Mark Z. Danielewski

Het postmodernisme opgegeten

De debuutroman van Mark Z. Danielewski, het meesterwerk ‹House of Leaves›, heeft vele postmoderne kenmerken. Maar het is iets anders. De auteur werd daarover geïnterviewd. Danielewski: «Mijn boek legt de lat hoger.»

Het is verleidelijk om dit niet te schrijven, en deze pagina wit te laten. Om alleen te vertellen dat er een boek bestaat, House of Leaves, dat de laatste keer dat ik het heb gemeten 24 centimeter lang, 17 centimeter breed en 5,5 centimeter dik was, en geschreven door de geniale Amerikaan Mark Z. Danielewski. Deze pagina kunt u dan gebruiken als meetlint bij uw eigen exemplaar (het boek past precies in één Groene).

Maar misschien kan ik u beter even waarschuwen.House of Leaves — zoals dat met mees terwerken gaat, werd ook dit niet in een jaartje geschreven: Mark Z. Danielewski werkte tien jaar aan zijn debuut — is een eenkoppig monster met verschillende lichamen. Op de titelpagina van de «roman» lezen we dat Het kaartenhuis, zoals het in de Nederlandse vertaling heet, is geschreven door Zampanò, en van inleiding en noten is voorzien door Johnny Truant. De naam Danielewski staat slechts op het omslag, dat verder wordt opgesierd door een onheilspellende roestige deurknop. Alsof we door het boek te lezen een ruimte binnengaan die alleen in griezelfilms voorkomt.

Dat is ook zo.

Na het voorwoord van «de uitgever» wordt de lezer getest door het motto dat aan de inleiding voorafgaat: ‹Dit is niet voor jou›. Onmiddellijk worden we uitgedaagd om dit boek te veroveren. Maar we worden ook gewaarschuwd, door Johnny Truant, de eerste lezer, die zegt dat we maar beter terug kunnen gaan door die deur nu hij nog openstaat: ‹Met een beetje geluk begin je niet aan deze krachttoer, reageer je zoals Zampanò had moeten doen, noem je het nodeloos ingewikkeld, zinloos, bot, breedsprakig (…) belachelijk, gekunsteld, en geloof je alles wat je gezegd hebt, om het vervolgens opzij te leggen›, maar: ‹aan de andere kant is er een gerede kans dat je dat niet zult doen›.

En natuurlijk lees je dan juist door.

Dan begint, na een ‹muss es sein?›, het document van Zampanò, The Navidson Record. Het is de door Johnny Truant geordende verzameling notities en aantekeningen die hij midden in de nacht heeft meegenomen uit het haveloze appartement van de dode Zampanò, ‹eindeloze klissen van woorden, die soms losdraaiden tot een betekenis, soms tot helemaal niets, vaak uit elkaar vielen, altijd vertakten naar andere stukjes (…) op oude servetjes, de gehavende randen van een envelop, een keer zelfs op de achterkant van een postzegel; letterlijk allesbehalve leeg; elk fragment volledig overdekt met het voortsluipen van jarenlange mededelingen in inkt›. (In de appendix bij Het kaartenhuis zijn zelfs foto’s te zien van deze ‹stukjes… en beetjes› die Zampanò heeft achtergelaten.) Johnny raakt tijdens het ordenen van het materiaal steeds meer bezeten door de allesverlammende angst dat er «iets» is wat hem steeds dichter nadert; dat lezen we in Johnny’s voetnoten die naarmate het verhaal vordert de vele literatuurverwijzingen van Zampanò steeds meer overwoekeren.

De laatste jaren van zijn leven is deze oude man Zampanò obsessief aan het verzamelen en het schrijven geslagen, wat heeft geresulteerd in een overdonderende analyse van een film, die in de jaren negentig bekend werd onder de naam The Navidson Record (die overigens niet bestaat, maar zoals Johnny Truant al weet: ‹de ironie wil dat het er niet toe doet of de documentaire in dit boek verzonnen is (…) dat het hier niet uitmaakt wat waar is of niet. De gevolgen blijven gelijk›).

The Navidson Record is een film van de ‹beroemde fotograaf› Will Navidson en zijn vrouw Karen, die begon als een gezellige familiefilm over het huiselijk leven. Maar als blijkt dat het huis zijn eigen geheimen heeft —

  • het is aan de binnenkant groter dan aan de buitenkant;

  • het herbergt een ruimte achter een plotseling opduikende extra deur, die geen grenzen lijkt te kennen, maar zich, naar gelang wie zich erin waagt, ontvouwt tot in het oneindige, met als «ijkpunt» een enorme spiraaltrap

— richt de film zich voornamelijk op de expedities die Will met vrienden onderneemt in deze duistere open plek.

