Het prestige van de goden

Magda Szabó
Het ogenblik (Creüsais)
Uit het Hongaars (A pillanat, 1990) vertaald door Anikó Daróczi en Ellen Hennink László Földényi
Houtekiet, 311 blz., 19,95

Troje gaat ten onder, een staatsvergadering beslist wie er mogen vluchten. Maar de feitelijke beslissing ligt bij Venus, de moeder van Aeneas. In het draaiboek van Troje, voorgeschreven door het Lot, zou Aeneas, de beoogde stichter van een wereldrijk in Italië, zijn kreupele vader Anchises op de arm dragen en aan de andere hand zijn zoon meevoeren. Bitter merkt Aeneas in het eerste hoofdstuk van de roman Het ogenblik op dat het helemaal niet om de ondergang of redding van Troje ging maar om het prestige van de goden, Troje was hun privé-Olympiade. Het is niet Aeneas die dit zegt maar zijn vrouw Creüsa. Aeneas had haar op bevel van zijn goddelijke moeder achter willen laten, maar de bedreven zwaardvechtster draait de rollen om en onthalst net op tijd haar echtgenoot. Daardoor ziet de stoet vluchtelingen er anders uit dan door het Lot voorzien, vooral door toedoen van een godin, dus toch weer een hogere hand, de onbekende en verschrikkelijke Zdiviës.
In het tweede hoofdstuk laat Lavinia, de koningsdochter van Latium, haar geliefde vallen in het vooruitzicht van de in aantocht zijnde zoon van een godin die het land zal opstoten in de vaart der volkeren. Dat de held het lichaam heeft van een vrouw is zelfs in het huwelijksbed nauwelijks een complicatie, want de zogenaamd door Venus betoverde bruidegom lost dat op door veel te praten tegen de jonge vrouw die hij/zij als «kleine koe» betitelt.

Heeft de Hongaarse Magda Szabó (1917) – van wier grote oeuvre recent twee boeken vertaald zijn: De deur en De Katalinstraat – een feministische staart willen plakken aan de Trojaanse oorlog? Daarvoor wist zij te goed wat ze deed, niet alleen omdat zij van huis uit classica is. Szabó laat vooral zien hoe een kolonisatie begint. In dit geval met de vervanging van lokale gebruiken, rituelen, rangordes en goden: het hoffelijke maar daardoor niet minder arrogante vertoon dat de gewelddadige verovering begeleidt. De overmacht is er hier minder een van wapenen dan van goddelijke ingrepen. Het resultaat is dat het verslagen kolonialistische Troje de aanzet vormt van een nieuw koloniaal wereldrijk. Dat wordt in deze in feite politieke roman minder getoond dan gezegd, vooral in de monologen van de pseudo-Aeneas, die de lusten van zijn nieuwbakken echtgenote blust door ellenlange historische en politieke lessen. Maar Szabó herschreef het epos in elk geval vanuit een idee.