Het probleem-beets opgelost

IK WAS EEN brave leerling Nederlands. Alles wat literatuur heette, vond ik mooi; lezen voor de lijst was geen plicht maar hobby. Karel ende Elegast, de Beatrijs, de Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart - ik vond het, net als mijn leraar Nederlands, práchtig. Van de Camera Obscura had die leraar een toneelbewerking gemaakt. De dikste jongen uit de klas speelde Mr. Hendrik Johannes Bruis, die puffend en in vol ornaat op een brandend hete dag bij een oude kennis op bezoek ging; de magerste jongen was Pieter Stastok, die waaratje verliefd tijdens het spelevaren in het water viel. Misschien kwam het omdat ik de rol van boom kreeg, maar ik vond de Camera Obscura een rotboek. Een boom spelen is saai; de Camera Obscura vond ik saai.

Mijn leraar Nederlands is, naast Marita Mathijssen, vast de laatste Nederlander die oprecht van de Camera Obscura houdt. Er is namelijk iets merkwaardigs aan de hand met dat werk. Het boek is ongetwijfeld het meest gelezen boek uit de negentiende eeuw; lang was het in ieder geval het populairste. In 1892 hield het literaire tijdschrift De Nederlandsche Spectator een enquête onder zijn lezers naar ‘ieders meest geliefde Nederlandsche boeken’. De Camera Obscura stond stijf bovenaan, op grote afstand gevolgd door Max Havelaar. In 1884, toen Nicolaas Beets, de schrijver van de Camera Obscura, zeventig werd, vond een nationale huldiging plaats. 'Een volk, dat zijne groote mannen eert, eert zichzelf’, sprak een van de redenaars. In 1939 werd een jubileumfeest gevierd: honderd jaar Camera Obscura. Er verschenen speciale edities, er verscheen een Camera Obscura-kalender met tekeningen van Anton Pieck. Meer dan een miljoen exemplaren zijn er in de loop van ruim anderhalve eeuw van het boek gedrukt; honderdduizenden scholieren hebben het vanaf 1920, toen de eerste schooluitgave uitkwam, door de strot geduwd gekregen.
En toch is het boek nooit echt door letterkundigen en neerlandici bejubeld. Niemand hield er echt van. Het is een klassieker tegen wil en dank. 'Kopijeerlust des dagelijkschen levens’, was de kop van een misprijzende bespreking van Potgieter in De Gids. Hij miste 'sympathie met het menschelijke in den mensch’. Velen na hem hekelden de zelfgenoegzame oppervlakkigheid van het boek. Belangrijkste steen des aanstoots: de superieure rol die de verteller Hildebrand speelt. Met oudbakken ironie tekent deze zijn personages; zelf speelt hij een heldenrol. Hij spot, maar kent geen zelfspot. Conrad Busken Huet sprak in 1864 al van de 'zich op den voorgrond dringende Hildebrand (…) in de schaduw van wiens vroege wijsheid niemand staan kan en die een geopend oog heeft voor al het bespottelijke in anderen, maar niet ook tevens voor het gewaagde zijner eigene rol’.
Bijkomende bezwaren: de Camera Obscura heeft geen dramatische kracht en tragiek, de verhalen en schetsen zijn ellenlange minutieuze beschrijvingen van situaties, een echte intrige kennen ze niet.
ER IS NOG iets merkwaardigs aan de hand. Nicolaas Beets (1814-1903) schreef de Camera Obscura in zijn studententijd. Als student was hij een vurig bewonderaar van Bilderdijk, Byron, Hugo en Scott. Hij dweepte met de sombere gemoedsgesteldheid van de romantiek. In een 'Romantische Club’ wijdde hij zich met studievrienden plechtig aan het voordragen van romantische dichtkunst. Toen hij in 1935 ziek was, dacht men meteen dat hij leed aan 'melancholie, diepdenken, gevoeligheid en poëtische overspanning’. Het maakte hem alleen maar populairder.
Maar al snel schudde hij de byroniaanse pose en de spleen als regendruppels van zich af. Hij sloeg in 1835 een blijmoediger richting in. Hij werd humorist. Al zijn humor balde hij samen in de Camera Obscura, de bundeling van verhalen, schetsjes en essays die hij in zijn studententijd onder de schuilnaam Hildebrand schreef. Het boek verscheen in de tijd tussen zijn promotie tot doctor in de theologie en zijn aantreden als predikant in Heemstede.
Het was een tussentijd waarin hij nog onmaatschappelijk kon zijn. Want dat was hij. Eerst als zwart romanticus, daarna als de over het paard getilde student Hildebrand die minachtend op de maatschappij neerkijkt.