Wat we lezen, de roman Het kaartenhuis, is dus een interpretatie (door Mark Z. Danielewski) van een interpretatie (door Johnny Truant) van een interpretatie (door Zampanò) van een interpretatie (door Navidson) van een huis dat een ruimte herbergt die elke interpretatie weerstaat, een leegte, een afwezigheid, een niets, een plek zonder textuur en kleur.

En wat u nu leest is een interpretatie (van mij) van een interpretatie van een interpretatie van een interpretatie van een interpretatie van iets wat zich tegen interpretaties nogal verzet (bent u daar nog?).

Een eindeloze spiraal naar beneden. Voor de hand ligt de gedachte dat Mark Danielewski met deze debuutroman de spot heeft willen drijven met de overijverige drang van recensenten en academici om elk verhaal in te kapselen in (soms) buitenissige, onzinnige analyses. De vele voetnoten van Zampanò (verwijzingen naar boeken, artikelen en naslagwerken die ook niet altijd «echt bestaan») lijken dit te bevestigen. Alles wat je zou kunnen bedenken over «diepere betekenissen» in deze roman wordt, nadat je het ijverig hebt genoteerd, een pagina verder al gepresenteerd door de auteur zelf.

Maakt dat de lezer eigenlijk niet overbodig?

Mark Z. Danielewski: «Wat House of Leaves volgens mij doet, is de lat hoger leggen. It raises the bar. Eerst lijkt het alsof je er niets over kunt schrijven, want it reads itself. Maar het boek leest zichzelf op een manier die enigszins voorspelbaar is. Er is een bepaalde canon van literaire kritiek, die al uitgebreid is toegepast. Of het nu lacaniaans is of derridaiaans of freudi aans of heideggeriaans of wat voor -iaans dan ook. Er komt een punt waarop je zegt: so, we’ve been there, so write something new!»

Misschien is niet iedereen vertrouwd met lacaniaanse, derridaiaanse, freudiaanse en heideggeriaanse literatuuranalyses, maar dat hoeft niet. Ook is de vluchtige blik op de quasi-experimentele vorm van de roman — de voetnoten, de foto’s, de brieven (van Johnny’s moeder, uit het gekkenhuis), de collages, de muzieknoten, het brailleschrift, het consequent in blauw gedrukte woord huis, ook in samenstellingen et cetera — misleidend. Want het enorm dikke (ruim zevenhonderd pagina’s), schijnbaar moeilijk leesbare House of Leaves is geen ontoegankelijk boek. Het is maar wat de lezer verwacht. Het werkelijk experimentele van deze — typografisch exuberante — roman is niet de vorm, maar de manier waarop de vorm een complexe werkelijkheid en een (aan het hier en nu) aangepaste manier van denken representeert. Dus: het «realistische» gehalte van de roman is wat het voor sommige lezers «moeilijk» kan maken.

Mark Z. Danielewski: «Een tijdje geleden ontmoette ik een paar jonge lezers, van veertien of vijftien jaar. Zij lazen House of Leaves in twee dagen. Ze waren niet door het boek geïntimideerd. Dat heeft te maken met taal: zij hebben vanaf het begin de juiste taal geleerd om het te kunnen lezen en begrijpen. Ze zijn opgegroeid met internet en hypertext, en hebben geen vooropgezet idee van hoe een boek eruit moet zien, hoe een tekst op een pagina moet staan. Iemand van laten we zeggen veertig kan enorm veel moeite hebben met dit boek. O, dat woord is blauw… Ze zijn bang, ze hebben van tevoren al allerlei ideeën over datgene waar ze naar gaan kijken. De oudere lezers zeggen bij de eerste aanblik: dit is een moeilijk boek om te lezen. Dat laat zien hoe ver ze van hun kinderen af staan, die het juist helemaal niet moeilijk vinden. Lazen ze het helemaal? Nee, dat is iets anders. House of Leaves is zo in elkaar gezet dat uitweidingen over Derrida en echo’s en het unheimliche meestal in de vorm van voetnoten worden gegeven, zodat je, als je ze niet wilt lezen, gewoon kunt verdergaan, op je eigen niveau, met het verhaal.»

Mark Z. Danielewski gaat verder: «Ik denk oprecht niet dat House of Leaves zal worden geclassificeerd als een postmodern boek. Men zal het nu misschien zo noemen omdat er geen andere term is, maar het is iets anders.»

Het kaartenhuis heeft zeker bepaalde postmoderne kenmerken in zich opgenomen, of opgegeten — Danielewski: «House of Leaves has eaten up postmodernism. And then it burped» — zoals de meervoudige verteller en de labyrintische structuur. Maar achter al die verschillende vertellers, Johnny, Zampanò, Danielewski, de anonieme editors en, in deze Nederlandse versie, de vertalers (die een eigen, zeer geestige extra twist aan het verhaal geven, heel subtiel in een enkele voetnoot) gaat nog steeds «het verhaal» schuil, dat worstelt om zich los te maken van de vorm zoals die aan de lezer wordt gepresenteerd. Als de kop die zich probeert los te maken van het veelvormige lichaam. House of Leaves biedt ons een nieuw soort proza dat nog het logge lijf van het postmodernisme mee moet slepen.

