Het poldermodel nederland was zo succesvol, juist omdat de rest van europa het voorbeeld niet volgde

Van de Wall Street Journal tot Die Zeit, allemaal bejubelen ze het ‘Nederlandse model’. Goed voor de economie en goed voor de schatkist. Maar waaruit bestaat dat poldermodel eigenlijk? Is het paars, is het corporatisme of is het toeval?
TOEGEGEVEN, het is niet het beeld dat we van hem hadden. Minister Melkert van Sociale Zaken is actievoerder geworden. Actievoerder voor het Poldermodel, ook wel de overlegeconomie genoemd. Strijdend trekt hij door Europa, ja zelfs door de wereld.

Of het nu bij de Oeso is of op een conferentie van Europese ministers, overal houdt de minister zijn gloedvolle pleidooi. Wie zei dat Paars de verzorgingsstaat om zeep helpt? Wie zei dat Paars korte metten maakt met de overlegeconomie? Een behoorlijke sociale zekerheid is juist een belangrijke voorwaarde voor economische groei, vertelt Melkert aan iedereen die het horen wil. En de overlegeconomie, die fantastische consensus tussen werkgevers en werknemers, is de manier om de rest van Europa zonder kleerscheuren klaar te stomen voor de Emu.
En, toeval of zorgvuldige regie, de minister wordt een handje geholpen door de buitenlandse media. Van de Wall Street Journal tot Die Zeit, van Le Nouvel Observateur tot De Standaard, allemaal bejubelen ze plotseling het ‘Nederlandse model’. Nederland is immers een van de weinige landen die straks voldoen aan de toelatingscriteria voor de Economische Monetaire Unie. Hoe krijgt dat landje het voor elkaar, is dan al gauw de vraag.
EEN JAAR OF WAT geleden had Melkert er genoeg van. Genoeg van de stemming in de Nederlandse politiek als zou de sociale bescherming en relatieve gelijkheid een blok aan het been zijn van Neerlands concurrentiepositie. Genoeg van het eeuwige geroep om deregulering, minder overheid, meer markt. Genoeg van de eenzijdige benchmarking zoals zijn collega-minister Wijers die bedreef. Benchmarking, oftewel het eindeloos vergelijken van economische parameters van het eigen land met die van andere landen, is tegenwoordig een geliefde sport. En bij Wijers kwam er steevast uit dat Nederland de boot dreigt te missen, dat Nederland ten onder gaat aan stroperigheid en regels, dat we afzakken op diverse Europese ladders.
Melkert gaf z'n eigen ministerie opdracht tot een grote benchmarking-studie en liet Nederland vergelijken met zeven andere westerse industrielanden: België, Duitsland, Denemarken, Japan, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Zweden. En wat bleek? 'Het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid, zorgvoorzieningen en de regelingen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden zijn - in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd - verenigbaar met goede economische prestaties en een gunstige internationale concurrentiepositie van ons land.’ Aldus de eerste regel van het persbericht.
Het onderzoek verscheen vorig jaar zomer, en kan achteraf worden beschouwd als belangrijk omslagpunt in het Nederlandse politieke klimaat. Want wisten wij dat het aantal 'inactieven’ (als percentage van het aantal werkenden) juist in Nederland sinds 1985 het hardst is afgenomen? En wisten wij dat de uitgaven voor sociale zekerheid in Nederland (samen met Japan) veel minder hard zijn gestegen dan in andere landen? En dat de werkgelegenheid in Nederland nog sneller groeit dan in wonderland Amerika, terwijl we hier tegelijkertijd een behoorlijk sociale bescherming houden? En dat de werkloosheid onder laagopgeleiden in Engeland en Amerika hoger is dan bij ons? Nou dan. Dat het vooral om deeltijdbanen gaat (37 procent van de banen, tegenover 20 procent in Duitsland) geeft niks, want dat zijn precies de banen die mensen wensen. En Melkert heeft het zelfs weer over nivellering. Geen nivellering om de nivellering (Melkert: 'Dat zou een déjà vu uit de jaren zeventig zijn’) maar omdat het inleveren van loon voor vrije tijd goed is voor de werkgelegenheid. De rijken leveren werktijd en dus loon in, de armen komen aan de bak - ziedaar de herverdeling anno 1997.