Toen Beets eenmaal dominee was, stond hij midden in de maatschappij. Hij ontpopte zich tot modelburger, tot iemand die alle negentiende-eeuwse deugden in zich verenigde. Godsvrucht, gematigdheid, evenwichtigheid, bedaagdheid, huiselijkheid, gezagsgetrouwheid, liefde voor koningshuis en vaderland - hij was er de verzinnebeelding van. Als predikant pakte hij ook de pen nog op. Bundels vol huiselijke gedichten en domineespoëzie schreef hij - 'De moerbijtoppen ruisten;/ God ging voorbij’. Onder de titel Stichtelijke uren publiceerde hij maandelijks zijn preken. De Camera Obscura beschouwde hij als een jeugdzonde. Het moet hem geërgerd hebben, voorzover hij zich nog ergerde, dat hij vooral geëerd werd als schrijver van een boek dat de spot dreef met de negentiende-eeuwse samenleving waarin hij zich later als een vis in het water voelde.
Het is een heuse kwestie geworden in de neerlandistiek. Wat heeft de opstandige Beets van de Camera Obscura te maken met de brave dichter-predikant? De neerlandicus K. Heeroma bestempelde het tot 'het probleem-Beets’, dat hij als volgt omschreef: 'Hoe is het mogelijk dat iemand op zijn zesentwintigste een geniaal boek schrijft en daarna zestig jaar lang zich zonder protest een leven van gekroonde onbenulligheid kan laten welgevallen?’ Er werd heel wat op los gepsychologiseerd. Beets was, aldus generaties neerlandici, een gespleten persoonlijkheid. Zijn romantische kant kon in zijn studietijd bloeien om onmiddellijk te worden onderdrukt door zijn burgerlijke kant toen hij het ambt van predikant aanvaardde.
Heeroma zag in de gespletenheid van Beets zelfs de schizofrenie van een hele generatie: de romantische poëzie en het humoristische proza van rond 1830 waren een uitlaatklep voor een diepe angst om deel uit te maken van de maatschappij. De romantische ironici versperden als het ware de geplaveide weg naar de toekomst die voor hen klaar lag. Tegelijk waren ze zo maatschappelijk bewust en vroom dat het ondenkbaar was dat ze van die keurig aangepaste toekomst zouden afzien. In pastorale gedichten losten ze die spanning op.
BOOM OF GEEN boom, de Camera Obscura blijft een stomvervelend boek. Nu het opnieuw is uitgegeven in de zogenaamde Deltareeks, een reeks van 'grote werken’ uit de vaderlandse letterkunde die de allure van de Franse Pléiade-serie moet krijgen, heb ik het herlezen. Het viel helemaal niet mee. Zelfs de verhalen die ik me als wel aardig en niet geheel ongeestig herinnerde, blijken zouteloos en flauw.
Natuurlijk doe je de nodige wetenswaardigheden op uit de Camera Obscura. Uit Beets’ nauwgezette beschrijvingen leer je hoe het was om per diligence of trekschuit te reizen. (Het ging allebei langzaam, maar de diligence had net wat meer cachet dan de volkse trekschuit; eenmaal op reis was er nog één soort reizigers erger dan de walmende rokers: de babbelaars, omdat zij 'uw beter deel’, namelijk 'uw hoofd en hart’ grieven. Rokers maken ziek, praters ongelukkig.) Je leert dat aan het begin van de negentiende eeuw nog pruiken werden gedragen, dat er nauwelijks straatverlichting was, dat berichten met een steen met de diligence werden verstuurd om de dure portokosten van de posterijen te omzeilen, en dat elke stad stadspoorten had die ’s nachts werden gesloten.
Je leert vooral uit de Camera Obscura hoe oubollig de negentiende-eeuwse humor was. Humor was een ziekte, humor was een plaag, leer je uit Beets’ spottende boutade 'Humoristen’ in het boek. Hij schrijft: 'Het heele land is er van vergiftigd: humoristen op rijm; humoristen in proza; geleerde humoristen; huiselijke humoristen; bloempjes-humoristen; tekst-humoristen; sprookjes-humoristen; vrouwenhatende en vrouwenfleemende humoristen; sentimenteele humoristen; ongelikte humoristen (…) reizende humoristen; huiszittende humoristen; tuin- en prieeltje-humoristen, wier vrouwen aan iets anders bezig zijn, terwijl zij humoriseren; en dan eindelijk de heel simpele plattelands-humoristen.’ Omdat het land bijna door een humoristische watersnoodramp geteisterd wordt, 'kan men er niet gauw genoeg bij zijn, een drenkelinggenootschap voor de humoristen op te richten, of een afschaffings-, ten minste matigheids-maatschappij onder de zinspreuk: “Laat staan uw humor.”’ Dit is humor.
