie uit een verzameling blunderende en stuntelige nieuwelingen bestaat. Daar is zelfs de christelijke aanhang niet van gecharmeerd. Nee, vroeger waren er geen problemen. Romme en Bruins Slot hielden het zaakje wel bij elkaar, want in hun tijd stonden zowel de kerk als de zuilen nog recht overeind. Waarom zou een confessionele kiezer niet comfortabel op een confessionele politicus stemmen? Of waarom wel, als deze zoveel slechter oogt en opereert als de niet-confessionele concurrent? Dus de confessionele kiezer loopt zonder gewetensbezwaren, zonder zich van God of Gebod iets aan te trekken over naar de liberalen, de limonadeliberalen, de sociaal-democraten of de kiesvereniging Vijfenvijftigplus Vooruit.
Het CDA is in korte tijd een, qua politiek en presentatie, buitengewoon onaantrekkelijke partij geworden, zich ongemakkelijk bewegend in de schaduw van echte politici. Plotseling wreekt zich een tekort aan sociale training, de angst van het platteland voor de grote stad, de onwennigheid in een door de audiovisuele media gedomineerd landschap. Het CDA imiteert krampachtig een alternatief voor de regeringspartijen, maar het is het niet - niet in conservatieve zin, laat staan in vooruitstrevende zin. Die christen-politici die nog enigszins in de christen-sociale traditie wortelen zijn weliswaar nog in de volksvertegenwoordiging aanwezig - en representeren daar GroenLinks of de Partij van de Arbeid.
Het is echter lichtvaardig om hieruit de conclusie te trekken dat de definitieve teraardebestelling van de christen- democratie aanstaande is. De politiek is inmiddels zo verpersonaliseerd, dat de situatie morgen weer geheel anders kan zijn, afhankelijk van de vraag wie de troepen mag aanvoeren. Politiek is tegenwoordig va banque, gespeeld door een electoraat waar geen enkel peil meer op te trekken valt. Kijk naar de laatste kamerverkiezingen. Als het verschil tussen CDA en PvdA enkele zetels meer was geweest ten gunste van de christen- democraten, had Brinkman wel degelijk het torentje bewoond en liep sociaal-democraat Kok thans ijverig naar een nette betrekking te solliciteren. De natie wordt inmiddels per aardverschuiving geregeerd en iedere partij is daarvan de laatste jaren een of meermalen het slachtoffer geworden: eerst de VVD, toen de PvdA en het CDA, nu PvdA, CDA en D66 en straks… Een politieke blunder, een massacommunicatieve trouvaille, een meneer of mevrouw die zich handig of minder handig door Hilversum en Den Haag beweegt, en de bordjes zijn alweer verhangen.
In de situatie van thans zal het CDA het echter met de voorhanden zijnde leiders moeten doen. Hoe heeft men in vredesnaam voor die rare voorzitter kunnen kiezen, die het heeft bestaan om asielzoekers met zwartkijkers te vergelijken? En wat moet de partij toch aan met die Heerma, die te goed voor deze wereld oogt, maar politiek gezien even weinig groeikansen lijkt te hebben als een rozenstruik in de Sahara? Het tekent de armoede in het CDA dat er zelfs geen schaduw van een alternatief voorhanden is.