Maar Melkert was nog niet klaar. Hij gaf een Duits onderzoeksbureau, DIW, de opdracht zich te buigen over het monster van de globalisering. Onderzoeksvraag: Betekent de internationalisering van de economie automatisch dat een overheid minder moet en kan doen aan werkgelegenheidsbeleid en sociaal beleid? En betekent het vrije verkeer van goederen en kapitaal in Europa onvermijdelijk het loslaten van sociale verworvenheden?
Zeker niet, antwoordde DIW. Want die internationalisering is fantastisch voor de economie, maar mensen met een lage opleiding en een lage produktiviteit dreigen de boot te missen. Dus moet de overheid juist meer dan ooit bijsturen. Bijvoorbeeld door via specifieke lastenverlichting laagproduktieve arbeid goedkoper te maken. En de overheid moet extra banen voor die dreigende onderklasse creëren, vooral in de dienstverlening. En dat is nou precies waar minister Melkert al een paar jaar mee bezig is.
Het Duitse bureau ontdekte nog meer. In landen waar overheid en sociale partners in goede harmonie reageren op economische schokken, gaat het beter met economie en werkgelegenheid. Kortom: leve de overlegeconomie.
Het rapport was bedoeld voor de conferentie van Europese ministers van Sociale Zaken die eind januari in Amsterdam werd gehouden. Een conferentie die tegenwicht moest bieden tegen de louter financiële preoccupatie bij de Europese eenwording. Melkert beleefde er zijn finest hour. Zonder veel schroom stelde hij het Nederlands model ten voorbeeld aan Europa. De strijd die veel landen voeren om te voldoen aan de criteria van Maastricht, leidt tot de klassieke polarisatie tussen werkgevers en werknemers en tussen de liberale en sociale ideologie. Laat het niet gebeuren, is Melkerts boodschap. Ga met elkaar om de tafel zitten, overleg!
Op dergelijke bijeenkomsten presenteert Melkert het Nederlandse model graag als prestatie van het paarse kabinet, als logische uitkomst van de samenwerking tussen liberalen en sociaal-democraten. Een opmerkelijke ontwikkeling, gezien het retorische geweld waarmee het paarse kabinet bij zijn aantreden tekeer ging tegen alles wat riekte naar corporatisme. Lodewijk de Waal, binnenkort voorzitter van de FNV: 'Paars had al snel door dat men het middenveld goed kon gebruiken, al was het maar om de onenigheden tussen Melkert en Wijers te temperen.’
MAAR WAARUIT bestaat eigenlijk het bejubelde 'Nederlandse model’? Waar heeft Nederland die keurige overheidsfinanciën en relatief gunstige werkgelegenheidsontwikkeling aan te danken? Het antwoord hangt in hoge mate af van de politieke kleur van degene aan wie de vraag wordt gesteld. 'Door op tijd fors te bezuinigen, door de uitkeringen minder aantrekkelijk te maken, door de terugtredende paarse overheid’, roepen de ministers Wijers en Zalm, schrijft NRC Handelsblad en melden ook de liberale Angelsaksische bladen. Ter ilustratie voert The Wall Street Journal een Nederlandse kunstenaar op die een paar jaar geleden nog al z'n kunst kwijt kon aan de overheid - die het vervolgens in kelders liet wegrotten - en die tegenwoordig gewoon moet werken voor z'n geld, in een fabriek. Hulde aan Nederland!
Nee, het komt door de constructieve houding van de vakbeweging, waardoor de loonkosten in Nederland zeer gematigd zijn, en door herverdeling van werk, roepen minister Melkert, de vakbeweging, de Volkskrant en de Belgische en Duitse bladen. Overigens is Melkert de laatste om het Poldermodel te politiseren. Wat Nederland doet 'is nauwelijks de uitkomst van een ideologisch debat. Het zijn vooral praktische, zakelijke overwegingen geweest’, zo deelde hij aan zijn Europese collega-ministers mee.
