Ressentiment in Amerika

Het plebs weet het beter

Conservatieven in Amerika waarschuwen voor de hoogopgeleide elite: die weet niet wat in het ‘echte Amerika’ speelt en is daarom ongeschikt om het land te leiden. Hebben ze gelijk?

GOD AND MAN AT YALE (1951), geschreven door de toen pas 25-jarige William F. Buckley Jr., is wellicht het meest relevante boek voor wie het hedendaagse Amerikaanse conservatisme wil begrijpen. De vijand van de conservatief bevindt zich in de ivoren toren van de Ivy League, schreef Buckley, en hij opende de aanval op de linkse, seculiere Yale-professoren die hun studenten zouden indoctrineren met New Deal-propaganda.

Buckley’s boek veroorzaakte een controverse, mede doordat hij zelf een kersverse alumnus van Yale was. Hij was de gevierde man op de campus: hij was hoofdredacteur van de universiteitskrant en zijn opiniestukken werden op andere universiteiten, ja, soms zelfs landelijk gelezen. Dat iemand uit het Yale-establishment dit schreef veranderde het debat, want het verschafte conservatieven een cultureel argument. Opeens ging het niet meer alleen over monetair beleid of economisch individualisme, hoewel Buckley ook daarover schreef - voortaan ging het over de hoogopgeleide elite, de ‘heersende klasse’, in Buckley’s woorden.

God and Man at Yale verscheen precies op het moment dat Joe McCarthy opkwam als populistische figuur ter rechterzijde. McCarthy beschuldigde het Amerikaanse establishment van communisme en verraad - van filmproducenten in Hollywood tot aan president Eisenhower - terwijl Buckley een analytische, erudiete versie bood van die aanval op de cultuur van dat moment. Zo werd de basis gelegd voor het huidige anti-elitarisme, dat vooral in Tea Party-kringen zo luidruchtig klinkt.

In tegenstelling tot McCarthy, een boerenzoon uit Wisconsin, was Buckley zelf ook afkomstig uit de elite. Hij groeide op op een landgoed in de Berkshires, een welvarende streek in Connecticut, en studeerde als gezegd aan het deftige Yale, waar bijvoorbeeld ook de beide presidenten Bush gestudeerd hebben. Dat gaf spanning, zo schreef Sam Tanenhaus in The Death of Conservatism (2009): 'Hij worstelde niet alleen met de opzichtige tegenstrijdigheid die zijn stellingname met zich meebracht, maar hij was ook niet bepaald goed in het zich voordoen als de gewone man, zoals later George W. Bush dat bijvoorbeeld wel kon. Buckley had ook niets op met de smaak of de waarden van de massa’s. Maar evenals veel van zijn zielsverwanten zag Buckley wel het politieke nut van een figuur als McCarthy. Dus tolereerden ze hem.’

Hier dringt de vergelijking met een figuur als Sarah Palin zich op.

DE ELITE WAARTEGEN Buckley en McCarthy destijds te hoop liepen, is sindsdien geëvolueerd. Bestond de academische elite in de jaren vijftig nog voornamelijk uit zogeheten wasps ('white Anglo-Saxon protestants’), grotendeels afkomstig uit de staten langs de noordoostkust en getooid met namen als Kennedy, Rockefeller en Vanderbilt, de laatste drie, vier decennia is een nieuw soort elite opgestaan: topstudenten uit verschillende klassen van de maatschappij, die geprofiteerd hebben van veranderend beleid bij de topuniversiteiten (de 'Ivy League’). Werd je voorheen nog op Harvard toegelaten louter omdat je vader er alumnus was, of, nog beter, een ruimhartige donor, na de democratisering van eind jaren zestig werd steeds meer gekeken naar prestaties. Het academische klimaat verschoof van aristocratisch naar meritocratisch.

De nieuwe elite die uit deze verschuiving voortkwam, is al menigmaal uitgebreid beschreven. Bijvoorbeeld in 1991 door de econoom Robert Reich, die de meritocraten in The Work of Nations omschreef als 'symbolische analisten’. In 2000 nam David Brooks de nieuwe elite - en zichzelf - op de hak door ze in Bobos in Paradise als 'bourgeois bohemians’ neer te zetten. In 2002 werden de meritocraten zelfs een soort van geëerd, toen Richard Florida The Rise of the Creative Class publiceerde.

Kom echter met dit soort boeken in Tea Party-krijgen niet aan. Daar heeft men een hekel aan de 'meritocraten’. De klacht: ze leven geïsoleerd van 'mainstream America’, waardoor ze niets weten van het leven van gewone Amerikanen - en ondertussen vertellen ze diezelfde Amerikanen wel hoe ze moeten leven.

