Olaf Zwetsloot contra Ilja Pfeiffer

Het polderland der poëzie

Enige tijd geleden opende dichter Ilja Pfeijffer de aanval op de hedendaagse podiumdichters, wier poëzie «verstaanbaar», makkelijk, simpel en eendimensionaal zou zijn, en dus geen echte poëzie. De voordrachtskunstenaars slaan terug.

Dit jaar hielden Marc Kregting en Hans Groenewegen in opdracht van het Vlaamse blad De Poëziekrant een enquête met als doel inzicht te krijgen «in de canonvorming bij de twintigste-eeuwse Nederlandstalige poëzie». Hamvraag: welke dichters mogen plaatsnemen op het pluche in de eregalerij van de poëzie, en welke niet? Maar liefst 36 dichters in het Nederlands taalgebied reageerden op het verzoek om hun voorkeuren kenbaar te maken. «Het vooroordeel dat podiumacts wellicht leuk zijn, maar geen substantiële inhoud hebben (…)» wordt door het onderzoek «bevestigd». Hier gebeurt iets merkwaardigs: de aanname dat wat op een podium effectief is op papier niets voorstelt, wordt tot semi-wetenschappelijk feit gepromoveerd. Het is de geconditioneerde reflex waar menig podiumdichter zich mee geconfronteerd ziet.

Enige jaren geleden schreef poëzie criticus Guus Middag in de NRC dat de vermenging van de zusterkunsten poëzie en muziek door podiumdichters en rappers «tot verwatering zal leiden». Onlangs sneerde dichteres en archeologe Esther Jansma in Vrij Nederland dat dichters van nu niet moeten denken dat ze vernieuwend zijn «als ze gaan rappen, of zeggen dat poëzie muziek is die op een podium moet». Daarin heeft ze gelijk, zeker als je beseft dat de vele dreigementen en vervloekingen uit het Oude Testament niets minder zijn dan gangsterrap avant la lettre. Ook Piet Gerbran dy, classicus en poëzierecensent van de Volkskrant, heeft weinig op met de combinatie poëzie-muziek. Voor hem is iets pas een gedicht als het zwart op wit staat. Het gaat hier om een streng afgebakende poëtica met het papier als absolute bestaansvoorwaarde van de poëzie.

In zijn inleiding op de vorig jaar verschenen bloemlezing Sprong naar de sterren: De laatste generatie dichters van de twintigste eeuw typeert Ruben van Gogh de opgenomen gedichten met de term «gebeurende poëzie»: «Gedichten die haast allemaal daadwerkelijk plaatsvinden, ergens ver weg van het papier (…), gedichten met een sterk filmisch karakter, alsof het papier beeldscherm is geworden.» Dat is een aanmerkelijke verruiming ten opzichte van de papieren poëtica. Je kunt het nog ruimer opvatten en zeggen dat de muziek van Satie of Chet Baker poëzie is, dat het licht van Ruysdael poëzie is, of dat de polsslag van een geliefde poëzie is. Enerzijds kun je zeggen dat het poëtisch besef en de poëzie één zijn. Maar je kunt ook zeggen dat gedichten weliswaar worden geschreven vanuit een bepaald besef, maar dat de poëzie en dat besef twee heel verschillende dingen zijn. De eerste opvatting is mystiek-integrerend, de tweede wetenschappelijk-onderscheidend.

In Nederland, waar de meeste literaire dichters een academische achtergrond hebben, overheerst de wetenschappelijk-onderscheidende opvatting. Dit is één verklaring voor de aversie die velen van hen koesteren tegen wat je gerust een renaissance van de uitvoerende dichtkunst kunt noemen, waarover later. Voor uitvoerende dichters is de taal geen autonome fetisj waarmee een gebrek aan zeggingskracht verbloemd kan worden, en is muziek evenmin een schaamlap om poëtisch onvermogen achter te verstoppen. Muziek, gebaren, beelden, dans en stroboscopen, het zijn de mogelijke elementen die in een voorstelling versmelten tot een eenheid. Dat is althans het streven, want de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het gebruik van die elementen geen garan tie biedt voor een meeslepende poëzie-ervaring. Sterker nog, je moet van goede huize komen om niet te verzuipen in de vele mogelijkheden.

«Gevoel voor show, maar aanmerkelijk minder talent had ook Jules A. Deller», schreef het toenmalige dagblad Het Vaderland over een optreden van Jules Deelder op 28 februari 1966 tijdens het legendarische door Simon Vinkenoog georganiseerde festival Poëzie in Carré. Al sinds de tijd van de mooipratende Rederijkers wordt neergekeken op dichters die zich, woordelijk en zonder beschutting van een katheder, wensen te richten tot een breder publiek. Tegenwoor dig worden podiumdichters er «voor de leuk», en omdat het nou eenmaal modieus is, met de haren bijgesleept. Toch wordt de uitvoerende dichtkunst nog altijd niet beschouwd als een volwaardig genre. Daarom wordt het tijd dat Nederland zijn achterstand inhaalt en dat er naar Amerikaans voorbeeld een nationale poetry-slam wordt opgezet waar teams uit heel het land kunnen strijden om eeuwige roem. Er zou beslist een goede impuls vanuit gaan.

