Het pretpark en de botte bijlen

Theatercriticus Loek Zonneveld plaatst enkele kanttekeningen bij De staat van het theater, op 1 september uitgesproken door Bas Heijne.

Medium loek500

Grappig is dat. Anno 2016, bij het begin van het nieuwe toneelseizoen, wordt de lofbazuin gestoken over een Nederlandse toneelvoorstelling die dertig jaar geleden een triomftocht maakte langs het circuit van kleine zalen. Het gaat over De kersentuin van Anton Tsjechov uit 1987, in de onconventionele, alle tradities brekende en nadrukkelijk onweemoedige regie van Frans Strijards. Gespeeld door de heerlijke troep van Art & Pro, met onder anderen Han Kerckhoffs, Marieke van Leeuwen, Wim van der Grijn, Theo Pont, Trudy de Jong en (de goden hebben haar ziel) Diane Lensink. Hartelijk en liefdevol werd afgelopen week over dit legendarische toneelevenement gesproken door publicist Bas Heijne, die de jaarlijkse openingstoespraak van het Theaterfestival hield, de zogeheten Staat van het theater. Het kost Heijne geen moeite om in Strijards’ Russen ‘een elite te zien die zegt op te komen voor geestelijke waarden, voor het beschermen van immaterieel, kwetsbaar geestesgoed’.

Toneel bijvoorbeeld, denk ik.

Het inzicht dat Strijards’ enscenering Heijne toen gaf en nu nog geeft is ‘dat wij meestal zelf onze vijanden in het leven roepen. Dat de barbaren zelden van buiten komen.’

De anti-toneelbarbaren bijvoorbeeld, denk ik.

Van de kersentuin in het stuk wordt een vakantiepark gemaakt. Dat verdient goed. Heijne ziet de parallel met de toneelpraktijk die in Nederland steeds meer verandert in een pretpark: ‘Ook binnen de theaterwereld heerst tegenwoordig de taal van de cijfers (…) omdat hij zo begrijpelijk is, zo verleidelijk, omdat hij je ontslaat van de verplichting om je in die andere, moeilijke taal uit te drukken, de taal van de emotie, van het inzicht.’ De toneelmakers zijn de taal van de kunst vergeten, waarschuwt Heijne. In deze voor de kunst ruige tijden worden zij vaak gedwongen vergeefs voor eigen parochie te pleiten. Heijne vervolgt: ‘Hebben de theatermakers het niet zelf op hun geweten, eerst veel te onwerelds en toen, eenmaal wakker geschud door de botte bijl van Halbe Zijstra, juist te werelds?’

Voor de mensen met een slecht korte-termijngeheugen: Halbe Zijlstra was de staatssecretaris voor de kunsten in het kabinet-Bruin 1. Speciaal voor de Groene-_lezer van de boze ingezonden brief onlangs: ik handhaaf deze karakteristiek omdat Rutte 1 een kabinet was met een poepkleurig beleid. Bovendien leveren de basale kleuren van de constituerende partijen (VVD/CDA/PVV, rood, geel en blauw) met elkaar vermengd de kleur bruin op. In 2010 verordonneerde Zijlstra een bezuiniging op de kunsten van in totaal ruim dertig procent (30%). Premier Rutte vond dat ook wat gortig, dus verzon hij er een leugen bij. In een interview met _de Volkskrant, 18 december 2010 (‘Wij willen de samenleving terug veroveren op de hufters’, leerzame lectuur trouwens) zei hij letterlijk: ‘Ik begrijp de kritiek uit de kunstsector, maar ik zeg ook dit: van de vijf miljard die wij aan cultuur uitgeven, gaan we tweehonderd miljoen bezuinigen. Dat is vier procent. Het is niet zo dat we de cultuursector om zeep helpen. Iedereen moet bijdragen.’ Nu is de enige waarheid in deze uitspraak dat tweehonderd miljoen inderdaad vier procent is van vijf miljard. Maar die vijf miljard, dat is alles wat in 2010 aan kunsten wordt uitgegeven: door het kaartjes kopende publiek, door de gemeenten en de provincies, door sponsoren, mecenassen, erflaters en privé-schenkers, en door het rijk met zijn schamele 0,526 procent van de staatsuitgaven, zijnde 950 miljoen voor de kunst. Rutte heeft voor het gemak alles bij elkaar opgeteld. De jokkebrok en de brekebeen hoofdrekenen vertelde dat er toen niet bij. En hij heeft er ook nooit sorry voor gezegd.