De bekendste en verreweg meest geciteerde vertolker van dit ressentiment is natuurlijk Sarah Palin. Maar ze is lang niet de enige. Tijdens de onlangs gehouden conservatieve conferentie CPAC zei bijvoorbeeld Rand Paul, senator namens Kentucky, dat Obama een 'linkse elitarist is, die denkt te weten wat het beste is voor de mensen’. Op datzelfde evenement foeterde Newt Gingrich over de 'overheid van de elites door de elites voor de elites’. Op televisie mag Fox News-commentator Glenn Beck het ressentiment graag als volgt samenvatten: 'Aan de ene kant heb je de elites, aan de andere kant de gewone mensen.’

Daarin hebben ze gelijk, zegt Charles Murray, als politicoloog verbonden aan het American Enterprise Institute, de conservatieve denktank waarvoor ook Ayaan Hirsi Ali werkt. Murray is vooral bekend vanwege zijn boek The Bell Curve: Intelligence and Class Structure in American Life (1994), waarin hij beschreef hoe de mensen met een hogere intelligentie (de 'cognitieve elite’) afgezonderd raken van de rest van de maatschappij - hetgeen hij een gevaarlijke sociale trend vond.

'De afgelopen decennia hebben de elitaire onderwijsinstellingen inderdaad academische talenten van alle denkbare achtergronden geworven’, schreef Murray afgelopen oktober in The Washington Post. 'Maar de hoge testscores van de eerstejaars op Harvard, Yale en Stanford gaan niet hand in hand met sociaal-economische democratisering.’

De cijfers die Murray opvoert werken inderdaad ontnuchterend. Ongeveer tachtig procent van de studenten aan Ivy League-universiteiten heeft ouders die qua inkomen, opleidingsniveau en beroep bij de bovenste 25 procent van Amerikaanse families horen. Slechts vijf procent komt uit de onderste helft van die families.

De topstudenten besteden die zo vormende studentenjaren dus niet te midden van een meritocratische melting pot, maar met mensen die ongeveer net zo zijn als zij - jongelui die zijn opgegroeid in welvarend suburbia of de grote kuststeden. Slechts een enkeling komt uit de kleine steden en dorpen op het platteland ('het echte Amerika’, volgens Palin), waar nog altijd ruim een derde van alle Amerikanen woont.

Na het afstuderen blijft de nieuwe elite zich voortbewegen in wat Murray 'de luchtbel’ noemt. Zo koos slechts 1,7 procent van Harvards afstudeerlichting van 2007 voor een baan bij een bedrijf dat direct goederen produceert voor Amerikaanse consumenten. De overgrote meerderheid koos voor een baan in de financiële dienstverlening of consultancy; de rest verkoos te promoveren aan een van de topuniversiteiten (met Harvard en Cambridge als topkeuzes).

Tegen de tijd dat trouwen aan de orde is, verkiest de elite met elkaar te trouwen. Met als gevolg dat ze zowel hun ruime inkomens als hun geniale genen combineren. Het nageslacht profiteert van beide.

De Amerikaanse maatschappij lijdt volgens Murray onder een paradox: door de meest talentvolle jongelui de grootste kansen te bieden, ongeacht afkomst, heeft ze ongewild een superelite gecreëerd. 'Een elite die alleen geld doorgeeft aan de volgende generatie is vergankelijk’, schrijft Murray. 'Een elite die ook talent doorgeeft is vasthoudender. En de kloof tussen haar en de rest van de maatschappij wordt almaar breder.’

Zo woont de nieuwe elite in een relatief klein aantal steden - en alleen in bepaalde gegentrificeerde buurten. Denk aan New York, San Francisco en Washington, maar ook aan streken met een hoge concentratie van banen die veel kennis vergen, zoals Sillicon Valley of de Raleigh-Durham-Chapel Hill-driehoek in North Carolina.

De kloof is niet alleen geografisch, stelt Murray, maar ook cultureel. Leden van de elite kijken naar tv-series als The Wire en In Treatment, of kijken naar de achtergrondprogramma’s op de publieke zender PBS. Ze zouden echter niet weten wie de nieuwe presentator is van The Price Is Right. Ze weten wie Oprah Winfrey is, maar zullen nooit een van haar uitzendingen van begin tot eind bekijken.

