De Grote Kiezersverhuizing

Het politieke driestromenland verandert

De grote middenpartijen – PVDA, CDA en VVD – zijn in verval. Bij alle drie lopen aan weerszijden de wielen van de wagen: zowel de elite als de gewone man zoekt zijn heil elders. Misschien is de teruggang te verklaren met een verandering in de politieke demografie.

SINDS DE VERKIEZINGEN voor het Europees Parlement in juni gaat de meeste aandacht uit – behalve naar de winst van de PVV – naar het verlies van de PVDA. Een interne werkgroep onder leiding van Sharon Dijksma kwam tot de conclusie dat ‘veel, zo niet alles’ in de campagne fout was gegaan en kwam met een suggestie wat er dus de volgende keer anders moet (‘primaries houden voor het lijsttrekkerschap’). Partijleider Bos erkende in de Volkskrant dat ‘we ons verhaal in campagnetijd niet aansprekend over het voetlicht weten te krijgen’. Hij sprak niettemin de verwachting uit dat de kiezers bij de landelijke verkiezingen in 2011, als de gevolgen van de economische teruggang echt voelbaar zijn (‘Het wordt nog knap ellendig in Nederland’) wel weer bij de PVDA terugkeren. Het concentreren van de aandacht op de situatie bij de sociaal-democraten beneemt het zicht op het grotere geheel: het probleem zit niet specifiek bij de PVDA. Bij de EP-verkiezingen haalden alle drie de traditionele grote Nederlandse partijen historisch lage scores: bij elkaar trokken ze slechts 43,4 procent van de stemmen. In de peilingen dalen ze alleen maar verder. De traditionele politieke grootmachten zouden op dit moment samen nog niet eens genoeg zetels krijgen voor een kabinet. Zoals steevast de laatste jaren wordt dat verklaard uit het ontbreken van aansprekende leiders, fouten in de campagne of niet de juiste toon vinden om de kiezers aan te spreken. De partijen blijven ervan uitgaan dat de politieke slinger op den duur onherroepelijk weer hun kant op zwaait. Maar het lukt ze maar niet de weg terug naar boven te vinden.
Misschien richt de gangbare analyse zich te zeer op de symptomen van de teruggang en is het verval van de traditionele partijen beter te verklaren met een andere hypothese: een structurele verandering in de politieke demografie. De onderlinge verdeling van kiezers waaraan de grote drie middenpartijen sinds de ontzuiling hun bestaansrecht ontlenen is aan het verschuiven. Bij alle drie lopen aan weerszijden de wielen van de wagen: zowel de elite als de gewone man zoekt zijn heil elders. Er vindt een Grote Kiezersverhuizing plaats. En het gaat er niet om dat de toon van de oude partijen achterhaald is, maar dat de inhoud die zij bieden niet meer aansluit bij het electoraat.

NIET ALLEEN DE PVDA, maar elk van de drie grote Nederlandse partijen heeft altijd gesteund op het samenkomen van twee soorten kiezers: intellectuele en materiële. De PVDA trok aan de ene kant de mensen, vaak hoogopgeleid, die om intellectuele redenen het socialisme een aantrekkelijk idee vonden. En aan de andere kant waren er degenen die om materiële redenen PVDA stemden, omdat zij, vaak lager opgeleid en lager betaald, het zelf beter hoopten te krijgen. De VVD kende een soortgelijke verdeling in een intellectuele en een materiële vleugel. Er waren de aanhangers van het klassieke liberalisme, en daarnaast degenen, veelal middenstander of werkzaam in het bedrijfsleven, die vonden dat een stem op de VVD de beste kans bood dat niet een PVDA-regering hun zuurverdiende centen ging herverdelen. In het CDA waren er de echte confessionelen, die vonden dat het christelijke geluid belangrijk was in de politiek. En er waren degenen die niet noodzakelijk zelf gelovig waren, maar in het CDA vooral een degelijke, oer-Hollandse, in feite conservatieve middenpartij zagen, die borg stond voor handhaving van de status-quo.
Op grond van die verdeling konden de drie partijen samen tot in de jaren negentig steevast ruim driekwart van de kiezers aan zich binden en in wisselende coalities van twee – met altijd het CDA als één van de twee – regeren. Dat evenwicht begon te schuiven met het succes van D66, waardoor Paars mogelijk werd. Enkele jaren later toonde Pim Fortuyn op spectaculaire wijze aan dat de middelpuntzoekende kracht in het systeem structureel verzwakt was, en dat er ruimte was voor nieuwkomers. Die ontwikkeling heeft zich doorgezet.
De materiële stemmers hebben hun oude partijen als eerste verlaten. Het duidelijkst is dat zichtbaar bij de PVDA. De bevolkingsgroep die zij wilde verheffen tot de middenklasse heeft die status grotendeels bereikt en heeft nu een ander belang: verdedigen wat ze heeft. De neiging van de PVDA om in de migrantenbevolking een nieuwe doelgroep te zoeken voor haar oude kunstje – verheffing en herverdeling – ligt voor de hand. Maar voor de oude doelgroep betekent het dat hun partij nu niet langer haar belangen verdedigt, maar de concurrentie in het zadel helpt. Bij de VVD lijken de middenstanders die sinds Wiegel de ruggengraat van de partij vormden er niet meer op te vertrouwen dat die hun belangen het best verdedigt. Een grote (Europese) vrije markt klinkt mooi, maar niet als de kleine Hollandse ondernemer het gevoel heeft vermalen te worden tussen de Brusselse regels en de internationale concurrentie. Van de traditionele CDA-achterban vertrouwt intussen een flink deel kennelijk de rentmeesterspartij het behoud van de status-quo niet meer toe. Sommige christenen hebben er moeite mee dat het CDA het begrip confessioneel wel erg pragmatisch uitlegt en ook aanbidders van vreemde goden toelaat in de partij. Voor anderen lijkt het CDA eenvoudig niet meer de krachtigste verdediger van het gewone Hollandse volksgevoel.