PAARS HEEFT HET in het buitenland helemaal gemaakt. Maar de vraag is in hoeverre het Nederlandse succes is toe te schrijven aan het huidige kabinet. De credits voor de imago-verandering van Nederland, voor de omslag in de publieke opinie, komen onmiskenbaar toe aan Paars, maar verder? De loonmatiging dateert al van 1982, toen werkgevers en werknemers onder druk van de overheid het beroemde Akkoord van Wassenaar sloten. Die loonmatiging-in-ruil-voor-arbeidstijdverkorting is, daarover is eigenlijk iedereen het eens, het belangrijkste verschil tussen Nederland en het buitenland. Dat het tot zo'n deal kon komen, heeft alles te maken met de Nederlandse instituties, met het innige contact tussen werkgevers en werknemers. Lodewijk de Waal: 'Het ging vreselijk slecht met de economie en we hadden als vakbeweging de keus tussen radicaliseren of een deal sluiten. Doordat je in Nederland altijd met elkaar om de tafel zit en als werkgevers en werknemers gezamenlijk de economie analyseert, kom je eerder tot zo'n deal.’
En ook de bezuinigingen zijn al vijftien jaar aan de gang. Typisch paars zijn wel de Melkertbanen en de extra nadruk op lastenverlichting (verlagen van premies en belastingen, waardoor werknemers ook eerder akkoord gaan met matige loonsverhogingen). Maar tweeëneenhalf jaar is eenvoudigweg te kort om daarvan al resultaten te zien. Het Nederlandse succes kan in ieder geval niet worden toegeschreven aan de deregulering, want afgezien van het verruimen van de winkeltijden is het bij liberale retoriek gebleven. De ontslagbescherming is niet noemenswaardig verminderd, de algemeen-verbindendverklaring van cao’s is blijven bestaan, evenals het minimumloon.
Paul de Beer, onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau, benadrukt dat eigenlijk niet valt te 'bewijzen’ waar het Nederlandse werkgelegenheidssucces precies aan te danken is. Hij houdt zich bezig met het verband tussen verzorgingsstaat en werkgelegenheid. Is een behoorlijke sociale bescherming nu goed of slecht voor de werkgelegenheid? Het is niet aan te geven. Landen met vergelijkbare sociale zekerheid scoren op werkgelegenheid toch heel verschillend.
HET BUITENLAND verbaast zich nog het meest over de eensgezindheid die in Nederland heerst. 'Bijna te mooi om waar te zijn’, vindt The Economist, schrijvend over 'the cosy Dutch consensus’. 'Nederland presteert het schijnbaar onmogelijke, het neemt in consensus afscheid van zijn ontwikkelde verzorgingsstaat’, schrijft Die Zeit. Want of het nu gaat over de loonmatiging, over het hakken in de sociale zekerheid of het versoepelen van de winkelsluitingstijden, hoe heeft Nederland het allemaal kunnen doen zonder sociale onrust?
Maar hier wreekt zich toch het korte geheugen van de commentatoren. Lag in de winter van 1983 niet half Nederland plat door de stakingen? En wat te denken van de 250.000 demonstranten tegen de WAO-ingreep? Het heeft allemaal niet geholpen, maar consensus is toch wat anders.
'Zo cosy is het hier helemaal niet’, zegt Anton Hemerijck, die een paar jaar geleden promoveerde op het corporatisme in Nederland. 'Marjanne Sint, Elske ter Veld en Robin Linschoten moesten allemaal het veld ruimen vanwege strubbelingen over de sociale zekerheid. En het paarse kabinet is er alleen maar gekomen omdat het CDA zich had vastgedraaid in de AOW en de PvdA in de knoop zat met de WAO.’
Het is eigenlijk tamelijk eenvoudig. De middengroepen hebben relatief weinig gemerkt van de tientallen miljarden die er de afgelopen jaren zijn bezuinigd op de sociale zekerheid, omdat voor hen de gaten meteen zijn gedicht door particuliere verzekeringen. De uitkeringsgerechtigden hebben het wel aan den lijve ondervonden, maar behalve zijzelf maakt niemand zich daar druk om. De bezuinigingen zijn immers voor hun eigen bestwil, want bedoeld ter vergroting van de werkgelegenheid. Of, zoals Thijs Wöltgens schrijft in zijn notitie over een beginselprogramma voor de PvdA: 'Om de koek groter te maken moeten de minstbedeelden met een nog kleiner stuk genoegen nemen.’