Met het risico te worden beschuldigd van overinterpretatie: een aanwijzing, op het niveau van de voetnoot.

Elke verwijzing naar de (onder postmoderne schrijvers zo populaire) mythe van de Minotaurus — half mens, half stier die gevangen zit in een labyrint (een voor de hand liggende vergelijking voor Zampanò, omdat ook het binnenste van het huis dat in The Navidson Record wordt verkend steeds muteert en zelfs beestachtig gromt) — is door Zampanò stelselmatig doorgestreept. Zijn interpretatie van deze mythe is een heel persoonlijke: ‹ik ben er van overtuigd dat de doolhof van Minos eigenlijk een stijlfiguur is van onderdrukking› [doorgestreept]. Volgens hem was de Minotaurus geen monster, maar de zachtaardige, doch misvormde zoon van koning Minos zelf, die verstopt moest worden omdat ‹trots Minos niet zou toestaan dat de erfgenaam van de troon een gruwelijk voorkomen had› [doorgestreept].

Het hoofdstuk dat De Minotaurus [doorgestreept] heet, begint met een citaat van Jorge Luis Borges, een van de eerste en grootste postmoderne schrijvers: ‹Over de velden verspreidt zich een trage/ Schaduw, maar de daad haar te noemen/ En te gissen naar haar omstandigheden/ Maakt van haar een verzinsel, geen levend wezen/ Niet een van hen die over de aarde dwalen.›

De mythe van het postmodernisme is dat achter de vorm van een verhaal geen «werkelijke» betekenis schuilgaat, dat alles alleen maar tekst is. Maar door alle passages door te strepen over het vergeefse zoeken naar betekenis van wat schuilgaat in het binnenste van het huis, diskwalificeert Mark Danielewski in zekere zin deze mythe. De lezer wordt gedwongen om te zoeken naar zijn of haar eigen reële Minotaurus (zoals Zampanò probeerde) en gestimuleerd om juist de confrontatie aan te gaan met wat onderdrukt wordt. Of, waar Johnny Truant de lezer in de inleiding al voor waarschuwde: ‹Je staat aan de zijlijn terwijl een grote complexiteit binnendringt en al je zorgvuldig uitgedachte ontkenningen stuk voor stuk verscheurt, opzettelijk of onbewust.›

Het kaartenhuis lijkt een groot s.o.s. te zijn, een hulproep uitgezonden door «het verhaal» om het betekenis te geven. De roman is geschreven met een enorme liefde en drift tegelijkertijd: liefde voor woorden en wat ze betekenen, voor ideeën en wat ze met een mens doen zogauw ze zich nestelen aan de binnenkant van het hoofd — en drift omdat woorden en ideeën de neiging hebben te groeien, te groot te worden om allemaal in één boek te stoppen. (Zoals de binnenkant van het huis voortdurend groeit, te groot wordt om helemaal in de buitenkat te passen.)

Het soort proza dat Mark Danielewski schrijft, laat zich misschien het best beschrijven als «expansief realistisch»: het verspreidt zich over de gehele ruimte die de auteur tot zijn beschikking heeft: de hoofdtekst, de marges, het voorwoord en het commentaar. Maar ook buiten de roman: op het internet en in de discussie die Danielewski na het schrijven van House of Leaves wil voeren. «Ik hou van de dialoog», zegt hij. «Waar ik op hoopte is dat er mensen zouden zijn die vérder gaan, die met nieuwe, andere ideeën zouden komen, andere interpretaties, en in hun eigen richting zouden doorgaan. Dan lees ik wat zij schrijven en ga ik verder met mijn eigen ding. Zoals jazzmusici een melodie van elkaar overnemen, hem een beetje veranderen en weer teruggeven.»

Mark Danielewski zoekt de grenzen op van de literatuur. Zoals Will Navidson in de buik van het huis rondkruipt, nog niets herkent en slechts de afwezigheid van richtingaanwijzers constateert, maar tegelijkertijd kleur en vorm en inhoud aan de ruimte geeft door er binnen te dringen, zo zoekt Mark Danielewski naar die ruimtes die nog niet door onze postmoderne expedities zijn verkend. Hij is een van de eersten die van deze verkenningstocht terugkomt met prachtig materiaal.

Mark Z. Danielewski, Het kaartenhuis. Vertaald door Karina van Santen en Martine Vos maer, uitg. Cargo (De Bezige Bij), 713 blz., ƒ59,90