Maar er zijn ook tegenkrachten, en hoewel welwillendheid de mens siert, gebeurt het eens in de zoveel tijd dat een literair dichter het te kwaad krijgt en zijn gal besluit te spuien over de zogenaamde podiumdichters die weinig op hebben met elitarisme, zich «aanschurken tegen hiphop», en een boeiende, goed gearticuleerde voordracht voorstaan. Het is een merkwaardig, misschien wel typisch Nederlands fenomeen. Maar waarom is het bezwaarlijk dat dichters rekening houden met het publiek, dat ze nadenken over hun stage presence, dat hun zinnen, ook indien ze worden voorgedragen, misschien obscuur maar toch verstaanbaar zijn, en dat ze hun optreden eventueel omlijsten met muziek?

Wellicht omdat bepaalde puriteinse «schrijf dichters», die in een streng afgebakend gebied opereren, het gevoel krijgen dat er met «hun» vak, waaraan ze hun identiteit hebben vastgekit, gesold wordt. Verschrikt ontwaken ze uit hun academische siësta, schudden stof en spinnenwebben van zich af en zetten het territoriaal op een keffen. Wat blijkt: op de monotone dreun van wrede beats wordt de Muze onteerd door een stelletje hybride muzikant-achtigen. De poëzie raakt entartet, vermengt zich en degenereert tot hapklaarheid. Ver toornd rijst het literaire veredelingsdenken, gelijk het spook van een overleden schoolmeester, op uit het polderslijk.

Onlangs nog sprak dit spook door de mond van dichter en graecus Ilja Leonard Pfeijffer. Hier volgen enkele kreten uit De mythe van de verstaanbaarheid, een schotschrift dat verscheen in het oktobernummer van het tijdschrift Bzzlletin: «Doordat de meeste nieuwe dichters geboren zijn op het podium schrijven ze gedichten die maximaal zijn toegesneden op een luisterend publiek. En wat voor soort gedichten zijn dat? Verstaanbare gedichten.» Maar, wijst hij ons terecht: «Onbegrijpelijke poëzie is altijd beter dan makkelijke poëzie.» Immers: «Ver staanbare poëzie is eenduidig, eendimensionaal, recht-toe-recht-aan en plat. Zij vertoont de drang tot simplificeren omwille van de duidelijkheid. Daarom is zulke verstaanbare poëzie vals en leugenachtig. (…) Verstaanbare poëzie kun je lezen zoals je de gebruiksaanwijzing voor een wasmachine leest.»

Pfeijffers stuk sloeg in dichterskringen in als een bom. Dat is welbeschouwd de enige verdienste van zijn megalomane «essay», dat krioelt van de feitelijke onjuistheden. In een dag vulde mijn mailbox zich met de verontwaardigde reacties van dichters die zich door hem geschoffeerd voelden en ten onrechte geëtiketteerd. Het werd zowaar gezellig op het web. In het duister van cyberspace lichtten plots onvermoede poëten op als sterren, supernova’s en kometen.

Sinds die dag is er veel veranderd. Er werd verwoed heen en weer gemaild, er werden essays geschreven en commentaren, er werd gebriest en gekeft, ja er ontstond spontaan een virtueel symposium van poëten, dat door de Groningse dichter en webmaster Bart FM Droog voortdurend nieuwe impulsen kreeg toegediend. Wie geïnteresseerd is in de ins & outs van Neerlands eerste literaire veenbrand in cyberspace, surfe naar epibreren.com/reacties.

Het ontstaan van een virtuele gemeenschap van dichters heeft belangwekkende implicaties. Er vormt zich een subgroep van poëtisch georiënteerde digerati. De onderlinge communicatiefrequentie neemt — als daartoe aanleiding is — toe, net als het reagerend vermogen; informatie kan à la minute worden opgevraagd, boekingen kunnen online worden gedaan. Staan we aan de vooravond van een nieuwe kettingreagerende netwerkpoëzie die met lichtsnelheid door fiberoptische kabels wordt gestuwd om steeds weer nieuwe hoedanigheden aan te nemen? Zal het poëticale discours zich, nu het niet meer afhankelijk is van de trage, gedrukte media, permanent gaan versnellen? In elk geval schept het internet een aantal technologische randvoorwaarden voor de bloei van de uitvoerende dichtkunst.

