Wieslaw Mysliwski, Steen op steen

Het Poolse dorpsleven

‘Er was een wereld en nou is ze weg. En daar dien je je bij neer te leggen.’ Dat is in een notendop Steen op steen, de grote roman van de Poolse schrijver Wiesław Mysliwski (1932). Een Pool uit 1932: die heeft het alomtegenwoordige katholicisme, de oorlog, het communisme en daarna nog het verdwijnen van het IJzeren Gordijn meegemaakt. Je kunt er wel vanuit gaan dat de wereld waarin hij geboren is inderdaad wég is.

Wieslaw Mysliwski, Steen op steen, € 24,95
Over het doppen van bonen, € 12,50

Steen op steen dompelt de lezer onder in het oude Europese plattelandsleven; een feest van nostalgie. Het land moet bewerkt, af en toe wordt iemand doodgeslagen op een dorpsfeest, er gaan grote hoeveelheden wodka om, en als het erop aankomt helpt iedereen elkaar. Zelfs als twee buren elkaar al decennia naar het leven staan, kun je uitgerekend bij díe buurman schuilen voor de Duitse soldaten.

Het verhaal over dat verloren Poolse dorpsleven wordt verteld door de boer Szymek. Hij heeft een ongeluk gehad bij het oversteken van de asfaltweg die dwars door het dorp is getrokken. Twee jaar verbleef hij in het ziekenhuis, waar ternauwernood zijn benen gespaard konden worden, en nu is hij op zijn krukken terug in zijn boerderij, waar alles in verval is geraakt. Zijn ene koe is bij een buurman, zijn andere koe bij een andere buurman, zijn gestoorde broer Michał schept stront bij een derde boer die hem in ruil een karig maal geeft, en zijn paard is afgebeuld door weer een andere dorpsgenoot. Hij heeft nog maar één doel voor ogen: hij wil een stenen graf laten bouwen op de katholieke dorpsbegraafplaats. Daar moeten zijn ouders worden herbegraven, zijn twee broers die in de stad wonen en nooit meer in hun geboortedorp komen, met hun vrouwen desnoods, en Michał en hijzelf worden bijgezet. Acht kamers moeten het worden; de familie herenigd in de dood. Waarom is Szymek zo geobsedeerd door dat graf?

Het duurt een hele tijd voordat je daar achter komt. Steen op steen is namelijk alles behalve een chronologisch of zelfs logisch verslag van een familiegeschiedenis, of een coherent verhaal over alle veranderingen die Polen in vijftig jaar heeft ondergaan. Nee, het is een buiteling van geestige en sterke verhalen zoals je die te horen kunt krijgen van een dronkenman in een kroeg: op het eerste gezicht zonder volgorde, zonder hiërarchie, zonder oorzaak en gevolg. Pas in de tweede helft van het boek krijg je de verhalen te horen die een dieper inzicht geven in Szymeks leven. Zijn tijd als partizaan in de bossen, vechtend tegen de Duitsers. Zijn verloving met een meisje, die dramatisch afliep. De bittere armoede in het gezin, en de wreedheid van vader, die zijn kind zelfs eens wilde ophangen ‘als een rat’. En de liefdesverklaring van Kaska, winkelmeid en hoer van het dorp. Het boek bouwt, net als het beoogde graf, steen na steen aan Szymeks levensverhaal.

Net als het erop lijkt dat Mysliwski je voorgoed onderdompelt in nostalgie komt het verhaal dat Szymek al bijna driehonderd pagina’s níet heeft willen vertellen. In het bos van Borowice, waar ‘metgezel Garus uit Borzicin graag paddestoelen ging zoeken’, wordt een groep jongemannen als repercussie afgeslacht door Duitse soldaten. Szymek ontkomt als enige. Dat geeft later gedoe met de gedenksteen, en er komt een delegatie uit Borowice vragen of Szymek maar liever wil doen alsof hij ook gesneuveld was. ‘Wie weet, misschien was het wel beter geweest als ik toen met de anderen was vermoord.’ Szymek is doodverklaard, maar leeft verder.

Nu begrijp je waarom Szymek zo graag dat graf wil bouwen. Hij moet daarvoor een vergunning aanvragen bij ‘meneer de voorzitter’, die eerder al opmerkte: ‘Die boerenziel van jou is om zo te zeggen maar gezwets in de ruimte. (…) Laat de boerenziel in het museum voor al die eeuwen maar uitrusten. Laat het de mensen herinneren dat er ooit boeren waren.’ En ook nu slaat hij de spijker op zijn kop: ‘Ik zei je al: een graf is het hiernamaals. En als iemand die kant op wordt getrokken, wil dat zeggen dat hij hier niet wil leven. En dat is erger dan geen belasting betalen.’

Mysliwski is een meesterlijk verteller, die ook de kunst verstaat van zaken ongezegd laten. Hoe komt het toch dat Szymeks broer Michał niet meer spreekt, gestoord is, terwijl hij als kind altijd de slimste was, boeken las en priester zou worden? Michał ging als eerste naar de stad, vervulde een rol in de Communistische Partij (die overigens nergens genoemd wordt), had zelfs een auto, maar wordt op een kwade dag als een gebroken man afgeleverd bij het ouderlijk huis. Wat is er gebeurd? Is hij soms vermangeld door de partij-ideologen? Niets buiten Szymeks blikveld of wat hem verteld is, komt de lezer te weten. Omdat Szymek het namelijk ook niet weet.

In één lange monoloog vertelt Szymek alle verhalen die hij kwijt wil, precies zoals hij het leven ervaart. Ook Mysliwski’s eerder vertaalde boek Over het doppen van bonen had die vorm. Maar in Steen op steen weet je zelfs niet hoe oud de verteller is, en in welk jaar we eigenlijk zijn als hij ons die vergane wereld in alle glorie uit de doeken doet. Zou Szymek het zelf wel weten? En doet het ertoe?

Wiesław Myśliwski

Steen op steen

Uit het Pools vertaald door Karol Lesman. Querido, 524 blz., € 24,95