Wat ik maar zeggen wil: Bruin 1 is begonnen met dat ruige kappen in geld voor de kunst. En met de praatjes rondstrooien over subsidieslurpers en grootverdieners in de kunsten, die ‘we’ maar eens mores moesten leren en die a fortiori eraan moesten gaan wennen om de eigen broek op te houden. Waar ze overigens al decennia mee bezig waren. Kort na Frans Strijards’ Kersentuin begon Bureau Berenschot (in 1992) in opdracht van de overheid (cultuurminister Hedy d’Ancona, PvdA) de kunstenaars te decreteren dat ze meer, en nog meer, en nog veel meer eigen inkomsten moesten genereren. En dat ze moesten fuseren. Daar is de toon gezet. Die allengs ruwer en beledigender werd. Dat er publieksvriendelijker pretparkstukken moesten worden gemaakt, bijvoorbeeld. Een toon die er uiteindelijk onlangs toe leidde dat minister van Cultuur Bussemaker, tijdens de opening van een muziekfestival, aanwijzingen ging rondstrooien over een door haar gewenste lossere toon in de programmering. Ik las dat in de krant en dacht, Thorbecke indachtig: waar bemoeit ze zich mee? Bas Heijne plaatste over dat klimaat rond de kunsten in zijn Staat van het theater een opmerking die hout snijdt: ‘In Nederland ontaardt ieder sociaal verkeer gauw in sociale strijd, beheerst door de knijpende angst dat een ander zich beter voelt dan jij. De kunsten, en het artistieke theater in het bijzonder, zijn de afgelopen jaren op een perverse manier tot het brandpunt van die strijd gemaakt. (…) De politiek heeft uit opportunisme de kunst verraden.’ En de politiek heeft, ondanks mooie beloften in de verkiezingsstrijd van 2012, in het kabinet na Bruin 1 niks, of nauwelijks iets gerepareerd.

De rabiate besnoeiingen in de podiumkunsten en de gifpraat eromheen hebben het Nederlandse toneel nagenoeg kapotgemaakt. De onderlinge solidariteit, zo die er al ooit was, is nu helemaal weg. De podiumkunsten worden verscheurd door radeloze klassentegenstellingen. Op de arbeidsmarkt zijn kunstenaars paupers geworden. Grootverdieners hebben heel goed voor zichzelf en hun troepen gezorgd. Schouwburgdirecteuren dirigeren in meerderheid een programmering die van pretparkruis aan elkaar hangt. Theatermakers worden naar believen afgeschoten. Of gedwongen zich te gedragen naar steeds krankzinniger wordende dresscodes. Waarin ze vooraf precies moeten weten wie ze met wat waar en waartoe gaan bedienen. En ook moeten ze allemaal op een slof en een oude voetbalschoen kampioen worden van de internationalisering. Op de dag dat het relaas van Bas Heijne in zijn krant verscheen, meldde een andere pagina van het kunstkatern dat het Rotterdamse stadstoneel RO Theater alle vaste toneelspelers (elf waren dat er tien jaar terug) aan de dijk zet. Het gezelschap, zo het persbericht, ‘afficheert zich nadrukkelijk als een collectief van makers’. Zelden kwam een zoeter leugen uit een schaamtelozer inborst, zou ik William Shakespeare parafraserend willen nazeggen.

En Frans Strijards? Die vertelde me dat zijn telefoon vorige week roodgloeiend stond en zijn elektronische brievenbus boordevol stroomde, ‘met de trefzekere impact van een verdwaalde kogel die langs je raam fluit’. Hij is geestig gebleven in de schets van absurditeiten waarin hij in de dertig jaar na zijn versie van De kersentuin terecht is gekomen. Waar het bij hem ambachtelijk, artistiek en qua ‘de mens en de wereld tegen het licht houden’ (Bas Heijne) allemaal op neerkomt, dat heeft hij onlangs opgetekend in een behartigenswaardig boekje (Papieren lessen), waarover ik het op deze plek binnenkort nog eens zal hebben. Ikzelf had er toevallig nog eentje liggen. Die heb ik ondertussen naar Bas Heijne opgestuurd.