De buitenlandse lof blijkt ieders ijdelheid en chauvinisme te prikkelen. Ook degenen die de afgelopen jaren hevig protesteerden tegen het paarse beleid (de vakbeweging, Ser-voorzitter Klaas de Vries) zijn in de buitenlandse bladen opeens louter enthousiast over Nederland.
Stel dat het paarse regeerakkoord niet in 1994 maar in 1997 tot stand was gekomen, dan was de ziektewet niet afgeschaft. Daar is Ruud Vreeman, scheidend PvdA-kamerlid, van overtuigd. 'De ideologische aanval op de arrangementen was drie jaar geleden natuurlijk enorm. Die stemming is inmiddels omgeslagen, dat heeft Ad Melkert heel slim gedaan. De discussie over het ministelsel is helemaal verdwenen. Maar het vervelende is dat je die ziektewet niet terug kunt draaien, want de particuliere verzekeraars die massaal het ziektewetgat dichtten, schuif je niet zomaar weer van de markt af. Daarom was ik er ook altijd zo tegen.’ Vreeman hoopt dat de huidige juichstemming over het 'Nederlands model’ kan worden benut voor een verbetering van de sociale zekerheid.
De verandering in het politieke klimaat ten gunste van sociaal beleid is overigens geen puur Nederlandse aangelegenheid. Of het nu om het IMF, de internationale arbeidsorganisatie ILO of de club van rijke industrielanden Oeso gaat, overal lijkt de neoliberale retoriek enigszins op de terugtocht. Was de titel van de Oeso-conferentie in 1981 nog The Welfare State in Crisis, afgelopen november hield de Oeso in Parijs een conferentie over The New Social Policy Agenda. Conclusie in een van de papers: juist een behoorlijke sociale bescherming biedt mensen de zekerheid die nodig is voor 'vibrant economic activity’. 'The Welfare state as economic performer’, noemt Melkert dat.
In hoeverre is het Nederlands model, voor zover dat al echt bestaat, navolgbaar voor de rest van Europa? In België, Frankrijk, Duitsland, overal krijgen de vakbonden nu van de werkgevers en regeringen te horen dat ze moeten 'doen als de Hollanders’, oftewel hun looneisen matigen. 'Maar dan wordt gemakshalve even vergeten in welke context die loonmatiging in Nederland heeft plaatsgevonden’, zegt Lodewijk de Waal. De loonmatiging viel in Nederland samen met een sterke toename van het aantal werkende vrouwen. Mannen van wie de partner ook gaat werken, kiezen sneller voor meer tijd in plaats van meer geld. Dat is één. Bovendien doet de Nederlandse regering aan lastenverlichting, terwijl de Duitsers juist te maken kregen met een belastingverhoging (de solidariteitsbelasting na de Duitse hereniging) van 7,5 procent. Het is dus niet een kwestie van 'eventjes het Nederlandse model overnemen’.
Ook hoogleraar Jos de Beus waarschuwde de afgelopen weken tegen het klakkeloos overnemen van het 'Nederlandse model’ voor Europa. Nederland was juist zo succesvol bij de gratie van het feit dat de rest van Europa het voorbeeld niet volgde. Loonmatiging betekent het matigen van de binnenlandse bestedingen. Dat dit geen recessie tot gevolg had, kwam doordat Nederland flink kon blijven exporteren. Als heel Europa gaat bezuinigen, zakt het zaakje in, vreest De Beus.
Toch heeft De Waal wel een advies voor zijn stakende Duitse en Franse collega’s. 'Zorg dat je met de regering en werkgevers in gesprek komt. Ik ben ervan overtuigd dat dat een van de belangrijkste sleutels is tot het Nederlandse succes. Maar ja, in 1982 was ik zelf helemaal niet voor de deal, toen vond ik ook nog dat de rijken de crisis moesten betalen.’