Daar staat tegenover dat de digitale veenbrand haarscherp een mentaliteit aan het licht brengt die in aanzienlijke delen van het Neder landse poëziecircuit nog altijd heerst, en waar de minachting voor de uitvoerende dichtkunst spreekwoordelijk is. Er bestaat een groep dichters, redacteuren en recensenten, die zich opwerpt als de Cerberus van het literaire ponypark, en voor wie klare taal per definitie een bewijs van onvermogen of gemakzucht is. Het zijn apparatsjiks als Jansma die in commissies beslissen over subsidies en prijzengelden terwijl ze intussen vrolijk verder knutselen aan hun oeuvre. Zij zien poëzie als cryptogram waarop je je puzzelzucht kunt botvieren. Gedichten dienen «talig» te zijn, doorwrocht en complex «omdat de werkelijkheid dat ook is». Zodra iets makkelijk leesbaar is en onmiddellijk effect sorteert, is het slecht. Deze logica is even curieus als onverbiddelijk: hoe meer mensen een gedicht begrijpen, des te slechter is het. De heiligverklaring van onalledaags taalgebruik, dat «altijd een doel op zich moet zijn», getuigt van minachting voor een meer democratische, open omgang met taal.

En dan is er natuurlijk het afgunstige verlangen naar ontremming dat sluimert onder het vernis van beschaafde calvinistische afkeer. De studeerkamerpoëten delven qua sex-appeal immers het onderspit tegen podiumdichters en voordrachtskunstenaars, die op muziekfestivals volop in de belangstelling staan van een overwegend jong publiek. Podiumdichters hebben de poëzie, zo merkte Pfeijffer terecht op, «weer teruggegeven aan normale, hippe mensen». Het is ook wat podiumdichters gemeen hebben met de oude Grieken: een zwak voor de jeugd. Die jeugd nu had zich massaal afgewend van het saaie elitaire poëziecircuit, waar drie man en een paardenkop na afloop van een avondje stamelen mompelend oplosten in de nacht. Dat poëziecircuit had simpelweg geen sex-appeal, en heeft het nog steeds niet. Tja, kun je zeggen, sex-appeal is helemaal geen criterium. Dat is het wel. Het gaat in poëzie om verleiden tot doorluisteren, verder lezen of tot het aanschaffen van een bundel of poëzie-cd(rom). Het streven naar verstaanbaarheid, naar simpele, begrijpelijke taal als startpunt van verbeelding, was onderdeel van een poging om de poëzie weer aantrekkelijk te maken.

«Het moet ergens zijn misgegaan», schreef Rob van Erkelens (in De Groene Amster dam mer, 22 mei 1996). Waar «de dichtersavondjes, schrijfcommunes, literaire tijdschriften en vurige debatten» in de tweede helft van de jaren tachtig nog talrijk waren, zette in de jaren negentig een periode van stagnatie in. Hoewel je in de vijver van de Nederlandse poëzie wel kikkers hoorde kwaken, rook je vooral de stank van drabbig, stilstaand water. «Nu, in 1996, is er nauwelijks nog iets over van die tijd vol dadendrang, opportunisme en ideeënrijkdom. (…) Er zijn nog maar weinig podia, waar nog minder (jonge) dichters op wensen te springen», aldus Van Erkelens.

Tijdens de Nacht van de Poëzie in 1996 bleek hoe weinig oog de literaire gerontocratie had voor de jeugd. Serge van Duijnhoven en ik schreven, na de bestorming van het podium met een pleidooi voor poëtische verjonging (de gemiddelde leeftijd van de optredende dichters die avond was zestig jaar), daarover een essay in De Groene Amsterdammer. Dit is niet de plek om de inhoud daarvan weer op te rakelen (zie www.groene.nl), maar in het jaar na de «coup» stonden er weer jonge dichters geprogrammeerd, en zette een golf van belangstelling voor hen in. De totale desinteresse sloeg zelfs om in een hype, het andere extreem, en er kwam een discussie op gang over de vraag of rap wel of geen poëzie is. Zelfs het politburo van de Nacht zal zich binnenskamers gerealiseerd hebben dat de functie van een belangrijk poëziefestival misschien wel het genereren van een grotere algehele betrokkenheid bij het dichten kon zijn.