VOLGENS DE ANALYSE die onderzoeksbureau Synovate maakte van de jongste EP-verkiezingen kwamen de nieuwe PVV-stemmers vooral van VVD (23 procent), CDA (12) en SP (16). Die laatste groep zou wel eens deels dezelfde kunnen zijn die in 2006 de PVDA voor de SP verruilde, waar nu dan nog eens 5 procent PVV-stemmers bij kwam die de overstap vanaf de PVDA in één keer maakte. De PVV blijkt voor de teleurgestelde materiële kiezers van alle drie de grote partijen een geloofwaardig alternatief. De partij richt zich op de thema’s die deze groep belangrijk vindt, en die vaak aanleiding waren voor de ontevredenheid met hun oude partij – immigratie, Europa, zorg, veiligheid – zonder zich er druk over te maken van welke kant van het klassieke politieke spectrum ze komen. Bij de PVV is ‘links’ weliswaar een veelgebruikt scheldwoord, maar dat belet de partij niet traditioneel linkse standpunten in te nemen als daar voldoende vraag naar is (bijvoorbeeld handhaving van het minimumloon en het huidige ontslagrecht). De PVV vult dus niet alleen het vermeende gat op rechts in het Nederlandse politieke spectrum, maar de gaten die alle drie de grote partijen hebben laten vallen: links, rechts en in het midden.
De traditionele elite, de mensen die om intellectuele redenen op een van de drie middenpartijen stemden, lijkt minder te verliezen te hebben door bij de oude partij te blijven. Toch trekt ook van hen een deel weg. Voor PVDA- en VVD-kiezers geldt mogelijk dat sinds 1989 het socialisme en sinds de huidige crisis ook het (neo)liberalisme als blauwdrukken voor een betere wereld hun glans hebben verloren. Vaak speelt mee dat de traditionele partijen, in een poging de materiële kiezers te behouden, standpunten innemen waar de intellectuele kiezers het gewoon niet mee eens zijn. De pragmatische opstelling van D66, met linkse én liberale elementen, biedt voormalige intellectuele aanhangers van zowel PVDA als VVD een redelijk alternatief. Volgens Synovate kwam in ieder geval een groot deel van de EP-winst van D66 bij de PVDA vandaan. Voor de echte idealisten zijn GroenLinks en misschien de Partij voor de Dieren een optie. Christenen die het CDA niet meer christelijk genoeg en de SGP te zwaar vinden kunnen terecht bij de ChristenUnie.

