Het principe van de toegevoegde eieren

Wij almachtige digitalen weten niet meer waaraan we onze almacht te danken hebben. We hebben ons de techniek van het beheer over ons imperium laten afpakken. Een voorstel tot een bescheiden herovering.

De ingebouwde ramp van onze hypergeavanceerde maatschappij is dat we steeds meer kunnen, dat we steeds minder begrijpen waaraan we deze tot almacht naderende capaciteit te danken hebben en dat we dit vanzelfsprekend vinden. Om bij mijn eigen vak te blijven: het schrijven. In de oertijd, die nu ongeveer een kwart eeuw achter ons ligt, deden we het op de mechanische schrijfmachine. Door met je vinger op een toets te tikken, bracht je een systeem van twee hefbomen in beweging. Aan het uiteinde van de tweede hefboom was een letter bevestigd, die op een inktlint sloeg. Aan de andere kant van dit lint was het papier op een rol geklemd. Tikte je de A dan stond binnen een fractie van een seconde een A op dit papier. Geniaal! En als het ding kapot was, wat zelden of nooit gebeurde, kon je het vaak zelf repareren.

Sinds 1991 tik ik op een laptop. De toetsen staan nog op dezelfde plaats. Ik geloof dat dit mijn vijfde of zesde machine is. Ik heb me nu een stuk of tien programma’s eigen gemaakt, van het eerste WordPerfect tot Windows XP. Die waren en zijn allemaal onderdeel van bepaalde systemen. Ik kan internetten als een god. Vodafoon is mijn navelstreng met de wereld. Ik zou Google nooit willen missen.

Maar een enkele keer gebeurt het. Fatal error! Computer gek geworden. Of wil niet meer. Systeem plat. Hoe komt het? Hebt u ooit een computer, een laptop van binnen gezien? Begrijpt u hoe een systeem werkt en, als het niet doet wat u gewend bent, hoe u het dan tot de orde kunt roepen? Hoe u dit plastic doosje waarin alles is opgeborgen, überhaupt open kunt maken? Nee. Wij almachtige digitalen hebben geen flauw idee meer waaraan we onze almacht te danken hebben en evenmin over de duizend oorzaken die van de ene seconde op de andere ons systeem kunnen stilleggen. Steeds machtiger wordend, hebben we ons de techniek van het beheer over ons mondiaal imperium verder laten afpakken.

Dit verhaaltje bevat voorstellen tot een bescheiden herovering. Ik heb geluk gehad. Met een energieke moeder die goed met gereedschap kon omgaan en verbeeldingskracht had. Onze achtertuin grensde aan een onbebouwd stuk land. Waarom bouwen jullie daar geen hut, zei ze tegen ons, mijn twee vriendjes en mij. We waren een jaar of acht, negen. Een hut? Hoe? Je steekt plaggen uit, grote plakken gras, die stapel je op, dat zijn de muren. Dan ga je hout zoeken voor het dak en dan heb je een hut. Hout zoeken? Waar? Dat vind je vanzelf. Hoe beter je kunt vinden, hoe minder je hoeft te zoeken. Bij een huis in aanbouw vonden we planken die van niemand waren. Bij het vuilnis stond een deur. Het dak was klaar. Maar in de hut heerste een donkere schemering. We waren het raam vergeten.

Je eerste raam maak je ook niet één twee drie. Het werd geen glas maar kippengaas. Toen moest er nog een kacheltje in, met een schoorsteen. Al het bouwmateriaal moest eerst worden gevonden. De hut ging ons leven beheersen. Weken van fanatieke arbeid zijn erin gaan zitten. Op zeker ogenblik kregen we de overtuiging dat deze hut van alle gemakken voorzien was. Klaar. We zongen het Wilhelmus. Daarna viel er niets meer te doen. Aan het geluk van het bouwen was een eind gekomen.

Veel later heb ik een kort verhaal van een Poolse schrijver gelezen, ik weet niet meer wie, het boek ben ik kwijtgeraakt. Het heet De brug. In een godverlaten streek, ergens in het noorden, bouwen een stuk of dertig arbeiders een brug over een gevaarlijke rivier. Slapen in barakken. Barre omstandigheden. Na een half jaar zijn ze klaar, lopen met z’n allen van de ene oever naar de andere en daar staat de bus die de mannen weer naar de bewoonde wereld zal brengen. Trots stappen ze in, kijken nog één keer naar hun wonderconstructie om en barsten collectief in tranen uit. Het bouwen is voorbij.

