Het praktische effect van nutteloosheid

Architecture and Legitimacy. NAi Publishers Rotterdam, 119 blz., f19,50
Naar aanleiding van de publikatie Architecture and Legitimacy organiseerde het Nederlands Architectuur Instituut de afgelopen week een studiedag. Al eerder stond dit onderwerp op de agenda van een internationaal congres, dat echter wegens gebrek aan belangstelling moest worden geannuleerd. Gelukkig zijn nu alsnog de beoogde congresbijdragen in boekvorm uitgegeven en kunnen we ons op de hoogte stellen van wat architectuur als legitimatie, en legitimiteit als architectonisch probleem betekenen.

Zolang er modernisering is, is er moderniteitskritiek. En in haar kielzog ook een legitimiteitsprobleem. Moderniteit maakt een eind aan alle vanzelfsprekendheden en daarmee aan wat ‘wettig’ is. Voor de architectuur is deze ontwikkeling extra problematisch omdat ze altijd drager van het gezag was en bovendien een schijnbaar onaantastbare metafoor voor allerlei metafysische systemen. Nu er vragen worden gesteld bij zowel gezag als metafysica, wat blijft er dan over van de legitimiteit van de architectuur?
Tijdens de studiedag werd deze kwestie gepreciseerd. Ten eerste werd de vraag gesteld wat er aan de hand was met de zelfopvatting van de architect, nu deze zijn of haar dogma kwijt is geraakt en zelf moet vaststellen welke waarden het nog waard zijn verbeeld te worden. Ten tweede kwam ter sprake of van de architectuurgeschiedenis nog enige legitimiteit kon uitgaan wanneer ze nog slechts wordt gebruikt als garderobe of grabbelton. Ten slotte werd gesproken over de invloed van 'de media’ op de betekenis van de architectuur en over de mate waarin dit vak nog een eigen positie zou kunnen ontwikkelen ten opzichte van de almaar toenemende versnelling van nieuw, nieuwer, nieuwst.
De verschillen lagen vooral in de opvatting of deze vragen al dan niet nog relevant zijn. Terwijl organisator Hans van Dijk alleen al door zijn thema’s kleur bekende, bleek een deel der aanwezigen legitimiteit een 'sociaal-democratische preoccupatie’ te vinden. Ofte wel: academisch navelstaren. Het feit dat architecten de hele discussie als overbodig beschouwden, spreekt volgens deze critici ook boekdelen.
De vaststelling van overbodigheid van maatschappijbeschouwing door de verwijzing naar een energieke praktijk waar die beschouwing er niet meer toe doet, is een opvallende wending in het debat. Het is alsof de ornitologie moet worden afgeschaft omdat de beoefening daarvan voor het vogelgedrag toch geen gevolgen heeft. De vraag naar het praktische effect van nutteloosheid is van alle tijden maar heeft de nutteloosheid er nooit van weerhouden grote gevolgen te hebben. Alle maatschappijbeschouwelijke vragen zijn altijd eerst als irrelevante vragen begonnen. Tot zo ver niets nieuws onder de zon.
Toch heeft in de hedendaagse architectuurpraktijk dit onderscheid een nieuwe urgentie gekregen. Het is niet alleen het karakterologische onderscheid tussen denkers en doeners dat hier aan de orde is. De architecten maken zich los van de kritiek omdat ze geen zin hebben steeds te worden geconfronteerd met onmogelijke ambities, vermalen als ze worden in een steeds stringenter bouwregime. Dit regime presenteren ze daarbij liever als een 'uitdaging’ waar ze het beste van proberen te maken dan dat ze het onderkennen als een destructieve kracht. Het vak moet natuurlijk wel een beetje leuk blijven. Bovendien heeft de kritiek zelf meer oog voor de uitzonderingen, de onbetwiste hoogtepunten, dan voor de omstandigheden waaronder architectuur tot stand komt. Zo ontlopen hemel en hel elkaar op de bouwplaats. Geen wonder dat de kwestie van legitimiteit met wrevel wordt ondergaan, en snel als een linksig atavisme wordt afgedaan.
Wanneer een architectonisch ontwerp steeds meer tot een toevallige verbijzondering wordt van een universele bouwcatalogus, tot een willekeurige exponent van de hyperarchitectuur, is immers alles legitiem. De vraag of dat als een vrijheid of als een morele leegte moet worden gewaardeerd is dan bij voorbaat onbeantwoordbaar.