Hoofdcommentaar: Literatuurmarkt

Het prijskaartje van literatuur

Paars heeft de afgelopen jaren de vrije markt tot de toetssteen van de democratie gemaakt. In de praktijk betekent het dat alle waarden uiteindelijk herleid worden tot economische waarden. De vraag die bij elke politieke beslissing wordt gesteld, «welk prijskaartje hangt eraan?», is inmiddels een gevleugeld woord geworden aan het Binnenhof. Dus is het niet verwonderlijk dat de minister van Economische Zaken een paar weken geleden in het hol van de leeuw, tijdens een vergadering van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond, een pleidooi hield voor de afschaffing van de vaste boekenprijs. «Uitgevers», moet zij daar hebben gezegd, «u dient zich net als andere ondernemers te onderwerpen aan de tucht van de markt. U dient bestsellers af te wisselen met kleine parels en jong talent.»

Tot aan de dag van vandaag is de mogelijke afschaffing van de vaste boekenprijs een doorn in het oog geweest van de uitgevers, maar als men op de pers berichten mag afgaan, werd de minister niet woedend tegen gesproken. Vanwaar deze lauwheid? In de eerste plaats is het geen acuut probleem. Tot 1 januari 2005, zo is, ook in Europees verband, afgesproken, zal de prijsbinding van het boek in Nederland gehandhaafd blijven. Wie dan leeft, wie dan zorgt. In de tweede plaats lijkt er een algemeen defaitisme ontstaan te zijn waarin zowel uitgevers als boekhandelaren vrezen dat de vaste boekenprijs geen lang leven meer beschoren zal zijn. Internationaal heeft men de boekenproductie en distributie al overgelaten aan de vrije markt, zodat het Nederlandse systeem steeds meer geïsoleerd raakt. Uitgevers, althans de grote concerns, zijn hun aandacht aan het verleggen naar andere domeinen van de informatietechnologie, waar andere wetten gelden. De boekenindustrie heeft er nieuwe concurrenten bij gekregen of gaat er concurrenten bij krijgen die heel anders in de markt opereren, waardoor de discussie over de prijsbinding achterhaald lijkt te gaan worden.

En is er ook niet een vermoeidheid opgetreden in de jarenlange discussie over dit thema, waarin telkens weer dezelfde argumenten worden uitgewisseld zonder dat de deel nemers aan de discussie tot een vergelijk kunnen komen? De consumentenbond en de uitbater van de Free Record Shop menen de consument een dienst te bewijzen door de afschaffing van de vaste boekenprijs. Tot nu toe hebben zij hun juridische gevechten verloren, maar zij weten zich inmiddels in de rug gesteund door de minister van Economische Zaken. Het is dus nog alleen maar een kwestie van tijd: dan kunnen de klanten de boeken van Youp van ’t Hek en Emile Ratelband voor een prikkie uit de schappen van Albert Heijn, ’t Kruidvat of de Free Record Shop mee naar huis nemen. De liefhebbers van de poëzie, het essay, de biografie moeten dan wel nog even door naar de erkende boekhandel. Alleen bestaat de kans dat zij die niet meer in hun directe omgeving zullen vinden. De kleine betere boekhandel zal het loodje leggen of onderdeel gaan uitmaken van de inkoopcombinatie die centraal de acquisitie verzorgt. Die kan niet meer zo’n breed assortiment voeren als ze zou willen. Het grote publiek vraagt om ontspanningslectuur, dus veel om Grisham, Frederiksson en Mart Smeets, en niet om literatuur, dus weinig of in ’t geheel niet meer om Kousbroek, Mutsaers of Tonnus Oosterhof.

Het merkwaardige is nu dat deze ontwikkeling zich al jaren vertoont, de afschaffing van de vaste boekenprijs zal het proces alleen maar versnellen. Wat ooit door interne subsidiëring (de bestseller bekostigt het poëziedebuut) door uitgevers nog op de markt gebracht werd, zal steeds meer afhankelijk worden van externe subsidiëring door overheidsafhankelijke instanties, zonder welke nu al het essay of de literatuurhistorische studie niet meer zou bestaan. De voorstanders van de afschaffing van de vaste boekenprijs zijn van oordeel dat dit mechanisme inefficiënt is: het maakt mogelijk dat boeken op de markt gebracht worden die de vrije concurrentie niet zouden overleven. Deze voorstanders vinden dus in extremis dat de klanten moeten bepalen wat er op de markt komt en niet de uitgevers of de boekhandelaren. De vrije markt als beslissende instantie van de culturele smaak. Wie een avond de televisie aanzet, weet welke bijdrage het kijkcijfersyndroom aan de bloei van onze cultuur levert.

Een auteur zal veel eerder dan vroeger zijn marktwaarde moeten bewijzen. En de uitgever zal wel heel sterk in zijn schoenen moeten staan wanneer hij met de adem van de aandeelhouders in zijn nek het risico aangaat om auteurs, van wier werk hij de onmiskenbare literaire waarde weet in te schatten, uit te geven in de wetenschap dat het hem geen economische winst zal opleveren.

De vraag is of auteurs als Beckett, Sarraute of Musil met hun indrukwekkende literaire projecten een kans zouden hebben gehad als de economische lat indertijd zo hoog zou hebben gelegen als heden ten dage. De astma-aanvallen van de markt verdragen eigenlijk geen diepte-investeringen meer in eigenzinnige literatuur, waarvan ook de economische waarde pas bewezen kan worden in de volgende decennia. De waarde moet hier en nu bewezen worden, dit seizoen, dit jaar. Toch is de diepte-investering de enige remedie: gepassioneerde uitgevers, bevlogen boekhandelaren, smaakvolle lezers moeten zich verenigen in liefde voor literatuur, waarvan de onschatbare waarde nooit in kortstondige economische waarden kan worden vertaald. Die liefde ontstaat van kindsbeen af in de huisbibliotheek, de gelukkige klas, de tovertuin van de bibliotheek en bloeit op in de stilte van de huiskamer of in de hitte van het debat. De afschaffing van de vaste boekenprijs is maar een element in de aanval op de literatuur.