Nu, vier jaar later, lijkt de Nederlandse podiumscene (waarmee bedoeld wordt: díe dichters die belang hechten aan een goede podiumpresentatie en een verstaanbare voordracht) weer te zijn opgebloeid. Er zijn weer volop dichters die niets liever doen dan op een podium springen en die daartoe ook de kans krijgen. Dit is niet de verdienste van enkele personen, maar van verschilende generaties poëten en pro gram meurs voor wie poëzie óók op de bühne hoort — met of zonder muziek. Benn Posset, Louis Behre, Johnny van Doorn, Carla Bogaards, Koos Dalstra, Frank Starik, Erik-Jan Harmens, Diana Ozon, Jacek Nichs, de Dichters uit Epibreren, Ruben van Gogh en vele anderen — ze droegen allemaal, gezamenlijk of los van elkaar, hun steentje daaraan bij. De kloof tussen poëzie en popmuziek, tussen «hoge» en «lage» cultuur is, tot groot ongenoegen van een hooghartige elite, verkleind, wat onlangs ook weer bleek op het Lowlands muziekfestival, waar een paar honderd mensen kwamen luisteren naar podiumdichters.

«Dan heb je de traditionele ‹Gerrit Kouwenaar-scene› van zichzelf zeer ernstig nemende poëten. Ze haten voorlezen, lees ik altijd, maar ze zijn wél altijd op alle mogelijke ‹Nachten van de poëzie›. Je kunt die gasten ook makkelijk herkennen want ze zijn nooit te verstaan, behalve door de recensenten in de zaal», zegt Jules Deelder, godfather van de Neder landse podiumdichters (Humo, 11 januari 2000). Deelder heeft wel eens geklaagd dat zijn poëzie, omdat zij schijnbaar eenvoudig is en hij ermee op podia staat, door menig literair criticus niet serieus wordt genomen. De Engels man Donald Gardner, al sinds de jaren zeventig uitvoerend dichter, zegt hierover: «De literaire kritiek beschouwt de uitvoerende dichtkunst als een non-genre, omdat men er geen toetssteen voor heeft.»

Die traditionele minachting van de orale poëzietraditie blijft een merkwaardig fenomeen, dat getuigt van een haperend cultuurbesef, van historische amnesie. De lyrische traditie van het avondland is immers voor een groot deel een orale traditie. Troubadours als Girault de Borneil (c.1140-1200) en Folquet de Mar seille (c.1150-1231) waren dichter, zanger, componist en voordrachtskunstenaar tegelijk. Maar los daarvan: het poëtisch besef en zijn verwoording gingen aan het schrift vooraf — orale poëzie ging aan geschreven poëzie vooraf. Het verlangen om de relevantie van de uitvoerende dichtkunst te bagatelliseren of te verketteren staat gelijk aan zeggen dat een boom kan groeien zonder wortels.

Deze misvatting stamt waarschijnlijk uit de tijd dat er een harde sociaal-economische demarcatielijn liep tussen geletterden en analfabeten. Hoe rudimentair ook, die oude standenmaatschappij speelt ons nog steeds parten. Wel of niet kunnen lezen was bepalend voor sociale en culturele status in de maatschappelijke hiërarchie. Geschreven taal werd daar door een statussymbool. Al kan tegenwoordig iedereen lezen, er wordt nog steeds gedaan alsof het geschrevene, hoe slecht ook, per definitie is verheven boven het gesprokene.

Dan rest nog het feit dat de gemiddelde Nederlander, in tegenstelling tot Fransen en Spanjaarden, of zelfs onze Vlaamse taalgenoten, nauwelijks een repertoire aan zingbare liedjes als cultureel standaardpakket heeft meegekregen. Nederlanders kunnen doorgaans wel lallen, maar niet zingen. Wel zo makkelijk, want met lallen hoef je je gevoel niet te tonen. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar afgezien daarvan gaapt er in dit land een groot gat tussen poëzie en zangkunst, een gat dat in vele buitenlanden door barden van niveau wordt opgevuld. Hoe verder de poëzie verwijderd raakt van muziek en zang, die een directe uiting zijn van emotie, des te cerebraler wordt zij. In het slechtste geval is cerebrale poëzie een onoverkomelijke lyrische handicap, een verzet tegen de meeslependheid van de taal en het leven. Emoties zijn immers eng, niet «maakbaar», onvoorspelbaar, ze zijn moeilijk te beheersen, ze staan haaks op de spreekwoordelijke Hollandse nuchterheid en kunnen daarom maar beter worden ingepolderd.

Dat er dichters zijn die in het diepst van hun gedachten vinden dat de ware poëzie alleen op papier bestaat, soit. Maar denken dat er op de Parnassus alleen voor hen plaats zou zijn, voert te ver. De podiumdichters zullen moeten laten zien dat hun werk wel degelijk inhoud heeft en dat ze toegewijd en serieus hun vak beoefenen. Dan zal blijken dat de literaire apparatsjiks, die vanaf de Deltawerken van de elitaire poëzie de einder afspeuren naar verdachte bewegingen, niet hebben opgemerkt dat de polder achter hen allang is ondergelopen.