Vergelijkbare conclusies trekt Murray op het gebied van literatuur, sport, vakantie en zelfs religie - 'wie in de elite heeft een goede vriend die een evangelische christen is?’ vraagt hij retorisch. Hij had ook muziek of film kunnen opvoeren. Maar ook met deze voorbeelden is zijn punt al meer dan duidelijk: de elite heeft geen idee van de ervaringen van de rest van het land: 'De luchtbel waarbinnen de Nieuwe Elite gevangen zit, doorkruist ideologische lijnen en behelst veel te veel mensen die invloed hebben (…) op de koers van de natie. Het is niet dat ze niet patriottisch zijn of genereus ten opzichte van hun medeburgers. Het is meer dat ze geïsoleerd en onwetend zijn. De leden van de Nieuwe Elite zullen best van Amerika houden, maar ze zijn, in toenemende mate, geen onderdeel van Amerika.’

MURRAY HEEFT uiteraard een punt als hij vaststelt dat Amerika’s hoogopgeleide elite zowel letterlijk als figuurlijk een eigen deel van Amerika bewoont. Geldt iets vergelijkbaars niet voor nagenoeg elke maatschappij? Maar daarbij houdt Murray zichzelf - vast niet per ongeluk - buiten beschouwing. Steeds heeft hij het in zijn artikel over 'zij’ en 'hen’, waar 'wij’ beter was geweest. Murray is het ultieme lid van de elite die hij zo verguist. Zijn ouders hebben nooit gestudeerd, maar zelf haalde hij Harvard dankzij zijn goede cijfers, waarna een loopbaan als academicus hem in de ivoren toren van het American Enterprise Institute deed belanden. Ook van enig academisch snobisme is hij niet vies. Zo kapittelde hij het universitaire onderwijs onlangs nog als een 'verspilling van tijd’, omdat 'de meeste mensen toch niet intelligent genoeg zijn om ervan te profiteren’.

Met een dergelijk gebrek aan intellectuele oprechtheid laadt Murray de verdenking op zich dat hij bereid is zich in allerlei bochten te wringen om te voorkomen dat conservatieven een beproefd argument verliezen: namelijk dat liberals 'elitair’ zijn. En door nadrukkelijk de Tea Party-activisten gelijk te geven in hun veroordeling van de hoogopgeleide elite verleent Murray in feite zijn goedkeuring aan de implicaties van die veroordeling, namelijk dat de linkse elite niet geschikt is om het land te leiden.

Uit de mond van de niet bijzonder eloquente en zeker niet overontwikkelde Sarah Palin klinkt het verwijt van elitarisme een stuk geloofwaardiger. Maar ook iemand als John McCain doet eraan mee. Zo bestond deze telg uit een admiralengeslacht en multimiljonair het om tijdens de verkiezingscampagne van 2008 Barack Obama, een voormalige community organizer die slechts enkele jaren daarvoor zijn studieschuld had afbetaald, te beschuldigen van elitarisme.

Het verleidde de NBC-journalist Brian Williams ertoe om McCain en Palin tijdens een dubbelinterview in 2008 de vraag te stellen: 'Wie zijn de leden van de elite?’

Palin antwoordde als eerste: 'Ik denk gewoon mensen die denken dat ze beter zijn dan alle anderen.’

McCain voegde daaraan toe. 'Ik weet waar ze wonen: in onze hoofdstad en in New York City. Het zijn de mensen met wie Sarah nooit naar cocktailparty’s gaat en die denken dat ze Amerikanen hun overtuigingen kunnen dicteren, in plaats van Amerikanen zelf te laten beslissen.’

De twee antwoorden lijken hetzelfde, maar er is een nuanceverschil: Palins anti-elitarisme richt zich op mensen die denken dat ze beter zijn dan zij, McCain op mensen die denken het beter te weten dan hij. Wat de twee met elkaar gemeen hebben, is dat ze in hun verontwaardiging waarschijnlijk beiden oprecht zijn.

Een andere overeenkomst tussen de twee denktrants is dat ze beide leiden tot hypocrisie. Zo leidt Palins antisnobisme tot precies wat ze de elites verwijt: een superieure houding. Wie in het hartland woont, het 'echte Amerika’, en wie wapens bezit en elke zondag te kerke gaat, is beter dan die goddelozen in de kuststeden met hun dedain voor opzichtig vlagvertoon. McCains bezwaar tegen elitaire betweterij is mogelijk nog hypocrieter. Want als conservatieven ergens schuldig aan zijn, dan is het wel aan anderen vertellen hoe ze moeten leven: homo’s mogen niet trouwen en het land niet verdedigen, vrouwen mogen geen baas in eigen buik zijn en wie geen ziektekostenverzekering heeft, heeft pech gehad. Kortom, het anti-elitarisme is zo willekeurig als wat. Als een rechter het homohuwelijk grondwettelijk acht, is hij een linkse elitarist. Maar als het Hooggerechtshof bedrijven een ongelimiteerd recht op vrije meningsuiting in verkiezingscampagnes toekent (de zaak-Citizens United), dan verdedigt het Hof de constitutie.