DE POLITIEKE BREUKLIJN loopt niet langer verticaal, tussen links en rechts, maar horizontaal, tussen intellectuelen en materiëlen. De band tussen die twee groepen, die alle oude partijen bij elkaar hield, is grotendeels opgelost. De schematische voorstelling van het politieke spectrum als een rechte lijn van uiterst links, via het midden (waar de traditionele grote drie samenklonterden) naar uiterst rechts, lijkt achterhaald. Er is een soort assenstelsel ontstaan. Horizontaal staan de economische opvattingen, lopend van grote staatsbemoeienis – zoals de SP die het meest voorstaat – naar minimale staatsbemoeienis (waarin Mark Rutte’s VVD in Nederland het verst gaat). Verticaal de culturele opvattingen, met boven kosmopolitisch/multicultureel (GroenLinks, D66) en onder nationalistisch/monocultureel (PVV). De discussie of de PVV een gewone rechtse partij of een extreem-rechtse partij is, zoals die kortgeleden op de opiniepagina’s van NRC Handelsblad werd gevoerd, gaat uit van de verkeerde vraag. De PVV is een hybride partij, die standpunten verenigt die vroeger bij tegengestelde kanten van het politieke spectrum hoorden. In de nieuwe indeling staan partijen niet meer links of rechts, maar op een punt dat wordt bepaald door hun positie op verscheidene assen. Het stelsel kan eenvoudig verder worden uitgebreid, bijvoorbeeld met een as voor de rechtsopvattingen (van ‘van gevangenisstraf is nog nooit iemand beter geworden’ tot ‘gewoon keihard aanpakken’ – de PVV en een hypothetische Sharia-partij zouden onaangenaam verrast zijn door hun onderlinge nabijheid op deze as).

DE GEVESTIGDE ORDE lijkt nog altijd te denken dat de grote verandering in het huidige politieke debat in de toon zit. Men is op zoek naar een manier om de vertrouwde parlementaire mores terug te krijgen, of als dat niet lukt naar kampioenen die Wilders met zijn eigen verbale wapens kunnen bestrijden. Er klinken oproepen om in de presentatie wat meer populisme te mengen. Op een bijeenkomst met leden kreeg de top van de PVDA het advies vaker een ‘puntige, volkse babbel’ in te zetten. Die discussie gaat voorbij aan de werkelijke, veel belangrijker verandering. De politieke demografie waaraan de traditionele partijen lang hun bestaansrecht ontleenden is verschoven. Niet alleen de vorm van het debat, maar nog veel meer de inhoud is veranderd.
Het is de vraag of partijen die gebouwd zijn op de oude politieke indeling zich aan de veranderde situatie kunnen aanpassen. Het oude schema proberen te verkopen in een nieuwe verpakking, al dan niet met behulp van voorverkiezingen en andere noviteiten in de campagne, werkt in ieder geval niet. Om weer vaste grond onder de voeten te krijgen zouden ze zichzelf bijna geheel opnieuw moeten uitvinden, met een aansprekende combinatie van standpunten over onderwerpen die de kiezers belangrijk vinden. Onmogelijk is dat niet, de Republikeinen in de Verenigde Staten en Labour in Groot-Brittannië hebben het eerder gedaan (en verkeren inmiddels opnieuw in moeilijkheden, deels omdat ze zich vastklampen aan hun nieuwe dogma’s). Maar die hadden te maken met een tweepartijensysteem, waarin ze de tijd en de ruimte kregen voor een herdefinitie terwijl de andere partij aan de macht was. In Nederland lijken de gaten die de traditionele partijen hebben laten vallen inmiddels voor een groot deel opgevuld door anderen. Dat maakt het lastig de verloren kiezers weer terug te winnen.
Als deze hypothese klopt zijn de opkomst van de PVV en de afkalving van de oude partijen niet incidenteel, maar zullen ze voorlopig doorzetten. De PVV kan, voortgestuwd op de golf van enthousiasme en nieuwe hoop op een in hun ogen betere toekomst bij zijn aanhangers, het politieke debat (nog meer) naar zich toe trekken. De oude partijen lopen achter de feiten aan en worden telkens gedwongen te reageren op de PVV.
Voorzover zich nog grote blokken aftekenen, zit het onderscheid vooral in hun reactie op de globalisering. Eén blok (PVV, SP en de aangekondigde seniorenpartij van oud-nieuwlinksers) richt zich op het met hand en tand verdedigen van de materiële verworvenheden van de verzorgingsstaat tegen invloeden van buiten de grenzen (migranten, Brussel, multinationals). Het andere richt zich op pragmatisch aanpassen van Nederland aan de veranderende toestand in de wereld (D66, GroenLinks, de resten van PVDA en VVD). Voor wie is opgegroeid in het Nederlandse politieke driestromenland van de afgelopen decennia is het misschien moeilijk voor te stellen, maar onder invloed van de Grote Kiezersverhuizing zou dat landschap over een paar jaar wel eens onherkenbaar veranderd kunnen zijn.