Handlangers en vuile handen

Het probleem met oorlogen-per-volmacht

Met het uiteenvallen van het Taliban-regime in Afghanistan worden de Verenigde Staten nu geconfronteerd met het probleem van de «principal agent», de opdrachtgevende partij, dat sinds het begin van de oorlog tegen het terrorisme meespeelt op de achtergrond. Opdrachtgevers zijn voor de uitvoering van hun plannen afhankelijk van proxy’s, gevolmachtigden of gedelegeerden. Het levert altijd problemen op als je je eigen vuile werk door iemand anders laat opknappen. Je weet niet zeker dat je handlangers doen wat je ze opdraagt, en het kan erop uitdraaien dat je uiteindelijk zelf net zulke vuile handen krijgt als zij.

In Afghanistan zijn de Oezbeekse en Tadzjiekse milities — Hezb-i-wahdat, Junbish en Jamiat-i-islami — de handlangers die Amerika heeft gekozen om de Taliban af te zetten. De laatste keer dat ze in Kaboel waren, tussen 1992 en 1996, vochten die milities tegen elkaar en veranderden de stad in het Dresden van na de Koude Oorlog. Met dit in gedachten hebben de Amerikanen in de eerste zes weken van de oorlog geprobeerd ze tegen te houden, door Taliban-doelen net genoeg te bombarderen om ze uit te schakelen, maar niet zo hevig dat de Noordelijke Alliantie kan doorbreken.

Een bloedbad na een overwinning van de Noordelijke Alliantie zou net zoiets zijn als de moordpartijen uit wraak door Kosovaren die volgden op de Navo-overwinning in juni 1999. In beide gevallen zou de opdrachtgever, en niet de gevolmachtigde, de grootste schuld krijgen. Een bloedbad in Kaboel of Mazar (veroverd door de Noordelijke Alliantie) zou zich afspelen voor een televisiepubliek van de hele islamitische wereld. Als een oorlog tegen terreur een strijd is om de sympathie van het volk, is er nauwelijks iets denkbaar dat meer schade zou toebrengen aan het morele doel van de opdrachtgever.

Het is niet eenvoudig om een oorlog-per-volmacht te controleren vanuit de lucht. Te veel bombarderen en de handlanger breekt door en creëert problemen. Te weinig bombarderen en de oorlog raakt in een patstelling. Precies genoeg maakt dat de Taliban verdwijnen of overlopen. Dat is het evenwicht dat Amerika probeert te vinden.

Als aanvulling op de lucht-macht hoopt de Amerikaanse regering haar handlangers te controleren met behulp van de Special Forces en «adviseurs» die op de grond opereren. Ook hier gaat het om een breekbaar evenwicht dat de Amerikanen moeten zien te bereiken. Te veel troepen op de grond heeft als risico dat Amerika in net zo’n grondoorlog belandt als de oorlog die het sovjetrijk vernietigde. Bij te weinig troepen loopt Amerika het gevaar de controle over zijn handlangers geheel en al te verliezen. Op dit moment bevinden zich honderden, mogelijk duizenden eenheden van de Special Forces op de grond, en dat zou precies genoeg kunnen zijn om doelen op te sporen voor de US Air Force en om de bandeloze troepen van de Alliantie te kunnen beteugelen.

Een ander probleem dat onlosmakelijk is verbonden met het voeren van een oorlog-per-volmacht is voorkomen dat de gedelegeerde overkomt als het knechtje van de opdrachtgever. De legitimiteit van de gevolmachtigde partijen voor hun eigen volk — de Afghanen — hangt ervan af of ze onafhankelijk van Amerika kunnen lijken. De legitimiteit van de opdrachtgever hangt er ook van af of hij de schijn kan vermijden een imperialist te zijn. Beide partijen hebben dus redenen om oorlog te voeren per afstandsbediening.

Oorlogen-per-volmacht — en de problemen die ze met zich meebrengen — zijn niet nieuw. De Verenigde Staten hebben de meeste oorlogen tegen het communisme gevoerd met behulp van handlangers. Ze financierden Jonas Savimbi in Angola toen hij van dienst leek te kunnen zijn bij het omverwerpen van het marxistische regime in de hoofdstad Luanda. Helaas was het enige wat de opdrachtgevende partij bereikte medeplichtigheid in een verwoestende burgeroorlog. In Afghanistan was Osama bin Laden zelf een handlanger in de jihad tegen de sovjets. Toen werd de overwinning eveneens gevolgd door een verwoestende burgeroorlog. Handlangers hebben de onaangename neiging ofwel hun opdrachtgevers te schande te maken of zich tegen hen te keren.

Toch is het moreel perfectionisme om te veronderstellen dat Amerika een oorlog tegen het terrorisme kan voeren zonder handlangers. Het enige echte alternatief is alle gevechten zelf uitvoeren. Dat is precies waar de vijand op hoopt. Al-Qaeda zal hopen dat ze lange konvooien van Amerikaanse soldaten en hun uitrusting in die hoge, smalle bergpassen kan lokken waar eerder de Russen de dood vonden. Amerika zou er verstandig aan doen Osama bin Laden dat genoegen niet te gunnen.

De opdrachtgever gebruikt dus gevolmachtigden om te vermijden dat hij een moeras in wordt gezogen. Maar afhankelijkheid van handlangers legt het lot van de opdrachtgever in de handen van mensen die de overwinning wellicht anders definiëren dan de hoofdrolspeler: een Afghanistan herbouwd op solide politieke fundamenten en vrij van terreur. Voor een militair leider in Amerikaanse dienst ziet de overwinning er misschien uit als controle van de heroïneproductie, plus de dood van de vijandige krijgsheren.

De echte problemen met oorlogen-per-volmacht beginnen paradoxaal genoeg zogauw de overwinning is behaald. Moordpartijen als vergelding door milities, het vereffenen van rekeningen tussen milities, en gevechten om grondgebied en goederen zouden Afghanistan nog meer ellende kunnen bezorgen. Een opdrachtgever kan een oorlog met gedelegeerden winnen. Een duurzame vrede kan echter niet worden opgebouwd met de afstand bediening. Vrede zal substantiële inzet vereisen van de betrokken opdrachtgevers: vredestroepen, humanitaire hulp, wederopbouw van infrastructuur. Niemand in de internationale gemeenschap heeft de moed de gevolmachtigden te ontwapenen. Maar hun leiders kunnen een politiek proces in worden getrokken en, met enig geluk, van strijders worden getransformeerd tot politici.

Dat is wat deze oorlog zal uitwijzen: of een cultuur van strijders kan worden veranderd in een politieke cultuur, en of hand langers geleidelijk zelfstandige opdrachtgevers kunnen worden, om een land opnieuw op te bouwen dat ze ooit verwoestten.

© Project Syndicate

Vertaling: Rob van Erkelens