In politiek opzicht is de anti-elitaire houding uiteraard lucratief, want ze speelt in op het Amerikaanse ideaal van sociale gelijkheid. De ironie is echter dat conservatieven het anti-elitarisme gebruiken om politieke keuzes door te drukken die de al enorme ongelijkheid in het Amerikaanse leven slechts vergroten. Om er enkele te noemen: deregulering van de financiële sector, belastingverlagingen voor de rijken en het terugdraaien van universele gezondheidszorg. Voor zulke maatregelen wordt hard gelobbyd in Washington DC - door leden van de hoogopgeleide elite die daar goed voor betaald worden. Ook de CEO’s, bank iers en oliebaronnen die deze lobbyisten vertegenwoordigen, de economische elite, zijn vast grotendeels afkomstig van ’s lands topuniversiteiten. Maar dit zijn niet de elitaristen waarover conservatieven klagen als ze achter het katheder plaatsnemen.

Ondertussen blijkt uit de jongste cijfers van de Amerikaanse belastingdienst (IRS) dat de jaarinkomens van de Amerikaanse middenklasse al twintig jaar stagneren (33.400 dollar in 1988, gecorrigeerd na inflatie, 33.000 in 2008), terwijl de inkomens van de één procent rijkste Amerikanen (380.000 en meer) in die periode met 33 procent groeiden.

DE IN JANUARI overleden Amerikaanse socioloog Daniel Bell (niet de bedenker van de Bell-curve) voorspelde al in 1972 de opkomst van een populistisch ressentiment jegens de hoogopgeleide elite. Bell verwachtte echter dat de aanval zou worden geopend op de universiteiten - in de vorm van quota’s en versoepelde toelatingseisen. De universiteiten voorkwamen dat door nadrukkelijk ook de deuren te openen voor vrouwen en kleurlingen, zonder daarbij de toelatingseisen te versoepelen.

Het beroemdste resultaat van deze uitbreiding is uiteraard Obama: kleurling, opgevoed door een alleenstaande moeder, alumnus van Columbia en Harvard Law School, en nu president. Toch worden Obama cum suis door een deel van de bevolking niet bewonderd, maar verguisd als elitaristen. In zekere zin is dat vreemd: hard studeren, goed presteren, jezelf verbeteren - is dat niet de Amerikaanse droom in een notendop?

Wellicht groeit het anti-elitarisme dat Bell voorspelde niet ondanks maar vanwege de opkomst van de meritocratie. Aan het oude establishment uit de tijd van de jonge Buckley en McCarthy kon je tenminste nog een hekel hebben omdat zijn rijkdom en macht onverdiend leken. Als sloeber kon je jezelf altijd nog voorhouden dat het allemaal niet aan jou lag, maar aan de orde der dingen. Nu, levend onder het vermeende juk der meritocraten, kan de sloeber zelfs dat niet meer zeggen: het is allemaal zijn eigen schuld, zelfs als hij het slachtoffer is van politieke keuzes die de rijken bevoordelen - of domweg pech heeft gehad.

Dat is echter geen valide reden om te roepen: 'We worden geregeerd door een elite die het beter denkt te weten dan wij.’ Zo'n kreet gaat immers geheel voorbij aan het feit dat het dikwijls wel zo prettig is om complexe onderwerpen over te laten aan experts. Zo is het vermoedelijk verstandiger om het Amerikaanse nucleaire beleid te laten bepalen door de huidige minister van Energie, Steven Chu, een natuurkundige die een Nobelprijs voor zijn werk ontving, dan door een Texaanse oliebaron die 'begrijpt wat er onder de mensen leeft’.

Los daarvan, het Tea Party-anti-elitarisme richt zich om culturele, aan klasse gerelateerde redenen tegen een elite die tenminste nog het beste met ze voor lijkt te hebben. Daarmee helpen de Tea Party-aanhangers mogelijk hun echte vijand, de economische elite, definitief in het zadel - een elite die weliswaar dezelfde taal spreekt als zij, maar die niet hun belang voor ogen heeft. Een elite, kortom, waaraan Amerikanen straks, als het te laat is, een terechte hekel zullen krijgen.