In onze onophoudelijk vorderende consumptie- en entertainmentmaatschappij verliest het zelf doen gestaag terrein aan het gemak en het genieten. Het is begonnen met de industriële revolutie. Het is verder gegaan met de lopende band. Toen kwam de elektronische automatisering. Het Product werd steeds goedkoper en de Consument wist steeds minder van de herkomst. Dat leek hem ook niets te kunnen schelen. Maar toen ontdekte een met grote intuïtie gezegende marktonderzoeker dat een minderheid onder de consumenten zich miskend voelde. Dat waren de huisvrouwen die sinds eeuwen een groot deel van hun creativiteit in het koken hadden gelegd en die nu niets anders hoefden te doen dan het warm maken van de kant-en-klaarmaaltijden. De maaltijdfabrikanten belegden brainstorming sessions en na zekere tijd kwam het eureka. Nog altijd zaten die maaltijden in een blik of een zakje, maar op de gebruiksaanwijzing stond voortaan: add two fresh eggs. Het breken van de eierschaal, het laten druipen van struif en dooier, dit hele handwerk schonk weer de oude voldoening, en daarmee was de creativiteit gered. Het verhaal staat in het boek van Vance Packard, The Hidden Persuaders, verschenen in 1957.

Het principe van de toegevoegde eieren heeft in de loop van de naoorlogse jaren een universele en mondiale toepassing gevonden. In deze tijd van de tot het totale naderende prefabricage kan iedereen met een gemiddelde handvaardigheid zijn eigen schuurtje, keuken, zithoek, boekenkast maken met de onderdelen die bij Gamma, Praxis of, wat chiquer, Ikea kant-en-klaar, gezaagd, geschuurd en als je wilt, geverfd, gelakt worden verkocht. Ik zal niet ontkennen dat het veel moeite spaart. Zagen en timmeren hoeft niet meer, je hebt alleen een schroevendraaier, of liever een powerscrewdriver nodig, en als het klaar is, sta je trots als een pauw voor de resultaten van je arbeid. Daar heb je je twee verse eieren toegevoegd. Dat kan niemand je meer afnemen.

Tot ver in de vorige eeuw kregen de kinderen voor hun verjaardag blokkendozen of een Meccano-doos. Blokken en de onderdelen van Meccano zijn ook prefab. Je kreeg er een boekje bij waarin stond wat je er allemaal mee kon doen. De modellen. Maar er werd je een grote vrijheid gelaten. Het geheim van het geluk bestond hierin dat je dingen probeerde te maken die niet in het boekje stonden. Soms moest je dan een blok doorzagen of een stukje Meccano verbuigen. Vaak lukte dat niet meteen. Des te beter. Door te proberen, leerde je het materiaal kennen en als gevolg daarvan kwam je weer dichter bij je unieke doel. Door buiten de gebaande wegen te gaan, heb je de beste garantie dat je iets nieuws verzint, of ontdekt. Daar gaat het tenslotte om.

Dit kan een misverstand wekken. Sinds Archimedes zijn «Eureka!» riep, nadat hij in het bad zittend zijn beroemde wet had ontdekt, denken we dat iets werkelijk nieuws zich in een flits, als een openbaring, aan ons voordoet. Dat is mogelijk, maar aan de ontdekkingen die ik bedoel gaat een schemering van vermoedens, proberen en mislukken vooraf, terwijl je voortdurend wordt voortgedreven door de wil om datgene te voltooien waarvan je je een steeds duidelijkere voorstelling maakt.

Ik bepaal me tot mijn eigen ervaring. Van kindsbeen af heb ik constructies gemaakt die nergens toe dienen behalve tot de lust van het maken. Op een winderige avond hoorde ik een zacht geratel op straat, keek en zag een leeg frisdrankblikje in razende vaart over het asfalt rollen, min of meer achterna gezeten door een plastic zak. Het blikje werd een wiel, de zak een zeil. In mijn gedachten verrees een hoge, snelle zeilwagen die in ongelooflijke vaart, tot verbazing van het publiek, over het asfalt zou snellen. Eerst kwam er een klein wagentje op een chassis van een gebogen ijzeren klerenhanger. Dat ding reed goed. Daardoor werd mijn eerzucht geprikkeld. En zo is er een familie van zeilwagens ontstaan, ten slotte ook een paar die waren uitgerust met een van een plastic fles gemaakte windmotor. Ik heb geen idee waar ze zijn gebleven, ik heb ze achtergelaten voor de plaatselijke jeugd.

In 1961 zag ik in het Stedelijk Museum voor het eerst het werk van Jean Tinguely. Ik was opgetogen en diep tevreden tegelijkertijd; vergelijkbaar met wat me overkwam toen mijn vriendjes en ik onze hut hadden voltooid. Het oeuvre van Tinguely is in zijn geheel het resultaat van het zuiverste bouwen. Verwar dit nooit met wat we «knutselen» en «klussen» noemen. Dat kan een mens ook trots en voldoening geven. Maar het valt niet te vergelijken met wat je maakt als product dat uit je eigen brein ontstaat.

«Gelukkig is degene die iets van zijn kind-zijn gered heeft», zei Goethe. Uit ervaring ben ik het met hem eens. Zo iemand volgt de wegwijzer van zijn illusies. Alles wat hij daar tegenkomt kan een andere gedaante, een nieuwe bruikbaarheid krijgen. Dat geldt voor de weggegooide dingen langs de weg, maar ook voor de woorden die tot op de draad versleten lijken, tot ze in het perspectief van een groeiende illusie tot de voltooiing van een ontdekken leiden. Schrijven is ook bouwen.