De humor in de Camera Obscura laat zich het beste karakteriseren aan de hand van twee beroemde personages. Als je voorbijgaat aan de traagheid ervan, aan het feit dat je elke grap van honderd meter ziet aankomen, dan is de humor vooral een mengsel van de naargeestigheid van neef Robertus Nurks (sic) en het droogkomieke talent van de heer Dorbeen (sic). Voor de niet-kenners: neef Nurks is het hoofdkarakter in 'Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout’. Beledigen is zijn professie. Heeft iemand een nieuwe hoed op, dan noemt hij het steevast een gek of lelijk ding of zegt hij dat het 'een paar modes ten achteren’ is. In uitspanningen maakt hij zijn kwetsende opmerkingen zo luid dat iedereen ze kan verstaan. 'Wat een mormel’, zegt hij over een krulhond die door zijn baas wordt gestreeld. 'Ba; wat is ze leelijk als ze zingt’, over een zangeres. Als iemand hem een grappig verhaal vertelt, blijft hij hem na de clou opzettelijk gespannen aankijken. Als hij het uitje naar de Haarlemmerhout grondig heeft verpest en in de diligence stapt, steekt hij nog even zijn hoofd naar buiten, en roept: 'Niet veel zaaks.’
De heer Dorbeen is een kennis van de familie Stastok. Hij komt er graag een avondje passeren. Dan haalt hij grappen op uit zijn jeugd en als hij er een heeft opgehaald, stopt hij direct zijn pijp en trekt een lang en akelig gezicht om duidelijk te maken hoe droogkomiek hij is. Hij is gespecialiseerd in woordgrappen - over een rijke jongeman: 'Zijn vader heet Goedelaken, maar hij mocht wel Goudlaken heeten’ - en zouteloze rijmpjes.
Hoe kritisch Hildebrand Nurks en Dorbeen ook portretteert, ze zijn twee kanten van hemzelf. Waaruit bestaat zijn humor in de Camera Obscura? Uit het neerbuigend beschrijven van de uitdossing van zijn personages. Hun kleren zijn gek of lelijk, lopen járen achter de mode aan, of passen niet bij hun stand. Wat vindt hij van de visite van de familie Stastok of de familie Kegge waar hij logeert? Niet veel zaaks. Als een van zijn types een grap maakt, blijft hij met een uitgestreken gezicht voor zich uit kijken. Als ze maar niet denken dat ze komisch zijn. En als hij niet kritiseert? Tja, dan is hij een meneer Dorbeen.
IK HEB NOG iets geleerd bij het herlezen. Ik weet het antwoord op het probleem-Beets. Dat is namelijk een schijnprobleem. Hoezo is Beets onmaatschappelijk in zijn jeugdwerk? Hij drijft de spot met de negentiende-eeuwse doorsnee burger, maar het is maar de vraag of hij zichzelf buiten de burgerij plaatst. Want al zijn o zo geestige stekeligheidjes komen op het volgende neer: de doorsnee burgers zijn belachelijk omdat ze meer dan doorsnee burgers willen zijn. Een dubbeltje wordt nooit een kwartje, dat is de moraal van de Camera Obscura. Voor de adel, de notabelen en de 'grote hanzen’, de kooplieden die van geslacht op geslacht grote kooplieden zijn, siddert hij van ontzag. Gemiddelde burgers met aspiraties, daarop richt hij zijn goedmoedige gram.
Wat is het meest lachwekkend aan vader en moeder Stastok? Dat ze pretenties hebben. Ze proberen zich als hele meneren en mevrouwen te kleden, maar ze doen het natuurlijk net verkeerd. Wat is verwerpelijk aan meneer Kegge? Dat hij een parvenu is, een volksjongen die in de West een fortuin heeft vergaard en nu bij de patriciërs thuis wil horen. Daar hoort hij niet. De sympathie van Hildebrand ligt bij eenvoudige burgers met een eenvoudig hart die inzien dat ze eenvoudig zijn. In alle verhalen en schetsjes ligt de moraal er dubbeldik bovenop. Die moraal zegt dat er een standenmaatschappij is en dat die standenmaatschappij goed is. Wie aan zijn stand probeert te ontsnappen, is hoogmoedig, heeft een kortzichtig of slecht karakter, is in één woord: lachwekkend.
Het is onbegrijpelijk dat Beets de Camera Obscura als een jeugdzonde zag. Het boek rijmt keurig op zijn latere bedaagde predikantenbestaan. Natuurlijk, de verteller Hildebrand is een pedant heertje dat de dingen scherper zegt dan de zalvende dominee Beets dat zou doen. Maar ze zijn allebei even burgerlijk. 'Wir haben es so herrlich weit gebracht’, dat is de sfeer die uit het boek spreekt. Althans, de verteller en de hoge burgers hebben het zo ver gebracht, de rest moet zich niets verbeelden.
Het is een cliché dat er geen groter moralisten zijn dan humoristen. Maar in het geval van de Camera Obscura is het helemaal waar. Het boek leest nu als een door en door burgerlijk en conformistisch boek. Het is een raadsel waarom dit boek tot de 'grote werken’ van de vaderlandse letterkunde behoort. De hoogleraar Garmt Stuiveling wist het antwoord: 'Alleen bij een volk, waar de zelfingenomenheid te algemeen is om als zonde te worden gevoeld, kon de Camera klassiek worden.’ Misschien had Beets wat minder moeten humoriseren. 'Laat staan uw humor’ - hij had naar die zinspreuk moeten luisteren.